Zeven kleine Australiërs by Turner, Ethel Sybil

Gutenberg.

ETHEL TURNER

ZEVEN KLEINE AUSTRALIËRS

Naar den 3en druk uit het Engelsch bewerkt

DOOR

MARIE TEN BRINK

Geïllustreerd door A. J. Johnson

GOUDA

G. B. van GOOR ZONEN

AAN

MIJNE MOEDER.

E. S. Turner, Lindfield, Sydney.

INHOUD.

Bladz.

EEN WOORD VOORAF XI

HOOFDSTUK I.

HOOFDZAKELIJK BESCHRIJVEND 1

HOOFDSTUK II.

GEBRADEN KIP 14

HOOFDSTUK III.

DE DEUGD WORDT NIET ALTIJD BELOOND 24

HOOFDSTUK IV.

DE GENERAAL IN DE KAZERNE 49

HOOFDSTUK V.

AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN 72

HOOFDSTUK VI.

HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR! 82

HOOFDSTUK VII.

"WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?" 96

HOOFDSTUK VIII.

EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE 119

HOOFDSTUK IX.

GEVOLGEN 131

HOOFDSTUK X.

BUNBY ALS HELD 138

HOOFDSTUK XI.

EENE VLUCHTELING 159

HOOFDSTUK XII.

ZWIEP, ZWIEP! 172

HOOFDSTUK XIII.

ONGENOODE GASTEN 187

HOOFDSTUK XIV.

DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER 202

HOOFDSTUK XV.

DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN 214

HOOFDSTUK XVI.

YARRAHAPPINI 230

HOOFDSTUK XVII.

DE KUDDEN VAN YARRAHAPPINI 242

HOOFDSTUK XVIII.

DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO 254

HOOFDSTUK XIX.

EEN LICHTBLAUW HAARLINT 272

HOOFDSTUK XX.

JUDY 284

HOOFDSTUK XXI.

TOEN DE ZON ONDERGING 295

HOOFDSTUK XXII.

HET LAATSTE HOOFDSTUK 303

EEN WOORD VOORAF.

"Seven little Australians" heeft Miss Ethel Turner het boek genoemd, dat thans in Nederlandsche vertaling verschijnt. "Zeven kleine Australiërs" heb ik dus boven het verhaal geschreven, dat de geschiedenis bevat der kinderen van den bij Sidney wonenden kapitein Woolcot.

Steeds verdiept onze jeugd zich nog gaarne in het aangenaam, frisch geschreven verhaal "Helen's Kleintjes", en zouden er wel vele jonge meisjes bij ons gevonden worden, die niet heerlijke uren hadden doorgebracht met het lezen van Louise Alcott's boeken? Welnu, aan allen, die in dergelijke lectuur genoegen scheppen, draag ik de "Zeven kleine Australiërs" op.

Trouwens, dat men in Engeland dezelfde opvatting van Miss Turner's wijze van schrijven heeft, bewijst hetgeen een Londensch blad, The Queen zegt:

.... "het is bestemd om de harten van jong en oud te winnen evenals "Helen's Babies" ze won", en wat de Westminster Gazette schrijft:

"Miss Turner is op weg om voor Australië en dan voor de wereld in het algemeen datgene te worden, wat de schrijfster van "Little Women" gedurende eenige geslachten voor Amerika was, en voor kinderen zoowel als voor volwassenen over de geheele wereld. "Seven little Australians" is zulk een allerliefst verhaal, dat wij met vreugde het vervolg hierop "The Family at Misrule" begroeten. Het zijn weer de "zeven", en meer dan ooit worden wij geboeid door hunne guitenstreken en afdwalingen en hunne goede daden. Wij kennen geen opwekkender, gezonder lectuur dan deze."

Miss Ethel Turner heeft dus een vervolg op haar "Seven little Australians" geschreven, en voor al wie de geschiedenis van Meg, het droomerige, zestienjarige meisje in wie zoovele goede eigenschappen sluimeren; van Pip, haar flinken broeder; van Judy, wier dood door zelfopoffering men niet dan met groote aandoening kan lezen; van Nellie, van den zwakken, helaas dikwijls onoprechten Bunby, van Baby en van den steeds vroolijken jongste, den "Generaal" met belangstelling heeft gelezen, zal dit eene welkome tijding zijn. Weldra zal ook dit vervolg in het Nederlandsch het licht zien.

Ten slotte nog eenige aanhalingen uit beoordeelingen der Engelsche pers: The Standard zegt van Miss Turner's eerste werk:

"De bekoorlijkheid van dit boek bestaat in zijn eenvoudigen, gepasten stijl, in de afwisseling van ernst en luim. Wij aarzelen niet het de eerste plaats onder de nieuw uitgekomen boeken te geven."

In de Graphic leest men, dat het is:

"Een treffend beeld uit het kinderleven."

The Sketch zegt van Miss Turner:

"Zij heeft een ongeëvenaard succes met haar allerliefst verhaal uit het kinderleven: "Seven little Australians" behaald. Het boek heeft in Australië een buitengewonen opgang gemaakt, en heeft in Engeland de warme bewondering van verscheidene uitstekende letterkundigen verworven."

Moge Miss Turner's boek in Nederland een even goed onthaal vinden als in Australië en Engeland.

Marie ten Brink.

Leiden.

HOOFDSTUK I.

HOOFDZAKELIJK BESCHRIJVEND.

Alvorens gij u in deze geschiedenis gaat verdiepen, zou ik u eerst even willen waarschuwen.

Wanneer ge u verbeeldt, dat ge zult lezen van modelkinderen, met misschien een er tusschen, die neiging toont, om wel eens ondeugend te zijn, alleen om eene leerrijke tegenstelling te vormen, dan doet gij beter met dit boek dadelijk op zijde te leggen en u in de "Geschiedenis van den Braven Hendrik" of een dergelijk standaardwerk voor de jeugd te verdiepen. Geen enkele van de zeven is volmaakt braaf, wegens de zeer goede reden, dat Australische kinderen dit nooit zijn.

In Engeland, in Amerika, in Afrika, in Azië, mag het jonge volkje toonbeelden van deugd zijn, ik weet er weinig van.

Maar in Australië is een modelkind--ik zeg het niet zonder dankbaarheid--een onbekend verschijnsel.

Het is mogelijk, dat de miasmen van de ondeugendheid zich het best in onze van zonnegloed doortintelde, zuivere atmospheer ontwikkelen. Het is mogelijk, dat land en volk gelijkelijk jong van hart zijn, en er geen schaduw op het gemoedsleven der kinderen geworpen wordt door de treurige geschiedenis van lang vervlogen jaren.

Er is hier eene smeulende vonk van vroolijkheid en verzet en kwaad in de natuur, en daarom ook in de kinderen.

Dikwijls wordt het licht dof en de schitterende tinten verwelken tot onzijdige kleuren in het stof en de hitte van den dag. Maar als deze oproerige neiging gedurende vrije dagen en schooldagen blijft aanhouden, dan beslissen de omstandigheden alleen er over of de electrische vonk de weerbarstigen tot allerlei ongerechtigheden zal aanzetten, of de harten zal verwarmen van de moedige, eenvoudige, oprechte menschen die alléén Australië kunnen "groot maken".

Maar genoeg hierover. Laat mij u vertellen van mijne zeven uitgelezen kinderen. Op dit oogenblik zullen zij thee gaan drinken met een minimum van comfort en een maximum van rumoer, dus, wanneer gij een oorverdoovend geraas van stemmen en een onharmonisch gerinkel met kopjes en schotels kunt velen, zal ik u mede naar binnen nemen en hen aan u voorstellen.

Het theeuurtje der kinderen is meer eene Engelsche dan eene Australische instelling; er heerscht hier bij ons een vriendschappelijke geest onder ouders en kinderen, en eene volkomen afwezigheid van onderdanigheid aan den kant der laatsten. Zelfs in de voornaamste families gebeurt het zelden, dat de ouders in eenzame plechtstatigheid een maal gebruiken, terwijl de kinderen in eene andere kamer thee zonder veel meer wordt voorgezet: zij plaatsen zich allen om dezelfde tafel, en de kinderen bedienen zich van de schotels, die voor allen bestemd zijn, en handhaven krachtig hun recht, aan het gesprek deel te nemen.

Maar, wanneer nu de vader zeer lastig en min of meer prikkelbaar is, en zijne zeven kinderen uitstekende longen en onvermoeibare tongetjes hebben, is het dan niet het beste, dat elk der partijen eene afzonderlijke kamer heeft om de maaltijden te gebruiken?

Kapitein Woolcot, de vader, had, in overeenstemming met deze scheiding, het dikke vilt over de vleugeldeur boven laten aanbrengen, maar het rumoer kwam desniettegenstaande onbezorgd in een stroom van vroolijke klanken naar beneden, naar de eetkamer.

Het vertrek, waar de kinderen zich ophielden, was buitendien eene kinderkamer zonder kinderjuffrouw, en dit verklaart ten deele dezen toestand. Meg, de oudste, was eerst zestien; van haar kon men redelijkerwijze niet verwachten, dat zij veel ontzag inboezemde, buitendien had het slordige maar goedhartige meisje, op wie de plichten van kinderjuffrouw en kamermeisje rustten, zooveel te doen in deze laatste hoedanigheid, dat de eerste er aanmerkelijk onder leed. Zij zorgde voor de maaltijden der kinderen, wanneer geen der kleine meisjes te vinden was om haar te helpen, en de kleertjes van de twee jongsten knoopte zij 's morgens dicht, maar behalve dit moesten al de kinderen maar zien zich zelf te helpen.

En de moeder? zult ge vragen.

O, zij was niet ouder dan twintig--net een vroolijk, jong meisje, die zij allen aanbaden, en die maar heel weinig deftiger en maar weinig meer van een huismoedertje had dan Meg. Alleen de jongste van het troepje was haar kind, maar zij scheen evenveel van de andere zes te houden, en behandelde den jongste meer alsof het een grappig klein poesje dan een heusche levende baby was, en haar eigen kindje.

Het is waar dat op Misrule--dit is de naam waaronder het huis in de wandeling bekend was, hoewel ik geloof dat er een andere boven het balkon geschilderd stond--scheen deze baby een speelpopje voor een ieder te zijn. De kapitein begon gewoonlijk te lachen, als hij hem zag, hief hem hoog in de lucht, en gaf hem dan snel aan een ander over.

De kinderen sleepten hem overal mede heen, lieten hem ontelbare malen vallen, vergaten zijn jasje op vochtige dagen, stopten hem goed in als het warm was, gaven hem de vreemdsoortigste dingen te eten, en toch was hij de gezondste, aardigste, tevredenste kleine man, die ooit op een klein dik duimpje gezogen heeft.

Ook noemde men hem nooit "baby"; dit was de bijzondere naam van op één na het jongste. Kapitein Woolcot had gezegd: "Wel zoo, is dat de generaal?" toen het kleine, roode, staroogende wezentje in zijne armen werd gelegd, en deze naam was in dagelijksch gebruik gekomen, ofschoon ik geloof, dat de dominee bij de doopplechtigheid zoo iets gezegd heeft van Francis Rupert Burnand Woolcot.

Baby was vier, en was een zacht klein dik meisje, met lieve vleiende maniertjes, groote glimlachende oogjes en lipjes, die tot kussen noodigden, als zij tenminste niet bedekt waren met jam.

Had zij niet eene soort van liefhebberij gehad, om den Generaal aan het schreien te maken, dan was zij bijna een modelkind geweest. Ontelbare malen was zij overvallen, terwijl zij bezig was zijn arme kleine borst in te drukken om hem te laten "piepen", terwijl zij in zijne kleine armpjes kneep of aan zijn onschuldigen neus rukte, alleen maar om het vreemde genot te hebben van de wanhoopskreten te hooren, die hij dan dadelijk uitstootte. Kapitein Woolcot schreef de oorzaak van deze zonderlinge neiging aan het feit toe, dat het kind eens een log wollen lammetje gehad had, aan hetwelk het stevigste drukken alleen maar een zeer flauw piepend geluid had kunnen ontlokken: hij zeide, dat het niet anders dan natuurlijk was dat zij, nu zij iets had, dat zich zoo gemakkelijk indrukken liet, dit ook daarvoor gebruikte.

Bunby was zes, en was dik en lui. Hij vond in het veld staan bij het cricketspel afschuwelijk, hij verfoeide zelfs het woord paardjespelen, en als er sprake was van eene boodschap, wel, eer iemand nog gereed was met te zeggen, dat hij dit of dat gaarne gehaald had, was Bunby reeds lang verdwenen. Hij was klein voor zijn leeftijd en ik geloof niet, dat iemand hem ooit gezien heeft met een schoon gelaat. Zelfs in de kerk was alleen dat gedeelte, dat juist naar den dominee gekeerd was, tamelijk schoon, maar de menschen in de banken achter hem hadden altijd een ongestoord gezicht op de zwarte grens, die de spons niet overschreden had.

De volgende van de rij--ik klim, zooals ge ziet, van beneden naar boven--was het "pronkjuweel" der Woolcots, zooals Pip, de oudste jongen, zeide. Ge hebt wel eens op Kerstmiskaartjes, die engeltjes met ideale kindergezichten gezien? Ik denk, dat de teekenaar juist van Nell gedroomd had, en toen zijn visioen onvolkomen heeft weergegeven. Zij was tien, was slank en sierlijk als een elfje, had goudachtig haar, dat in wonderschoone golven en krullen langs haar gezichtje hing, zachte lichtbruine oogen en een rozeknopje van een mondje. Zij had volstrekt geen eigendunk, daar zorgden haar broertjes en zusjes wel voor,--Pip zou zulk eene neiging in hare eerste uiting onderdrukt hebben,--maar toch, als er een mooi lintje over was, of een lap fraai gekleurde stof juist groot genoeg voor een klein jurkje, dàn was het als eene van zelf sprekende zaak voor haar.

Judy was slechts drie jaar ouder, maar vormde met haar het grootst mogelijke contrast. Nellie was in al hare bewegingen langzaam, en kon in iedere houding een waardig model voor een schilderijtje zijn. Judy was, geloof ik, nog nooit wandelend gezien, en zag er zelden teekenachtig uit. Wanneer zij niet als eene dwaze naar de plek toe stormde, die zij wenschte te bereiken, dan ging zij er al springende, dansende en huppelende heen. Zij was zeer mager, zooals gewoonlijk kinderen en menschen, die kwikzilver in plaats van bloed in hunne aderen hebben; zij had een klein, levendig, sproetig gezicht met schitterende donkere oogen, een kleinen, vastberaden mond, en een overvloed van woest, krullend donker haar, dat de plaag van haar leven was.

Zonder twijfel was zij de lastigste van de zeven kinderen, waarschijnlijk omdat zij de schranderste was. Hare vernuftige invallen brachten hen allen telkens in verlegenheid, zij nam bedaard de schuld van alles op zich, en menigmaal gebeurde het, dat de andere kinderen haar stormachtig verweten, hen tot het een of ander kattekwaad aangezet te hebben. Zij was "Helen" gedoopt geworden, dat in geenen deele verantwoordelijk is voor "Judy" [1], maar kan men bijnamen eigenlijk wel voor iets verantwoordelijk stellen? Bunby zeide, dat zij zoo genoemd werd, omdat zij altijd haar bovenlijf voor- en achterover wierp en met hare armen en beenen zwaaide als de beroemde vrouw van Punch; daar mag wel iets van aan geweest zijn. Haar andere naam "Fizz" is gemakkelijker te begrijpen; Pip placht te zeggen, dat hij nog nooit gemberbier gezien had dat bruisend en borrelend half zooveel leven maakte als Judy.

Pip heb ik nog niet aan u voorgesteld, is het wel? Hij geleek een weinig op Judy, maar was knapper en grooter, en hij was veertien jaar, en had even goed zijne eigen meening, en koesterde eene even groote geringschatting voor meisjes, als jongens van zijn leeftijd dit gewoonlijk doen.

Meg was de oudste van de familie, en had eene mooie lange vlecht waaraan Bunby met het grootste genoegen kon trekken, een zacht, droomerig gezichtje, dat geheel bedekt was met kleine, niet leelijke sproeten, waarover zij menigmaal van dezen en genen iets moest hooren.

Door de leden van het gezin werd algemeen geloofd, dat zij gedichten en verhalen schreef, en zelfs een dagboek hield, maar niemand had ooit een spoor van hare papieren gezien, zoo zorgvuldig hield zij ze in haar ouden blikken hoedendoos weggesloten. Hadt gij hen naar hun vader gevraagd, dan zouden zij u allen met grooten trots geantwoord hebben, dat hij "een militair" en door zijne bezigheden niet vaak thuis te vinden was. Hij begreep niets van kinderen, en was altijd aan het brommen over het rumoer dat zij maakten en het geld, dat zij kostten. Toch geloof ik, dat hij wel wat trotsch was op Pip en soms, als Nellie aardig aangekleed was, nam hij haar met zich mede in zijn dogcart.

Hij had, toen hij zijn jong vrouwtje zijne woning binnenleidde, haar voorgesteld, hen alle zes naar eene kostschool te zenden, maar zij had daar niets van willen hooren.

Eerst hadden zij geprobeerd in de kazerne te wonen, maar na eenigen tijd werd in het officierskwartier een ieders verontwaardiging gewekt door de guitenstreken van "die ongezeggelijke kinderen", en dus nam kapitein Woolcot een huis buiten de stad, aan de Parramatta gelegen, en bracht zijn gezin in eene bitter booze stemming daarheen.

De kinderen vonden de verandering verrukkelijk, want er was eene groote wildernis als tuin, twee of drie grasvelden, ontelbare donkere hoekjes waarin men zich kon verbergen bij het verstoppertje spelen, en, het beste van alles, de rivier. Hun vader hield drie mooie paarden, een in de kazerne en een rijpaard en een goed koetspaard op Misrule; en de kinderen--niet dat zij dit anders zouden gewenscht hebben--liepen in afgedragen kleeren, waar hunne ellebogen doorheen keken, en op oude schoenen. Zij werden onderwezen--allen behalve Pip, die naar de Latijnsche school ging--door eene gouvernante van den derden rang, die dagelijks bij hen kwam, en altijd in doodelijken angst leefde, dat hare onwetendheid door hare leerlingen zou ontdekt worden. Als van zelf spreekt, hadden zij haar reeds lang doorzien, maar deze toestand strookte volkomen met hunne neiging, om niet te veel tot werken aangezet te worden, en vooral niet te veel te moeten leeren, en dus zwegen zij hierover met de grootste nauwgezetheid.

HOOFDSTUK II.

GEBRADEN KIP.

Ik hoop, dat ge nog niet geheel doof zijt geworden, want hoewel wij gereed zijn met voorstellen, is het theedrinken nog lang niet afgeloopen, en dus moeten wij nog een poosje in de kinderkamer blijven. Gedurende al den tijd, dat ik gepraat heb, is Pip aan het brommen geweest, omdat er niets bijzonders was. Het is waar, dat de tafel er niet zeer aanlokkelijk uitzag: het servet scheen er maar op goed geluk over heen geworpen, de kopjes en schotels waren gebarsten en beschadigd, de thee zeer slap, en er was niets om te eten dan dikke boterhammen. Toch was alles als gewoonlijk, en ieder scheen verbaasd over Pip's ontboezeming.

"Vader en Esther" (zij noemden hunne jonge stiefmoeder allen bij haar voornaam) "hebben gebraden gevogelte, drie groenten, en vier soorten pudding," zeide hij boos; "het is wat moois!"

"Maar wij hebben om één uur ons middageten gehad, Pip, en voor jou is als gewoonlijk eten bewaard," zeide Meg, terwijl zij bij de thee die zij schonk, met kwistige hand warm water en suiker voegde.

"Schapenvleesch en wortelen en rijstpudding!" antwoordde haar broeder verdrietig: "Waarom krijgen wij geen gebraden gevogelte en vlade en dessert?"

"Ja, waarom krijgen wij daar niets van?" klonk als echo de stem van de kleine gulzige Bunby, terwijl zijne oogen begonnen te schitteren.

"Wat zou er dan veel moeten zijn voor ons allen!" zeide Meg, blijmoedig het mes in het groote brood zettende.

"Wij zijn maar kinderen--laten wij dankbaar zijn voor deze heerlijke dikke boterhammen en dezen overvloed van zachte boter!" zeide Judy, met een wijs gezichtje.

Pip schoof zijn stoel van de tafel af.

"Ik ga naar beneden en vraag om een stukje kip!" zeide hij met een vastberaden blik. "Ik ruik nog den geheelen tijd den heerlijken geur er van, en er staat een massa op de tafel, ik heb het door een kier van de deur gezien."

Hij nam zijn bord, liep naar beneden, en kwam weldra, tot een ieders verwondering, met eene groote portie terug.

"Hij kon mij niet best afschepen," grinnikte hij. "Kolonel Bryant is ten eten; maar hij keek wel een beetje woedend,--hier, Fizz, ik zal met je deelen."

Judy schoof haar bord gretig bij, toen haar dit ongewoon grootmoedige aanbod gedaan werd, en ontving een heel klein stukje, een vijfde deel, met groote dankbaarheid.

"Ik houd zoo bijzonder veel van kip!" zeide Nell smachtend. "Ik heb grooten lust om naar beneden te gaan en om een boutje te vragen--ik geloof, dat hij het mij wel zal geven."

Deze oneerbiedige kinderen zeiden, zooals ge reeds zult gemerkt hebben, van hun vader sprekende altijd "hij."

"Ja, doe dat!" zeide Pip, en er schitterde iets in zijne oogen.

Nell nam een ander bord, en vertrok langzaam naar de lagere gewesten. Zij liep de eetkamer binnen onmiddellijk achter het dienstmeisje, en stond naast haar vader, haar bord achter zich houdend.

"Wel, kleine meid, wil je mij niet een handje geven? Hoe heet je?" zeide kolonel Bryant, en klopte haar vriendelijk op de wang.

Nell keek op met een schuwen, lieftalligen blik.

"Elinor Woolcot, maar iedereen noemt mij Nell," zeide zij, en stak hare linker hand uit, daar de rechter het bord vasthield.

"Wel Nell, zijn dat nu manieren!" sprak haar vader lachend, maar hij zag haar een oogenblik ontevreden aan. "Waar is je rechter hand?"

Zij nam haar arm langzaam van haar rug weg en toonde het oude, gebarsten bord. "Ik dacht, dat u mij misschien ook een stukje kip zou willen geven," zeide zij,--"met een pootje of een vleugel of een stukje wit vleesch zou ik al blij zijn."

De kapitein fronste zijn voorhoofd. "Wat beduidt dat! Pip is zooeven ook hier geweest. Hebben jelui niets te eten in de kinderkamer?"

"Alleen heel dikke boterhammen!" zuchtte Nellie. Esther onderdrukte met moeite een glimlach.

"Maar jelui hebt je middageten gehad om één uur!"

"Schapenvleesch en wortelen en rijstpudding!" zeide Nellie treurig.

Kapitein Woolcot nam bijna toornig een kippebout en legde hem op haar bord.

"Ga nu heen! Ik begrijp niet, wat jelui beiden van avond hebt!"

Nellie was reeds bij de deur gekomen, en keerde toen weer terug.

"Zou u mij niet een vleugel voor Meg willen geven? Judy heeft wat van Pip gekregen, maar Meg heeft niets!" zeide zij, met zulk een smeekenden, ongelukkigen blik, dat kolonel Bryant er geheel door getroffen werd.

Haar vader beet zich op de lip, hakte met onheilspellend stilzwijgen een vleugel af, en legde dien op haar bord.

"Nu, ga nu heen, en laat ik verder geen last meer van je hebben, lieve kind!" De laatste woorden werden met groote zelfbeheersching uitgesproken. Nell's verschijning in de kinderkamer met twee porties kip werd met uitbundige juichkreten begroet. Meg was opgetogen over haar deel, sneed een stukje er af voor Baby, en het maal werd vroolijk voortgezet.

"Waar is Bunby?" zeide Nell opeens, met een zeer schoon afgekluifd beentje tusschen haar vingers, "ik hoop toch maar, dat hij ook niet naar beneden gegaan is; ik geloof heusch, dat vader het toch niet aardig vond, vooral omdat die vreemde man er bij was."

Maar deze kleine heer had dat werkelijk gedaan, en kwam, geheel uit het veld geslagen terug.

"Hij wilde mij niets geven,--hij zeide mij, dat ik weg moest gaan, en die vreemde man lachte, en Esther zeide, dat wij heel ondeugend waren,--maar ik heb toch een paar gebakken aardappels van de tafel buiten de deur kunnen nemen."

Hij opende zijne vuile handjes en liet de onsmakelijke lekkernij op het servet vallen.

"Bunby, je bent een kleine vuilpoets," zuchtte Meg, terwijl zij van haar boek opzag. Zij las altijd gedurende de maaltijden, en van het verhaal, waar zij nu aan bezig was, waren een paar hoogst beschaafde, uiterst elegante jonge meisjes de heldinnen.

"Je bent zelf een vuilpoets! Jelui hebt allemaal kip gehad behalve ik, akelige kinderen!" antwoordde Bunby kribbig, en at met groote haast zijne aardappels op.

"Neen de Generaal heeft niets gehad!" zeide Judy, en uit hare donkere oogen keek met eene plotselinge flikkering al hare oude ondeugendheid.

"Nu, nu Judy!" zeide Meg waarschuwend; zij wist maar al te goed wat die flikkering beduidde.

"O, ik zal je geen kwaad doen, lieve oudste zuster!" zeide mejuffrouw Judy, terwijl zij door de kamer danste en in het voorbijgaan Meg een tikje op het hoofd gaf. "Ik wilde alleen maar zorgen, dat die arme kleine Generaal ook een beetje plezier heeft!"

Zij tilde hem uit zijne hoogen stoel, waarin hij aan de tafel gegeten had, hard op het blad slaande met een lepel, en suiker etende in de tusschenpoozen.

"Nu zal je eens wat beleven, mijn Generaaltje!" zeide zij; en sprong met hem naar de deur.

"O, Judy, wat ga je nu beginnen?" riep Meg klagend.

"Ju-Ju!" kraaide de Generaal, terwijl hij bijna uit Judy's armen gleed, en hem een voorgevoel van pret doorstraalde.

Zij gingen de trap af, de andere vijf hen achterna om vooral niets te verliezen, van wat er gebeuren zou. Judy ging met hem op de onderste trede zitten.

"Houdt mijn kleine vent wel van kippen, lieve kippetjes?" zeide zij arglistig.

"Kip, kip! Kip, kip!" stootte hij uit, en keek om zich heen, of hij zijne vriendjes niet ontdekte.

"Vadertje heeft er eene heele menigte, zóóveel," zeide Judy, en zij spreidde hare armen wijd uit, om een denkbeeld te geven van het aantal, dat in haar vaders bezit was. "Ga ze maar eens gauw zoeken!"

"Kip, kip!" riep de Generaal verrukt, terwijl het hem eindelijk gelukte, op den grond te springen, "kip, kip zoeken!"

"Ga maar naar binnen!" fluisterde Judy, hem een duwtje gevende, zoodat hij in de half geopende deur der eetkamer te staan kwam; "vraag maar aan vader!"

Het kind kwam midden door de kamer op zijne dikke, onvaste beentjes aangedribbeld.

"Zijn de kinderen van avond allemaal niet wijs, Esther?" zeide de kapitein, toen zijn jongste zoon zich woest aan zijn been vastklemde en beproefde, omhoog te klimmen.

Hij keek in het kleine, vuile, ronde gezichtje. "Wel Generaal, waaraan hebben wij de eer van jou tegenwoordigheid te danken?"

"Kip, kip, kip, kip!" riep de Generaal. Hij wierp zich op handen en voeten, en begon kruipende te zoeken naar de gevederde lievelingen, die volgens Judy's zeggen hier moesten zijn.

Maar Esther nam de lieve, kleine booswicht met het vuile gezichtje op, en bracht hem, hoewel hij stevig tegenspartelde, buiten de kamer. Bij de trap gekomen struikelde zij bijna over de rest van het troepje.

"O, jelui ondeugende kinderen, jelui stoute, lastige kinderen!" zeide zij, terwijl zij de hand uitstrekte om hen om de ooren te geven, en natuurlijk niemand raakte.

Zij ging even op de benedenste trede zitten, om één oogenblik te schaterlachen, daarop gaf zij den Generaal aan Pip over.

"Morgen," zeide zij, opstaande en haastig het zware haar glad strijkende, waarin de handjes van den Generaal gewoeld hadden, "morgen krijgen jelui allemaal met den bezemsteel!"

Zij zagen den sleep van hare geel zijden japon weer in de eetkamer verdwijnen, en gingen langzaam naar de kinderkamer terug, om verder thee te drinken.

HOOFDSTUK III.

DE DEUGD WORDT NIET ALTIJD BELOOND.

Het was niet waarschijnlijk, dat zulk eene gebeurtenis zonder gevolgen voorbij zou gaan, maar aan den anderen kant is het ook weer moeielijk, zeven kinderen tegelijk te straffen. Eerst had Kapitein Woolcot aan Esther opgedragen om Miss Marsh, de gouvernante, te zeggen, dat zij hen allen tien Fransche werkwoorden moest laten leeren; maar, hierin had Judy gelijk, de Generaal en Baby en Bunby en Nell waren nog niet zoo ver, dat zij eenig begrip hadden van Fransche werkwoorden, en dus zou zulk eene straf niet doeltreffend zijn. Het vonnis was dus tot nu toe nog niet geveld, en een ieder bevond zich in een onbehagelijken toestand van angstige, drukkende spanning.

"Jelui vader zegt, dat jelui schandelijk ondeugend bent!" zeide de jonge stiefmoeder langzaam, toen zij een dag later in de kinderkamer in een schommelstoel zat. Zij droeg eene morgenjapon van witte mousseline met kersrood lint, maar op eene of twee plaatsen deed een speld dienst voor een knoop en de kant van den sleep was hier en daar afgetrapt.

"Meg, je ziet er vreeselijk slordig uit, en Judy moest zich schamen, zoo voor den dag te durven komen!"

Meg was gekleed in een slecht zittende, groen kasjmiren japon, waarvan de ellebogen versleten en het peluche op verscheidene plaatsen losgetornd was, terwijl Judy's vreeselijk nauw en verlept rose zephyr kleedje overal scheuren had, en de kleur nauwelijks meer te zien was van de vruchtenvlekken.

Meg bloosde even. "Ik weet het wel, Esther, en ik zou ook wel graag mooi gekleed willen zijn, maar het is heusch niet de moeite waard, om die oude japon nog te maken."

Zij nam het boek over de elegante jonge dames, dat hare tevreden stemming dreigde te verstoren, weer op, en ging er mede naar den armstoel.

"Judy, jij gaat die scheuren maken en zet knoopen aan je lijfje!" sprak Esther met ongewone vastheid.

Judy's oogen glinsterden en schitterden.

"Is dat een dolk, wat ik voor mij zie, en is 't gevest naar mijne hand gekeerd?" zeide zij onbeschaamd, greep een van de spelden van Esther's japon, bevestigde hem aan haar eigen kleedje, en maakte eene buiging.

Esther kleurde nu toch even.

"Dat doet de Generaal, Judy! Hij trekt altijd aan mijne knoopen, als ik met hem speel! Maar, daar had ik haast wat vergeten. Kinderen, ik heb slecht nieuws voor jelui!"

Er ontstond eene ademlooze stilte. Allen schaarden zich om haar heen.

"Het vonnis is geveld!" zeide Judy pathetisch: "laten wij ons de haren afsnijden en boetgewaden aantrekken!"

"Jelui vader zegt, dat hij zulk een gedrag niet ongestraft kan laten, en omdat jelui gisteren buitengewoon lastig geweest zijn, zullen jelui allen--"

"Worden weggesleept en opgehangen!"

"Wees stil, Judy! Ik verzeker je, dat ik voor jelui gepleit heb, maar dit ontstemde hem nog meer. Hij zegt, dat jelui de slordigste, bandelooste kinderen zijn van geheel Sidney, en hij zal jelui iederen keer straffen, als je iets ondeugends doet, en--"

"Daar zal geween zijn en knarsing der tanden."

"Ach, houd toch je mond, Judy! Wij kunnen immers niets verstaan!"

Pip legde zijne hand op haar mond en hield haar bij de haren vast, terwijl Esther hare mededeeling deed.

"Geen een van jelui gaat naar de pantomime. Er waren plaatsen genomen voor Donderdagavond, en nu zullen jelui allen thuis moeten blijven."

Gedurende een minuut of twee weerklonk een luid gejammer. Zij hadden zich bijna een maand lang op dezen uitgang verheugd, en de teleurstelling was voor hen allen zeer groot.

"O, Esther, dat is te erg! Alle jongens van school zijn er al geweest!" Pip's aardige gezicht werd rood van spijt. "En dat voor zoo'n kleinigheid!"

"Alleen, omdat er gebraden kip voor het diner was!" zeide Judy, met half verstikte stem. "O, Esther, waarom was er geen rundvleesch, of paardevleesch of hippopotamusvleesch--of wat ook, als het maar geen gebraden kip was?"

"Zou je hem niet kunnen bepraten, Esther?" Meg keek angstig naar haar.

"Lieve Esther, probeer het!"

"Ja, lieve, beste Esther, probeer het!"

Zij klemden zich allen aan haar vast. Baby sloeg hare armen om haar hals en deed haar bijna stikken; Nell streelde hare wang; Pip klopte haar op den rug, en smeekte haar een lieve meid te zijn; Bunby begroef zijn neus in haar zwart haar en weende eene stille traan; Meg sloeg hare handen in een aanval van mistroostigheid ineen; de Generaal stootte eene serie van verrukte gilletjes uit; en Judy in hare wanhoop kuste hem dat het klapte.

Esther zou haar best doen, smeeken, als zij nog nooit gesmeekt had, vleien, bedelen, volhouden, dreigen; en door deze belofte gerustgesteld, lieten zij haar eindelijk gaan.

"Alleen raad ik jelui aan, bovennatuurlijk stil en lief te zijn den geheelen dag!" zeide zij omkijkende, toen zij reeds in de gang was. "Dat zal den meesten invloed hebben, vooral daar wij den geheelen dag thuis zijn."

Lief! Het was werkelijk pijnlijk om de deugdzaamheid dezer kinderen gedurende het overige gedeelte van den dag op te merken.

Zij hadden een vrijen middag, en Miss Marsh was er niet, maar geen enkel maal kwam het geluid van een twist, of van gelach, of van geschrei, naar de lagere gewesten gezweefd.

"Burgers van Rome, de oogen der wereld rusten op u!" had Judy plechtig gezegd, en allen hadden beloofd zich zóó te gedragen, dat hun vaders hart wel moest vermurwd worden.

Pip trok zijn schooljasje aan, kamde zijn haar, nam een stapel schoolboeken, en ging naar de studeerkamer, waar zijn vader brieven zat te schrijven, en waar hij altijd zijn werk mocht komen maken.

"Wat wilde je?" vraagde de kapitein terwijl hij zijne wenkbrauwen fronste. "Je behoeft mij niet aan te komen met een verzoek om dien jongen hond te mogen houden--ik geef je er toch geene toestemming toe."

"Ik kom om te werken, vader!" zeide Pip ootmoedig, "ik voel, dat ik wat ten achteren ben met rekenen: daarom wilde ik op mijne vrije middagen sommen maken, vooral daar ik u zooveel aan schoolgeld kost."

De kapitein liet een zwakken uitroep hooren, en keek Pip opmerkzaam aan; maar het gezicht van den jongen was zoo strak en ernstig, dat hij ontwapend werd, en zich heimelijk gelukwenschte, dat zijn oudste zoon eindelijk tot inzicht kwam.

"De sommen, die ik gemaakt heb, toen ik op school ging, liggen in dien kast!" zeide hij vriendelijk. "Als ze je van eenig nut kunnen zijn, dan mag je ze er uit nemen."

"Als het u blieft--zij zullen mij zeker van groot nut zijn!" zeide Pip dankbaar.

Hij bladerde in de schriften en op zijn gezicht was duidelijk bewondering te lezen.

"Hoe netjes en nauwkeurig werkte u, vader!" zeide hij met een zucht. "Ik ben benieuwd of ik het ooit zoo ver zal brengen. Hoe oud was u, vader, toen u dit schreef?"

"Ongeveer zoo oud als jij nu!" zeide de kapitein, de papieren in zijne hand nemende.

Hij keek ze door met zijn hoofd op één schouder. Hij was min of meer trotsch op dit werk, en zag dat hij geheel vergeten was hoe decimale breuken uitgewerkt moesten worden, en dat hij, al had hij er zijn leven door kunnen redden, geene vierkantsvergelijking meer zou kunnen maken.

"In ieder geval behoeft dit je niet te ontmoedigen, Pip. Ik herinner mij wel, dat ik wat rekenen betreft de jongens van mijn leeftijd vooruit was. Wij kunnen niet allen in hetzelfde vak uitblinken, en ik ben blijde te zien, dat je het gewicht van het leeren begint te begrijpen!"

"Ja, vader!"

Meg had zich naar het salon begeven, en was gezeten op den vloer voor den muziekkast met schaar, vingerhoed, en eene rol smal blauw lint op hare knieën, terwijl alle liederen van haar vader die, zooals hij zoo dikwijls met leedwezen zeide, door elkaar raakten en scheurden, om haar heen uitgespreid lagen.

Hij zag haar, toen hij de deur voorbij kwam, en keek verbaasd maar aangenaam verrast naar binnen.

"Wel, Margaret, dat had mijne muziek hard noodig! Ik ben blij, dat je je zelf nuttig kunt maken!"

"Ik doe het gaarne, vader!"

Meg naaide met grooten ijver voort.

Hij ging terug naar zijne studeerkamer, waar hij in een stil, afgezonderd hoekje Pips hoofd tusschen pyramiden van boeken en stapels papier zag uitsteken. Hij schreef nog twee brieven, en toen werd er zacht aan de deur geklopt.

"Binnen!" riep hij, en Nell verscheen.

Zij droeg met groote voorzichtigheid een klein blaadje, waarover een sneeuwwit kleedje lag, en waarop een glas melk en een bordje met moerbeziën stond. Zij zette het voor hem neer.

"Ik dacht, dat u misschien wel wat zou willen gebruiken, vader!" zeide zij met een lief stemmetje; en Pip werd op eens gekweld door een hoestbui.

"Mijn liefste kindje!" zeide hij.

Hij keek peinzend naar het blaadje. "Ik heb voor het laatst een glas melk gedronken, Nellie, toen ik zoo oud was als Pip, en op school ging. Ik ben er onwel van geworden, en sedert dien tijd heb ik nooit weer melk geproefd."

"Maar deze zal u geen kwaad doen. U wil deze toch wel opdrinken?"

Zij keek hem met een van haar vriendelijkste blikken aan.

"Ik zou even gaarne het vatenwater uit de keuken willen drinken, kindlief!" Hij nam eene moerbezie, at haar, en vertrok het gezicht. "Zij zijn niet rijp genoeg om gegeten te worden!"

"Als u er maar eerst een stuk of zes gegeten heeft, merkt u niet meer, dat ze zuur zijn!" zeide zij met overtuiging. Maar hij schoof ze op zijde.

"Ik wil het gaarne gelooven, als je het zegt." Toen keek hij haar onderzoekend aan. "Hoe kwam je op de gedachte mij iets te brengen, Nellie? Ik herinner mij niet, dat je ooit vroeger iets dergelijks gedaan hebt."

"Ik dacht, dat u wel eetlust zou krijgen, nu u hier zoo druk moet zitten schrijven!" zeide zij vriendelijk; en Pip begon weer hevig te kuchen, en zij verdween.

Buiten in den blakerenden zonneschijn was Judy bezig het grasperk te maaien.

Zij hadden één knecht, en daar diens tijd zeer in beslag werd genomen door bezigheden in den stal, kon het niet anders, of de tuin moest daaronder lijden. Meer dan eens had de kapitein gezegd, hoe het hem hinderde, dat de grasperken er zoo verwaarloosd uitzagen, en dat hij zich tegenover bezoekers schaamde.

En dus had Judy, een en al ijver, zich met eene buitengewoon groote zeis gewapend, en was tusschen het lange, lange gras ijverig aan het werk.

"Lieve hemel, Helen! je zult je de voeten nog afsnijden!" riep haar vader verontrust.

Hij verscheen op de veranda aan de voorzijde van het huis om na de moerbezie eene lichte sigaar te rooken, juist toen zij met een bewonderenswaardigen zwaai haar zeis een halven cirkel deed beschrijven, en een geheel leger van geel gehelmde paardebloemen onthoofdde.

Zij keek om, en zag hem glimlachend aan.

"O neen, vader!--ik ben een heele bolleboos in het maaien!"

Zij deed een tweeden, niet minder schrikwekkenden, maar krachtigen zwaai, en volkomen volgens de regels van de kunst.

"Daar--en daar--en daar!"

Bij het tweede "daar" ging een stuk van hare japon mede, en bij het derde stoof een gedeelte van een rozenstruik door de lucht; maar natuurlijk, details zijn er altijd!

"Ongelukken kunnen zelfs de beste maaiers overkomen!" zeide zij wijsgeerig, en tilde de zeis op tot een nieuwen slag.

"Houd oogenblikkelijk op, Helen! Waarom kan je toch niet rustig met je pop spelen, en zulke gekheden nalaten?" zeide haar vader boos.

"En ik deed het nog wel om hem een genoegen te bereiden!" zeide zij, oogenschijnlijk tot de paardebloemen sprekend.

"Je kunt wel begrijpen, dat "het hem geen genoegen zal bereiden", als hij jou kurken beenen zal moeten geven, en den tuin moet laten opknappen," zeide haar vader droog. "Laat dat nu!"

"Het zou wat moois zijn, om het werk halverwege te laten liggen--zou het grasperk er niet uitzien als een man, wiens eene wang geschoren was?"

Judy sprak somtijds, en ook weer nu, in Iersch dialect, om de eene of andere geheimzinnige reden, die haar alleen bekend was.

"En als u nu maar zoo goed zou willen zijn van hier te komen, en eens te zien hoe het er mede staat, dan zou het nog wel kunnen zijn, dat mijn maaien u niet mishaagt."

De kapitein glimlachte even onder zijn knevel. Het kleine meisje zag er zoo komiek uit, zooals zij daar stond in haar oud, kort, rose japonnetje, een hoed met beschadigden rand op hare donkere krullen, met glinsterende oogen, blozende wangen, de groote zeis in hare handen, en de uitdagende woorden op hare lippen.

Hij kwam naar beneden en onderzocht haar werk: het was uitstekend gedaan, evenals de meeste dingen die Miss Judy ondernam--met inbegrip van kattekwaad, en hare kleine, met zwarte kousen bekleede beenen bevonden zich in den besten welstand.

"Nu, je kunt er dan mede voortgaan, vooral daar Pat het druk heeft. Hoe heb je leeren maaien, talentvolle jonge dame?"--hij zag haar vragend aan.--"En hoe kwam je er toe, je zelve zulk een taak te stellen?"

Judy streek met eene vlugge beweging hare krullen van haar verhit voorhoofd.

"Wel, ten eerste, vond ik het noodig, en ten tweede: "houd ik niet van u, en is het niet mijn streven, u te behagen?""

Langzaam en in gedachten verdiept ging hij weer het huis binnen. Judy was hem altijd een raadsel. Hij begreep haar het minst van al zijne kinderen, en somtijds bekommerde hem de gedachte aan haar. Vooralsnog was zij niets dan een bijdehand, knap, en dikwijls impertinent kind; maar hij gevoelde, dat zij geheel verschillend was van de overige zes, en als hij hieraan dacht, wat echter niet zeer dikwijls gebeurde, verontrustte hem eene zekere angstige bezorgdheid.

Hij herinnerde zich, dat hare eigen moeder dikwijls gezegd had, hoe zij voor Judy's toekomst beefde. Dat rustelooze vuur, dat uit hare schitterende oogen flikkerde, eene hoogroode, opgewonden kleur op hare wangen te voorschijn riep, en eene verbazende veerkracht en bewegelijkheid aan haar jong, klein lichaam verleende, zou van haar of eene edele, moedige, schitterende vrouw maken, of zij zou schipbreuk lijden op rotsen, die de anderen nooit zouden bereiken, en dan zou het vuur hooger en hooger opvlammen, en haar verteeren.

"Pas goed op, Judy!" waren bijna de laatste woorden van de bezorgde moeder geweest, toen, in het licht, dat komt als dat van deze wereld voor ons verdwijnt, zij met vreeselijke helderheid de steenen en struikelblokken op het pad had gezien van dit paar kleine, vlugge voeten.

En zij was gestorven, en Judy zocht zich al tastend en struikelend haar weg, en haar vader kon niet "op haar passen", omdat hij volstrekt niet wist, hoe hij dit zou doen.

Toen hij de trap der veranda weer op ging en de vestibule doorliep, vervulde hem de wensch, die bijna de innigheid van eene bede had, dat hare natuur niet zoo geheel verschillend van die der anderen ware, en gaarne had hij in zich de kracht gevoeld, om dien vreemden geest uit haar te bannen, die hem tusschenbeide zoo ongerust maakte.

Hij blies den rook van zijne sigaar in eene groote wolk voor zich uit, en zuchtte diep; toen keerde hij zich om, en begaf zich naar den stal om alles te vergeten.

De knecht was weg, hij reed een der paarden op het groote grasveld af; maar er was een gedruisch in de tuigkamer, en dus ging hij daarbinnen.

Daar stond eene kleine druipende gestalte over een hooge tobbe gebogen, die met grooten ijver iets scheen onder te dompelen en uit het water te halen.

Bij het geluid van zijne voetstappen, draaide Baby het hoofd om, en zag hem met haar guitig klein gezichtje aan.

"Ik wasch de poesjes voor u, en ook Flibberty-Gibbet!" zeide zij stralend.

Vol schrik kwam hij eene schrede nader.

Daar zag hij twee katjes, op welke hij bijzonder gesteld was, en die trillend, ellendig, tot aan den hals in het zeepsop zaten, en Flibberty-Gibbet, de mooie kleine fox-terriër, dien hij juist voor zijne vrouw gekocht had, was aan den deurpost vastgebonden, ook hij was nat, bevend en in hoogst treurigen toestand, ook hij was slachtoffer van deze schoonmaakwoede, en werd geborsteld en gewreven tot hem hooren en zien vergingen.

"Zij zijn nu zoo schoon en netjes--en hebben geen vieze vlooien meer! Is u niet blij? Flibberty kan u nu gerust op uw bed laten springen, en Kitsy Blackeye is--"

De arme Baby eindigde haar zin niet. Zij had later eene verwarde herinnering van hetgeen nu volgde, dat hierop neerkwam, dat zij een "krachtig woord" van haar vader hoorde, op de meest onvriendelijke manier door elkaar geschud en den stal werd uitgezet, terwijl de rampzalige dieren gedroogd werden en met de grootste omzichtigheid behandeld. Maar het ergste zou nu nog komen, en het resultaat beantwoordde zoo weinig aan het doel, dat de jonge Woolcot's het besluit namen, nooit weer deugden te willen toonen, die zij niet bezaten.

Bunby wenschte natuurlijk ook de goede zaak even hard te bevorderen als de anderen, en met dit doel voor oogen was het zijn eerste werk naar zijne slaapkamer te gaan, en zijn gezicht, hals en handen een grondige reiniging te doen ondergaan. Toen wandelde hij met zijne van zeep glimmende wangen en roodgeschuierde handen naar beneden en plaatste zich binnen den gezichtskring van zijn vader, in de hoop eene goedgunstige opmerking uit te lokken.

Maar hem werd op ongeduldigen toon: "Ga spelen!" toegevoegd, en dus begreep hij, dat hij andere middelen moest vinden om zijn vader te verteederen.

Hij liep naar de studeerkamer, met het vage plan om de keurig gerangschikte stapels boeken op te ruimen, maar Pip zat daar, omringd van boeken en bezig met een houtje voor een catapult af te schillen, dus ging hij weer heen. Toen klom hij de trap op en verkende zijn vaders slaapvertrek en kleedkamer. In de laatste was oneindig veel gelegenheid, zijn goeden wil te toonen. Een gala-uniform lag dwars over een stoel en het viel Bunby op, dat de gouden knoopen niet zoo blonken als zij eigenlijk doen moesten, en dus bracht hij een welbesteed kwartier door met ze te poetsen. Daarna wreef hij eenige sporen op; de tijd, dien hij hieraan gaf, was natuurlijk even welbesteed. Toen keek hij rond naar eene nieuwe bezigheid.

Een geheele kolonie van stoffige laarzen bevond zich in een hoek van de kamer, en eene groote flesch met een zwart, strooperig vernis stond op den schoorsteenmantel. Bunby werd door het schitterende denkbeeld, ze allemaal schoon te maken en netjes op eene rij te plaatsen, bezield, in de hoop, dat "de verrukte blikken" van zijn vader er op zouden vallen. Hij vond op den vloer een handdoek van het fijnste Kamerrijksche linnen, die evenwel gebruikt was, goot er een groote plas vernis op en viel op het eerste paar aan.

Een schitterend glanzen beloonde hem, want het vernis was juist voor het leder dezer laarzen bestemd; maar het volgende en het volgende en het volgende paar wilde niet glimmen, hoe hard hij ook wreef. Daar weerklonk een stap op de trap, de vaste, welbekende stap van zijn vader, en hij hield een oogenblik op met eene uitdrukking van zelfbewuste deugdzaamheid op het kleine tevreden gezicht.

Maar deze uitdrukking verdween, en een doodelijke schrik deed Bunby verstijven. Hij had de flesch voor het gemak op een grooten armstoel gezet, daar hij op den grond zat, en nu bemerkte hij dat zij omgevallen was en dat er een afschuwelijke, zwarte stroom uit zijn hals kwam geloopen.

En het was de stoel waarop het uniform was uitgebreid en een der mouwen was overgoten met het vocht, en een mooi wit hemd, dat daar ook lag, wachtende op een knoop, was overal gevlekt door het kleverige goed, vreeselijk! Bunby keek met een woesten, doodelijk verschrikten blik de kamer rond, om een plek te vinden, waar hij zich zou kunnen verbergen, maar er waren geen hoekjes of gordijnen waar hij zich kon verschuilen, en er was geen tijd om de slaapkamer binnen te vliegen en onder het bed te kruipen. Dicht bij het raam was een groote medicijnkast, en in zijne wanhoop wierp Bunby er zich in, trok zijne beenen naar zich toe en verborg zijn hoofd tusschen zijne knieën, terwijl een onheilspellend gerinkel van omgeworpen flesschen in zijne ooren suisde. Het volgend oogenblik was zijn vader in de kamer.

"Groote hemel! God bewaar me!" zeide hij, en Bunby trilde van het hoofd tot de voeten.

Toen bromde hij een reeks woorden zeer snel achter elkander--"in eene vreemde taal" zooals Judy hiervan zeide; gooide iets omver, en riep "Esther!" op schrikwekkenden toon. Maar Esther was buiten op een der grasvelden met den Generaal, en dus kwam er geen antwoord.

Meer woorden in eene vreemde taal, meer gestamp op den grond.

Bunby's tanden sloegen met geweld op elkander; hij bracht zijne hand omhoog, om zijn mond dicht te houden, en de kast, die nu het evenwicht verloor, viel voorover, waardoor zijn bewoner voor zijn vaders voeten, en de flesschen naar alle kanten buitelden.

"Ik heb het niet gedaan--ik kan het--niet helpen!" huilde hij, achterwaarts naar de deur loopende. "O--neen--boe--hoe--oe! Esther--boe--ja--Judy--o--o! o!" Zooals te verwachten was, had zijn vader een riem ter hand genomen, die daar door een gedienstig toeval lag, en was bezig, er zijn zoon een geducht pak slaag mede toe te dienen.

"O--o! o! A--a! ik kan het--niet helpen! Het is de schuld van Pip--en Judy--o! de pantomime! boe--hoe! a! u slaat me dood! O--o!--ik deed het alleen--ik deed het alleen--om u een genoegen te doen!"

Zijn vader hield op met omhooggeheven riem. "En daarom dus gedraagt de een zich nog zotter dan de ander? Omdat ik jelui mee zou nemen naar de pantomime?"

Bunby trok zich los. "Boe--hoe--ja! Maar ik heb het niet bedacht--ik niet--ik kan het niet helpen!--O--a!--ik heb het niet gedaan--de anderen hebben het gedaan--boe--hoe--hoe! Geef u hun slaag, de anderen!"

Hij kreeg nog drie flinke klappen en vluchtte toen huilend en kermend naar de kinderkamer, waar hij op den grond rolde en met zijne beenen schopte en zich in bochten wrong alsof hij half doodgeslagen was.

"Jelui gluiperts!" snikte hij, toen de anderen van alle kanten waren komen aanloopen, verschrikt door zijne luidruchtige klachten, "jelui gemeene kinderen!--Ik heb--geen kip--gehad! En ik heb--al de slaag--gekregen! Jelui gluiperts--o--o! a--a!o--o! Ik bloed overal, dat weet ik zeker!"

Zij konden er niets aan doen, dat zij even moesten lachen; Bunby was altijd zoo onuitsprekelijk komiek als hij zich maar even bezeerd had; maar toch zochten zij hem zoo goed mogelijk te bedaren, en beproefden te weten te komen, wat er gebeurd was.

Esther kwam thans de kamer binnen, zij zag er zeer ontstemd uit.

"Nu?" zeiden zij als uit één mond.

"Jelui zijt de lastigste kinderen, die ik ooit gezien heb!" zeide zij boos.

"Maar de pantomime--gauw, Esther--heb je het hem gevraagd?" riepen zij ongeduldig.

"De pantomime! Hij zegt, dat hij nog liever hemel en aarde zou willen bewegen om de voorstelling te verhinderen, dan dat een van jelui er ook maar iets van te zien zou krijgen--en jelui hebt dat dubbel en dwars verdiend! Meg, wat ik je bidden mag--doe Baby droge kleeren aan, kijk eens naar haar; en, Judy, als je nog het minste voor mij voelt, doe dan die japon uit. Bunby, stoute jongen, ik zal je vader roepen, als je niet ophoudt met zulk een leven te maken. Nell, neem den Generaal die schaar af, hij zal zich de oogen nog uitsteken."

De jonge stiefmoeder leunde achterover in haar stoel, en keek met een tragischen blik om zich heen. Zij had haar echtgenoot nog nooit zoo hevig vertoornd gezien, en haar mooie mond trilde, toen zij er aan dacht, hoe hij haar voor alles scheen aansprakelijk te stellen.

Meg was niet van hare plaats opgestaan; het water droop langzaam uit Baby's kleederen en maakte een plas op den grond, Bunby stootte nog steeds een krampachtig gesnik uit, Judy was aan het fluiten, en de Generaal, nu beroofd van de schaar, begon zijn eigen vuil schoentje af te likken met zijne lieve, kleine, roode tong.

Een snik wrong haar de keel dicht, twee tranen welden er in hare oogen, en liepen haar langs de zachte, liefelijke wangen.

"Jelui zijt met je zevenen, en ik ben nog maar twintig!" zeide zij jammerend, "O! het is te erg--werkelijk, het is te erg!"

HOOFDSTUK IV.

DE GENERAAL IN DE KAZERNE.

Het was een dag na "de gebeurtenissen van het vorige hoofdstuk" zooals in vertelselboeken zou te lezen zijn. En Judy zat, met eene toornige uitdrukking van spijt in hare oogen, op de tafel der kinderkamer, hare knieën tot haar kin opgetrokken, en hare magere bruine handen om hare beenen gevouwen.

"Het is eene schandelijke behandeling," zeide zij, "eene onvergevelijke, schandelijke behandeling! Waarvoor zijn vaders eigenlijk op de wereld, dat zou ik wel eens willen weten!"

"O Judy!" zeide Meg, die, verdiept in haar boek, in een stoel gedoken zat. Maar zij zeide het werktuigelijk, en alleen omdat dit--zij was immers drie jaren ouder dan Judy--haar plicht was.

"Denk eens aan de heerlijke dagen, die wij zouden kunnen hebben, als hij er niet was!" ging Judy voort, met kalme onverschilligheid. "Minstens drie keer op een dag zouden we kip eten, en zeven avonden van de week naar de pantomime gaan."

Nell maakte de opmerking, dat het geene gewoonte was op den eersten dag der week eene voorstelling bij te wonen, maar Judy liet zich niet uit het veld slaan.

"Ik zou dan eene soort van kerkelijke pantomime willen hebben," zeide zij peinzend,--"mooie afbeeldingen en van allerlei, dat betrekking heeft op het Heilige Land, en eene liefelijke muziek, en mooie kinderen in het wit, die lofliederen zingen, en schitterende kleuren overal, en geen collecteschalen waar je je laatste geld op moet leggen--o! en geen preeken of litaniën natuurlijk!"

"O Judy!" murmelde Meg, een blad omslaande. Judy opende hare handen en sloot ze weer, nog vaster dan te voren. "Zes billetten weggegooid--dertig kostbare shillings--en dat alleen omdat wij een vader hebben!"

"Hij heeft ze naar de familie Digby-Smith gezonden," vertelde Bunby ongevraagd, "en op de enveloppe had hij geschreven: "Met beleefde groeten.--J. C. Woolcot.""

Judy steunde. "Ik zie de zes afschuwelijke kleine Digby-Smith's al in de komedie zitten, en met hunne zes afschuwelijke oogjes naar onze pret kijken!" zeide zij bitter.

Bunby, die veel mathematisch gevoel had, verklaarde gaarne te willen weten, waarom zij er niet door hun twaalf afschuwelijke kleine oogjes naar zouden gekeken hebben, en Judy lachte en sprong van de tafel, nadat zij den misdadigen wensch had uitgesproken, dat de kleine Digby-Smith's allen over de leuning van de loge zouden mogen duikelen, eer het gordijn opging. Meg deed haar boek dicht met een haastigen slag.

"Is Pip al weg? Vader zal vreeselijk boos zijn. O hemel wat heb ik toch een garnalen-geheugen!" zeide zij. "Waar is Esther? heeft iemand Esther gezien?"

"Maar lieve Meg!" zeide Judy. "Het is minstens twee uur geleden, dat Esther uitgereden is, je stond er zelf bij! Zij is naar Waverly--zij is nog naar je toe gekomen, en heeft je gezegd, dat zij er op rekende, dat jij voor de jas zou zorgen, en je zeide: "Mevrouw, u zal tevreden zijn!""

Meg, die zich nu alles herinnerde, keek met een verschrikten blik rond. "Moest ik de jas schoonmaken?" vraagde zij angstig, terwijl zij haar mooi, zwart haar uit haar voorhoofd streek. "O, kinderen! wat moest ik ook weer doen?"

"De jas schoonmaken met benzine, haar strijken terwijl zij nog vochtig was, haar in eene koele plaats ophangen om haar warm te houden, en haar bakken tot ze bruin wordt," zeide Judy vlug. "Dat heb je toch zeker gehoord, Margaret? Esther heeft zooveel moeite gehad om je alles uit te leggen."

"Wat zal ik beginnen?" zeide zij, en werkelijk sprongen er tranen in haar oogen. "Wat zal vader zeggen? O, Judy, je hadt mij wel eens kunnen helpen herinneren."

Nell sloeg haar arm om haar zusters hals. "Zij plaagt je maar wat, Megsie; Esther heeft alles al gedaan en heeft de jas in de vestibule klaar gelegd--je hebt haar alleen maar aan Pip te geven. Pat moet van middag met den dogcart naar de stad gaan om de kussens van de achterbank te laten repareeren, en Pip gaat mee, dat is alles, en er wordt nu ingespannen; je bent niet te laat."

Het was de jas, die Bunby naar zijn beste weten bedorven had, die al deze drukte veroorzaakte. Zij behoorde, als ik reeds zeide, tot het gala-uniform van den kapitein, en hij moest haar dien zelfden avond op een diner in de kazerne dragen. Esther was den geheelen morgen bezig geweest, haar af te sponsen en schoon te maken en had toen zij wegging, gezegd, dat het kleedingstuk in den middag naar de kazerne moest gebracht worden.

De dogcart kwam op dit oogenblik met een breeden boog naar de voordeur gereden, Pip mende, en Pat keek uit de hoogte op hem toe. Zij namen het pak dat de jas bevatte, aan, legden het zorgvuldig onder de bank, en waren op het punt weer te vertrekken, toen Judy zich op de veranda vertoonde, den Generaal onhandig in hare armen houdend.

"Jij gaat ook mee, Fizz, er is nog een bergplaats, er is geen eene reden waarom je niet zoudt meegaan," zeide Pip op eens.

"O!" riep Judy, en hare oogen begonnen te schitteren. Zij deed haastig een stap vooruit en lichtte één voet op, om in te stappen.

"O, wacht eens even!" protesteerde Pip, "je zult iets over die japon moeten aantrekken, meisje!--zij is vol jam en vlekken!"

Judy vloog de vestibule in, en kwam terug met haar regenmantel; zij zette den Generaal één oogenblik op den grond, terwijl zij den mantel aantrok, tilde haar broertje toen weer op, en gaf hem Pip aan.

"Hij zal ook mee moeten," zeide zij, "ik heb Esther beloofd, dat ik hem geen seconde uit het oog zou verliezen; in den laatsten tijd begint zij erg bezorgd voor hem te worden--ik geloof, dat zij denkt, dat hij nog eens zal breken."

Pip bromde een paar minuten, maar de Generaal stootte een onweerstaanbaar, verrukt lachje uit, en hield zijne armpjes omhoog, dus nam hij hem aan en hield hem vast, terwijl Judy in het rijtuigje klom.

"Wij kunnen met den tram naar de Kade teruggaan, en dan met een boot naar huis komen," zeide zij, terwijl zij het kindje tusschen zich en haar broer op de bank drukte. "De Generaal vindt het wat heerlijk op het water!"

En zij reden weg, de verwaarloosde oprijlaan uit, het hek door, en toen den weg op, Pip, Judy met de glinsterende oogen, de Generaal, die zijn duim zat te verslinden, en, Pat, weer glimlachend, omdat hij de teugels weer in handen had.

Een frissche wind kwam van de rivier door den gordel van gomboomen waaien, die hare oevers omgaf, en deed het jonge, roode bloed snel door hunne aderen stroomen; hij stoeide met Judy's krullen, en gaf eene warme roode tint aan hare bruine wangen; hij maakte den Generaal onrustig en weerspannig, zoodat hij kraaide en om zich heen sloeg, en bracht Pip er toe, zijn hoed achter op zijn hoofd te zetten en vroolijk een liedje te fluiten.

Dit duurde zoo voort, tot zij de stad bijna bereikt hadden en genoodzaakt waren zich naar de eischen der welvoegelijkheid te schikken.

Zij ontmoetten een ruiter, die toen hij hun zag, zijn paard stapvoets liet loopen. Pip nam zijn hoed af met een sierlijken zwaai, en Judy glimlachte vriendelijk en blijkbaar aangenaam verrast, want de ruiter was een oude kolonel, dien zij reeds jaren kenden, en wiens opgeruimdheid en vrijgevigheid zij met reden dankbaar konden herdenken.

"Wel, mijn kleine meid,--wel, Pip, mijn jongen!" zeide hij, goedhartig glimlachend, terwijl zijn paard om den dogcart danste,--"en de Generaal ook al? Waar gaan jelui heen?"

"Naar de kazerne, ik heb een pak bij me voor den ouden heer!" antwoordde Pip. Judy sloeg het trappelende paard met bewonderende oogen gade. "En dan gaan we weer naar huis."

Het gelukte den kolonel, niettegenstaande de onrustige bewegingen van het paard, zijne hand in zijn zak te steken. "Hier hebben jelui iets waarmede je je zelf ziek kunt maken onder weg," zeide hij, en gaf hun twee halve kronen, "maar zend me niet de doktersrekening!"

Hij streelde de wang van den Generaal met zijn rijzweep, knikte Judy toe, en hield zijn onrustig paard niet langer tegen.

De kinderen keken elkander met schitterende oogen aan.

"Kokosnoten," zeide Pip, "en taartjes en koffie, en de rest bewaren we voor een voetbal?" Judy schudde het hoofd.

"Wat zou ik daaraan hebben?" zeide hij. "Je zoudt den voetbal op school bewaren. Ik stem voor jujubes, en roomijs, en een wassen pop."

"Een wassen grootmoeder!" riep Pip verontwaardigd. "Zoo gek zal je toch niet zijn!" Toen voegde hij er bijna met eerbiedige bewondering bij: "Wat een geluk dat je altijd poppen verfoeid hebt, Fizz!"

Judy sprong plotseling op hare plaats omhoog, zoodat de Generaal bijna omvergeworpen werd, en de koetsier een stroom van verwijten over haar uitstortte. "Ik weet al iets!" riep zij, "en we zijn al bijna halverwege: o! dat zal heerlijk zijn!"

Pip verzocht haar, duidelijk hare plannen mee te deelen.

"Laten we gaan naar het Bondi-Aquarium,--daar kunnen we op rolletjesschaatsen rijden, varen, in den draaimolen zitten, ook in de Montagne russe, alles even goedkoop!" antwoordde zij vlug en beknopt.

"Goede hemel!" Pip floot zacht, terwijl hij het voorstel overwoog. "Er kon dan zelfs nog wat overschieten voor den voetbal." Toen betrok zijn gezicht.

"Maar we hebben het kleine kind bij ons--Waarom heb je hem mee gebracht? Dat is nu weer echt meisjesachtig, om alles te bederven!"

Judy keek verlegen voor zich. "Ik had hem heelemaal vergeten!" zeide zij boos. "Kunnen wij hem niet ergens heenbrengen? Kunnen wij niet aan iemand vragen, om op hem te passen, terwijl wij naar het Aquarium gaan? Het zou vreeselijk vervelend zijn, als wij ons plan moesten opgeven om hem. En het begint ook al te regenen, we zouden hem niet mee kunnen nemen."

Zij waren nu aan den voet van den heuvel gekomen, waarop de kazerne staat, en Pat zeide hun, dat zij uit moesten stappen en het overige van den weg te voet afleggen, want anders zou de dogcart onmogelijk vóór den avond weer in orde kunnen zijn.

Pip sprong op den grond en nam den Generaal, als een bundeltje uit den wagen, en Judy volgde hem voorzichtig, het kostbare pakket dat de jas bevatte, in hare armen. En zij wandelden stilzwijgend den heuvel van asphalt op naar het hek, dat toegang gaf tot de officierswoningen.

"Nu?" zeide Pip op klagenden toon, toen zij den top bereikten. "Gauw wat, heb je niets bedacht?"

Wanneer zijne zuster, evenals nu, hare wenkbrauwen optrok, en hare lippen vast toekneep, kon hij er zeker van zijn, dat zij eene ingewikkelde moeielijkheid trachtte op te lossen.

"Ja," zeide Judy eindelijk kalm. "Ik heb een plan, dat wel lukken zal, denk ik." En toen vervolgde zij met plotselinge opgewondenheid:

"Wie is de vader van den Generaal? dat zou ik wel eens willen weten! Is het niet gepast en behoorlijk, dat vaders naar hunne zoons omzien? En verdient hij niet, dat wij hem kwaad met kwaad vergelden, nu hij de kaarten van de pantomime heeft weg gegeven? En is het Aquarium niet veel te verrukkelijk om er niet heen gaan?"

"Nu?" zeide Pip, zijn trager verstand kon zulk eene vlugge redeneering niet volgen.

"Ik ben alleen maar van plan den Generaal een paar uren in de kazerne achter te laten, tot wij terug komen, want volgens mij is zijn vader de aangewezen persoon om op hem te passen." Judy nam vastberaden het kleine dikke handje van den Generaal, en opende het hek.

"Nu," sprak Pip, "ik geloof, dat we bezig zijn, er ons leelijk in te werken. Laten wij dat maar liever niet doen!"

"Wel waarom niet?" antwoordde Judy uitdagend. "Het zal nog wel niet zoo slecht afloopen, en, in ieder geval, wij moeten iets voor het Aquarium overhebben. Kijk eens hoe het regent; het kind zou de kroep of rheumatiek kunnen krijgen, als wij hem mee namen! Daar staat vader te praten met een man dicht bij het tennisveld; ik zal stilletjes langs de veranda loopen, en naar zijne eigen kamer gaan, en de jas en den Generaal op zijn bed leggen; dan zal ik tegen een soldaat zeggen, dat hij vader moet gaan vertellen, dat zijne pakketten gekomen zijn, en terwijl dat gebeurt, vlieg ik hierheen terug, en nemen wij den tram, om naar het Aquarium te komen."

Pip floot wederom zachtjes. Hij was gewend aan overmoedige voorstellen van deze zuster van hem, maar dit overtrof alle vroegere. "Maar," zeide hij, niet recht op zijn gemak, "maar Judy, wat zal hij uitvoeren twee uren lang met ons kleine ventje?"

"Dat is zijn zaak," antwoordde Judy gevat. "Het zou wat moois zijn, als een vader zijn eigen kind niet twee uren lang zou kunnen bezighouden. Naderhand, als we in het Aquarium geweest zijn, komen we terug om hem te halen, en dan kunnen we vader zeggen, dat het zoo regende, en dat we het beter vonden hem niet mede te nemen uit angst voor rheumatiek, en dat we zulk eene haast hadden om den tram nog te krijgen, en dat wij omdat hij niet in zijne kamer was, den Generaal maar zoolang op zijn bed hadden gezet. Nu, Pip, dat is toch alles heel eenvoudig!"

Pip keek nog altijd niet heel opgewekt. "Ik vind, dat wij het liever niet moeten doen, Fizz!" zeide hij nog eens; "hij zal woedend zijn!"

Judy keek hem vol ongeduld aan. "Ga eens kijken of de tram al komt," zeide zij; en, verheugd een oogenblik uitstel te winnen, liep hij het pad af, en keek in de richting, vanwaar de tram moest komen. Toen hij zich omdraaide was zij verdwenen.

Hij stopte zijne handen in zijne zakken en wandelde verscheiden malen het pad op en neer, "Fizz zal ons nog eens allemaal doen ophangen!" gromde hij, en keek donker naar de deur in den muur door welke zij verdwenen was.

Hij schoof zijn hoed naar achteren en beschouwde zijne laarzen, er over peinzende, welke de gevolgen van dit nieuwe misdrijf zouden zijn. Opeens hoorde hij een lichten voetstap naast zich.

"Ga nu mee!" zeide Judy, en trok hem bij de mouw. "Alles is in orde, ga nu mee en laten we pret maken; heb je het geld goed bij je gestoken?"

Het was één uur, toen zij het hek uit gingen en van den heuvel naar de halte van den tram keken.

En het was half vijf toen zij uit een naar de stad rijdenden tram sprongen en het hek weer binnen gingen, om het hun toevertrouwde te halen.

Welk een heerlijken middag hadden zij gehad! Eenmaal in het Aquarium, had zelfs Pip zijn geweten tot zwijgen gebracht, en was er uitsluitend op bedacht geweest, zooveel mogelijk plezier te hebben. En Judy gedroeg zich als een klein dol wezen. Een shilling van haar geld gaf ze aan de Montagne russe, de vlugge, bedwelmende beweging vond zij "hemelsch." De eerste rit maakte Pip duizelig en draaierig, zoodat hij een tweeden zorgvuldig vermeed, en naar Judy bleef kijken, die telkens weer opnieuw vertrok, en hem uit het ranke kleine wagentje vroolijk toe wuifde terwijl hij duizend angsten voor haar uitstond. Daarop huurden zij ieder een paar rolletjesschaatsen, en vielen zich bont en blauw op het asphalt. Toen gingen zij in de draaimolen zitten, maar Judy vond dit een laf vermaak na de Montagne russe, en weigerde er verder geld voor uit geven; zij vergenoegde zich met naar Pip te kijken, die rond vloog, en beproefde hem telkens zoo lang mogelijk hard loopend bij te houden. Zij eindigden den middag met een eene langdurige inspectie van de visschen, deden zich te goed aan geleitaartjes van twijfelachtige verschheid, en kochten voor twee stuivers aardnoten. En, zooals ik reeds zeide, was het half vijf toen zij het pad opsnelden naar het bovenste hek der kazerne.

"Ik hoop maar, dat hij zoet geweest is!" zeide Judy, terwijl zij den knop omdraaide. "Neen, Pip jij gaat ook mede,"--want dit jonge mensch scheen zich te willen terugtrekken. "Als je twintig schoppen of slagen over twee verdeelt krijgt elk maar tien!"

Zij liepen langs de steenen veranda en bleven bij eene deur stil staan.

Eene kleine groep jonge officieren stond daar dicht bij te praten en te lachen.

"Op mijn woord, het was even amusant als eene comedie, om te zien hoe Wooly zijn jongsten spruit stevig vast hield, hem in een rijtuig stopte, er zelf ook in ging en dit alles met een innig verontwaardigd gezicht."

Een andere blies den rook van zijne sigaar in de lucht. "Het was een grappige kleine baas," zeide hij. "Hij balde zijne vuistjes en duwde er een in het oog van zijn WelEdelgestrengen; en toen schopte hij zijn schoentje uit, en wij haastten ons allen om het op te rapen, en het was vuil en versleten, en de oude Wooly werd langzaam geheel rood tot achter zijne ooren, toen hij beproefde, het zijnen zoon aan te trekken."

Eene kleine gestalte stapte opeens naar het midden der groep,--eene kleine gestalte met een onmogelijk korten en kalen ulster, dunne, met zwarte kousen bekleede beenen, en een grooten hoed, die een overvloed van krullen overschaduwde.

"U spreekt over mijn vader," zeide zij, het hoofd in den nek, zeer uit de hoogte, "ik begrijp niet, waarom u zich vroolijk maakt. Is mijn vader hier, of hoorde ik u zeggen, dat hij is heengegaan?"

Twee der heeren keken min of meer verlegen, de derde groette beleefd.

"Het spijt mij, dat u ons gesprek gehoord heeft, Miss Woolcot!" zeide hij op wellevenden toon. "Maar, er is geen onherstelbaar kwaad verricht, nietwaar? Ja, uw vader is in een rijtuig vertrokken. Hij kon niet begrijpen, hoe de kleine jongen op zijn bed kwam, en, daar hij hem hier niet goed kon houden, veronderstel ik, dat hij hem naar huis gebracht heeft."

Iets als eene uitdrukking van berouw kwam in Judy's heldere oogen.

"Ik vrees mijn vader in ongelegenheid gebracht te hebben!" zeide zij kalm. "Ik heb mijn broertje hier gebracht, omdat ik niet wist, waar ik hem een paar uur lang zou laten. Maar ik had er op gerekend, hem zelf naar huis te brengen. Is mijn vader al lang weg?"

"Ongeveer een half uur," zeide de officier, die zijn best deed niet te glimlachen over de ouderwetsche manieren van het kleine meisje.

"O, dank u wel. Wij zullen hem misschien nog kunnen opvangen. Kom, Pip!" en, ernstig en uit de hoogte groetend, draaide zij zich om, en liep met haar broeder weer langs de veranda en door het hek naar buiten.

"Daar hebben we ons ook mooi ingewerkt!" zeide hij. Judy knikte.

"Het is zoo ongeveer het allerergste, wat wij ooit in ons leven uitgevoerd hebben. Stel je vader voor in een rijtuig met dat kleine kind! O goede hemel!"

Judy knikte nogmaals.

"Kan je niet spreken?" zeide hij ongeduldig. "Jij hebt ons dit alles op den hals gehaald--ik vond het niet goed, dat we het deden; maar natuurlijk, ik zal je niet verlaten. Alleen moet je nu zoo gauw mogelijk een uitweg bedenken."

Judy beet op drie vingertoppen van haar rechter handschoen, en keek treurig voor zich uit.

"We kunnen niets beginnen, Pip!" zeide zij langzaam. "Ik had niet gedacht, dat het zoo zou eindigen. Ik geloof, dat het 't beste is, als we maar dadelijk naar huis gaan en ons overleveren om gestraft te worden. Hij zal te woedend zijn, om naar eene verontschuldiging te luisteren, en dus moeten we ons maar goed houden, en afwachten, wat hij doen zal. Het spijt mij vreeselijk, dat ik oorzaak ben, dat de officieren om hem hebben kunnen lachen."

Pip kon zich niet langer goedhouden. Hij noemde haar een ezel en een stommeling en een idioot, omdat zij dit gedaan had, en zij zeide in het geheel niets terug.

Zij namen den tram, en begaven zich naar Sydney, en daarop naar de boot. Zij kropen in een hoekje, dat zoo ver mogelijk van de kajuit verwijderd was, en praatten met grooten ernst over den stand der zaken. Na eene poos stond Pip op en liep wat rond om tot andere gedachten te komen, tot hij opeens terug kwam met een doodsbleek, strak gelaat.

"Hij is op de boot!" fluisterde hij doodelijk ontsteld.

"Waar--waar--waar? wat--wat--wat?" riep Judy.

"In de kajuit, hij kijkt zoo nijdig als een spin, en houdt den armen kleinen Generaal zoo stevig vast, alsof hij bang was, dat hij weg zal vliegen."

Judy keek verschrikt rond.

"Kunnen we ons niet verstoppen? Als hij ons maar niet te zien krijgt! Het zou nu toch niets geven, of we hem vraagden, den Generaal aan ons te geven. We zijn ingerekend, Pip--hij geeft geen kwartier."

Pip bromde iets; Judy stond op.

"Laten we naar de machine kruipen," zeide zij, "en eens kijken of hij er erg boos uitziet."

Zij liepen met groote voorzorg over het dek, en posteerden zich zóó, dat zij konden zien zonder gezien te worden. De lieve kleine Generaal zat naast zijn ernstigen vader, die den rug van zijn wollen jasje stevig vast hield. Hij zoog op zijn vuil handje, en wierp nu en dan verlangende blikken naar zijn bruinleeren schoentje, waarop hij, zooals hij wist, heerlijk zou kunnen bijten. Een paar maal had hij het uitgetrokken en naar zijn mond gebracht, maar zijn vader was tusschenbeide gekomen, en had het kleedingstuk weer, op de plaats, waar het behoorde te zijn, dichtgeknoopt. Hij zou ook wel heel gaarne van die akelige bank zijn gegleden, en over het dek hebben gekropen, en hebben onderzocht, wat er al zoo onder de banken te kijk was, en waar dat proestende geluid van daan kwam; maar hij voelde een ijzeren greep aan zijn jasje, dien geen spartelen of wringen kon losser maken. Geen wonder dat het arme kind ongelukkig keek!

Eindelijk legde de boot aan niet ver van Misrule, en de kapitein stapte aan wal, zijn morsig zoontje stevig in zijne armen dragend. Hij wandelde langzaam den rooden weg op, dien de dogcart een zes of zeven uur geleden met zulk een opgewekten spoed afgelegd had, en Judy en Pip volgden op een eerbiedigen--een zeer eerbiedigen--afstand. Bij het hek zag hij hen, en wenkte hen toornig met een breeden zwaai, naderbij te komen. Judy werd zeer bleek, maar gehoorzaamde dadelijk, en Pip, die zijn best deed, zich goed te houden, maakte de achterhoede uit.

Later herinnerde Judy zich slechts zeer onduidelijk hetgeen gedurende het eerstvolgende halve uur gebeurde. Zij wist, dat er een stormachtig tooneel plaats gegrepen had, waarbij Esther en de geheele familie haar overstelpt had met verwijten en berispingen.

Daarop kreeg Pip een pak slaag, ondanks Judy's herhaalde bekentenis, dat alles haar schuld was, en Pip niets gedaan had. Zij herinnerde zich, dat zij er met nieuwsgierigheid aan dacht, of zij even voorbeeldig als Pip zou gekastijd worden, zoo toornig was haar vaders gezicht, toen hij den jongen op zijde duwde en naar haar stond te kijken, zijne rijzweep in de hand.

Maar hij gooide deze neer en legde zijne hand zwaar op haar schouder, dien zij vergeefs poogde terug te trekken.

"Aanstaanden Maandag," zeide hij langzaam--"aanstaanden Maandagmorgen ga je naar de kostschool. Esther, wees zoo goed na te zien, of Helen's kleederen in orde zijn voor de kostschool--aanstaanden Maandagmorgen gaat zij er heen."

HOOFDSTUK V.

AANSTAANDEN MAANDAGMORGEN.

Een koffer stond in de vestibule, en een groot, dikwijls gebruikt valies, en er hingen adressen aan, waarop te lezen stond: "Miss Helen Woolcot, adres de Dames Burton, Mount Victoria."

In de kinderkamer werd het ontbijt in gedrukte stemming gebruikt. Meg's blauwe oogen waren rood en gezwollen van het schreien, en zij snoof nu en dan hoorbaar, terwijl zij bezig was koffie te schenken. Pip stond met de handen in de zakken op het haardkleed treurig naar een zeker bord te kijken, en dankte voor eten of drinken; de Generaal zat vroolijk met zijn drinkkroes op zijn bord te slaan; en Bunby at suffend zijn boterham op.

Judy, bleek en met droge oogen, zat aan de tafel, en Nell en Baby hadden zich ieder aan een harer armen vastgeklampt. Gedurende de drie dagen, die tusschen dien noodlottigen Donderdag en dezen treurigen morgen verloopen waren, had zij koppig willen toonen, dat zij zich de geheele zaak niet aantrok. Nooit was hare stemming opgewekter, haar oog schitterender, hare tong scherper geweest, dan gedurende dezen tusschentijd; en zij had tegen iedereen beweerd, en in het bijzonder tegen haar vader, dat zij zich het verblijf in eene kostschool heerlijk dacht, en zich op haar vertrek verheugde.

Maar dezen morgen was zij ineengezakt. De dagen te voren had haar vurig, kinderlijk hart haar gezegd, dat haar vader toch niet zóó wreed zou kunnen zijn, dat het niet in ernst zijn plan kon wezen haar onder vreemden te zenden, ver weg van het oude, vervallen Misrule en van al haar broeders en zusters; hij zeide het alleen maar om haar schrik aan te jagen, dit praatte zij gedurig zich zelve voor, en zij zou hem toonen, dat zij geen lafhartig klein kind was.

Maar Zondagavond, toen zij een koffer naar beneden zag brengen en dien zag volpakken met hare kleederen en voorzien worden van haar naam, was het alsof een koude hand zich om haar hart sloot. Maar, zeide zij tot zich zelve, hij liet dit alles geschieden om haar te doen gelooven, dat zij werkelijk vertrekken moest.

En nu was het morgen geworden, en zij kon zich niets meer diets maken. Esther was bij haar bed gekomen, en had haar treurig gekust, met eene bezorgde en teedere uitdrukking op haar lief aangezicht. Zij had haar man gesmeekt zoo innig als zij nog nooit gesmeekt had, het vonnis der arme Judy te vernietigen, maar de kapitein was onvermurwbaar. Zij en alleen zij was de belhamel bij alle ondeugende streken, de anderen zouden zich behoorlijk gedragen, wanneer zij er niet meer was om hen tot allerlei stoutigheden aan te zetten, en gaan moest zij. Bovendien zeide hij, zou het tot haar eigen heil zijn. Hij had eene uitmuntende school voor haar gekozen; de directrices er van waren vriendelijk, maar streng, en Judy's karakter liep gevaar bedorven te worden door gebrek aan eene strenge leiding. Dit was inderdaad in zeker opzicht waar.

Judy ging plotseling rechtop in haar bed zitten, bij het gezicht van Esther's bekommerd gelaat.

"Er is niets aan te doen, lieve kind, schik je naar vaders wil!" zeide zij vriendelijk. "Maar je zult gaan als een moedig meisje, nietwaar, Ju?--Jij hebt tot nu toe altijd, zooals Pip zegt: de huik naar den wind kunnen hangen."

Judy verkropte een hevigen snik, en haar arm klein gezicht werd bleek en angstig.

"Het is goed, Esther! Toe, ga maar gerust ontbijten," zeide zij met eene stem, die alleen maar een weinig beefde; "zou je den Generaal bij mij willen laten, Esther? Ik zal hem mede naar beneden brengen!"

Esther zette haar klein, dik zoontje op het kussen en ging heen met een blik vol liefde en zorg.

En Judy nam het kleine ventje in hare armen, en trok de beddelakens over hun beider hoofd, en hield hem stevig, bijna wanhopig een minuut of twee tusschen hare armen gekneld, en verborg haar gezicht in zijn zacht, dik nekje en kuste hem tot hare lippen pijn deden.

Hij verweerde zich dapper tegen deze gewelddadige handelwijze, en protesteerde ten laatste, met een woedenden kreet, tegen gesmoord te worden. Dus wierp zij het dek weg en stapte uit bed, en liet hem tusschen de kussens rondkruipen, en uit een gaatje in een er van de veertjes plukken.

Zij kleedde zich haastig en zenuwachtig, maakte het haar met meer zorg dan gewoonlijk op, en ging toen met den Generaal naar de kinderkamer. Alle anderen waren hier, en klaarblijkelijk waren zij met Esther over haar aan het spreken. De drie meisjes keken bedroefd en verontwaardigd; Pip was juist terecht gezet, omdat hij oneerbiedig over zijn vader had gesproken, en zag gemelijk voor zich uit; en Bunby, niet wetende wat hij anders zou doen in zulk een hachelijk oogenblik, was vliegen gaan vangen en trok haar wreedaardig de vleugels uit.

Het was een somber ontbijt. De bel weerklonk als teeken dat de koffie beneden klaar was, en Esther moest dus de kinderen alleen laten. Een ieder presenteerde Judy van alles, wat op de tafel stond, en sprak haar beleefd toe. Zij scheen niet meer hun gelijke te zijn, maar een persoontje, dat niet zoo lichtvaardig behandeld kon worden terwille der waardigheid, die het groote verdriet haar gaf. Hare japon was nieuw--een keurig, blauw serge kleedje, direct uit de handen der naaister; hare laarzen waren glimmend gepoest, hare kousen zonder luchtgaatjes. Dit alles werkte er toe mede, om haar eene Judy te maken geheel verschillend van de slordige en drukke Judy van een paar dagen geleden, die gewoonlijk aan het ontbijt kwam, er uit ziende, alsof hare kleederen met eene hooivork op haar geworpen waren.

Baby wijdde zich ééne minuut aan hare gort, maar toen overstelpten haar hare aandoeningen, en, met een zwakken klaagtoon, liep zij om de tafel naar Judy, en hing zich snikkend aan haar arm. Dit verstoorde het evenwicht van het geheele gezelschap. Nell pakte den anderen arm en wiegde zich heen en weer in een aanval van troosteloosheid. Meg's tranen droppelden in haar kopje; Pip duwde zijn hiel in het vloerkleed, en begreep maar niet, wat zijne oogen scheelden; en zelfs begon Bunby minder smaak in zijn boterham te krijgen.

Judy zat zwijgend voor het bord, dat zij ongebruikt weggeschoven had, en dat zij met eene uitdrukking van diepe wanhoop op haar jong gezichtje aanstaarde. Zij zag er uit als eene miniatuur koningin uit eene tragedie, die op het punt is, naar de plaats der terechtstelling gebracht te worden.

Bunby liet zich van zijn stoel glijden, dekte zijn kop koffie met den schotel van wege de vliegen, en verliet met plechtigen stap de kamer. Een oogenblik later kwam hij terug met eene zuurflesch, waarin een groote, groene kikvorsch zat.

"Hem mag je houden voor jou alleen, Judy!" zeide hij, op bijna hartbrekend droevigen toon. "Je zult op school misschien nog wel eens om hem lachen."

Zelfopoffering kan niet verder gaan, want deze kikvorsch was de lieveling van Bunby's hart.

Dit prikkelde de anderen; ieder haalde een geschenk en legde het als souvenir op Judy's altaar. Meg bracht een armband, gemaakt van haar van een gestorven lievelingspony, Pip gaf zijn zakmes met drie messen, Nell een muskuspot dien zij een jaar lang begoten en verzorgd had, Baby eene pop met gebroken neus, de Benjamin van hare groote poppenfamilie.

"Doe alles in den koffer, Meg--bovenin is nog plaats, denk ik," zeide Judy met verstikte stem, diep getroffen door deze geschenken. "O, Bunby, beste jongen! doe een kurk op de flesch met den kikkert, hij zou eens verloren kunnen gaan, tusschen al die kleeren!"

"Ja wel," zeide Bunby. "Je zult goed op hem passen, nietwaar, Judy? O, lieve hemel! O! O!"

Toen kwam Esther de kamer binnen, nog altijd met een bekommerd gelaat.

"De dogcart is voor," zeide zij. "Ben je klaar, Judy, beste meid? Mijne lieve Judy, houd je nu dapper, vrouwtje!"

Maar Judy was bleek als eene doode, en scheen niet te begrijpen, wat er om haar gebeurde. Zij liet toe dat Esther haar den hoed opzette, haar in haar nieuw manteltje hielp en haar de handschoenen in de hand gaf. Zij liet zich door de geheele familie kussen, half de trap afdragen door Esther, weer door de meisjes zoenen, toen door de twee goedhartige dienstboden, die ondanks hare pekelzonden voor haar eene warme genegenheid koesterden.

Esther en Pip tilden haar in den dogcart, en zij zat ineen gedoken en scheef op de bank, en keek met oogen, die waarlijk tragisch waren in hunne groote wanhoop, naar de groep in de veranda. Haar vader kwam naar buiten, hij knoopte zijne overjas dicht, en zag haar blik.

"Wat is dat voor gekheid?" zeide hij driftig "Esther--groote Hemel! stel jij je ook al zoo dom aan?"--groote tranen schitterden in de mooie oogen zijner vrouw. "Waarachtig, men zou kunnen denken, dat ik het kind meeneem om opgehangen te worden, of haar naar een verbeteringsgesticht ging brengen."

Een luide, hikkende snik kwam over Judy's witte lippen.

"Als u mij thuis zou willen laten blijven, vader, zal ik u nooit meer boos maken; u kan me voor straf slaan, zoo hard u maar wil."

Het was hare laatste poging, hare laatste hoop, en zij beet op hare arme, trillende lip, tot deze bloedde, terwijl zij op antwoord wachtte.

"Laat haar hier blijven--o! toe, laat haar hier blijven! We zullen altijd zoet zijn!" klonk het in koor uit de veranda. En: "Laat haar hier blijven, John!" riep Esther, op een toon, even smeekend als die der kinderen.

Maar de kapitein sprong in den dogcart, en nam de teugels in eene uitbarsting van woede van Pat over.

"Ik geloof, dat jelui allemaal bezeten zijt!" schreeuwde hij. "Zij zal het daar ginds uitstekend hebben, ik heb drie maanden vooruit voor haar betaald, en dat verzeker ik jelui, ik gooi mijn geld niet voor niets weg!"

Hij gaf het paard een tikje met de zweep, en een minuut later was de dogcart aan gene zijde van het hek, en het kleine, ongelukkige gezichtje kon niet meer gezien worden.

HOOFDSTUK VI.

HOE SCHOON IS DE LEEFTIJD VAN ZESTIEN JAAR.

Meg had altijd mooi haar gehad, maar een paar maanden geleden had zij zich ponyhaar geknipt, en begon dit iederen avond in papillottenpapier te wringen. En in hare latafel stond een jampotje gevuld met havermeel, dat zij in haar waschwater gebruikte, want zij had gelezen, dat dit een uitstekend middel was om het teint te verfraaien. En iederen avond smeerde zij hare handen met vaseline in en sliep met oude glacé-handschoenen aan. En haar geld gaf zij uit aan een zeker water, dat de kleine bruine vlekjes zou wegwisschen, die de zon op haar gelaat getooverd had, en het, hoe dan ook, een zeker karakter gaven.

Al deze dingen waren het gevolg hiervan, dat Meg zestien was, en dat zij eene vriendin gevonden had, die zeventien jaren telde.

Aldith MacCarthy leerde Fransch bij denzelfden leeraar, naar wien Meg nu tweemaal in de week ging, en nadat chocolaadjes en haarlinten gegeven en aangenomen, en familieconfidenties gedaan en aangehoord waren, ontstond er eene innige vriendschap tusschen haar.

Aldith had drie volwassen zusters, die zij in alle opzichten naäapte, en bezat veel meer kennis van de wereld dan de eenvoudige, romantische Meg.

Zij leende Meg romans en novellen, evenals tijdschriften voor jonge dames, en het jonge meisje verdiepte er zich met groote belangstelling in, verbaasd over de nieuwe wereld, waarin zij werd binnengeleid; want Charlotte Yonge en Louise Alcott en Miss Wetherell waren tot nu toe uitsluitend hare lectuur geweest.

Meg begon rooskleurige droomen te droomen van den tijd, waarin haar mooi, glanzend haar "in eene eenvoudige wrong" zou worden opgestoken of boven haar voorhoofd zou worden gelegd als "eene kroon, even schoon als die eener koningin," want dit waren de twee manieren, waarop de heldinnen in de novellen het haar kapten. Een gevlochten varkensstaartje was al zeer weinig romantisch. Dit was de reden waarom zij, als eene soort van voorbereidende maatregel, ponyhaar geknipt had, en het einde van hare vlecht begon te krullen. Haar vader staarde haar aan, en zeide, dat zij er uit zag als een winkelmeisje, toen hij deze veranderingen voor het eerst opmerkte, en Esther vertelde haar, dat zij een dom schepsel was, maar de spiegel en Aldith stelden haar weer gerust.

De zorg, die nu aan de beurt kwam, was die van steelsgewijze hare japonnen langer te maken, welke in de periode waren van nog niet lang en niet meer kort te zijn. In de eenzaamheid van hare slaapkamer nam zij twee of drie van hare rokken van den band, voorzag ze aan den bovenkant van eene reep voering om ze te verlengen, en naaide eene strook onder om hare lijfjes, ten einde de voering te bedekken. Hierdoor werden hare rokken een goeden twee duim langer, wat haar een lang, slank figuurtje gaf, zooals zij zelve zeer goed wist.

In geen van deze dingen stak eigenlijk kwaad.

Maar Aldith begon hare taille langzamerhand geheel onmogelijk te vinden.

"Je hebt minstens drie-en-twintig, Marguerite," zeide zij eens, vol ongehuichelden schrik.

Zij noemde hare vriendin nooit Meg, want deze naam was "te familiaar en volstrekt niet welluidend."

Meg keek van hare eigen taille naar het dunne, elegante middeltje van hare vriendin, en zuchtte diep.

"Wat moest ik eigenlijk hebben?" zeide zij neerslachtig; en Aldith had geantwoord, "achttien--of negentien hoogstens, Marguerite! Ware symmetrische bevalligheid kan nooit bereikt worden met een middel van drie-en-twintig duim in omtrek."

Aldith had niet alleen feiten opgemerkt en vergelijkingen gemaakt, zij had hare vriendin ook praktischen raad gegeven, en had haar getoond, hoe zij handelen moest. En iederen avond en iederen morgen trok Meg haar corsetveter steviger aan, en perste haar fijn, teeder lichaam in eene steeds engere ruimte. Zij had reeds een omtrek van een-en-twintig duim bereikt, hetgeen zuiver twee duim winst beteekende, en zij had al hare japonnen ingenomen.

Maar zij speelde 's avonds niet meer mede cricket, en wilde aan geen enkel spel meedoen, waarbij hard loopen te pas kwam, zeer tot misnoegen der anderen. Niemand, die het zachte gezichtje, liefelijk als een bloesem, zag, en de vriendelijke, kalme oogen, zou gegist hebben welk eene marteling er verdragen werd onder het nu sierlijke, goed zittende japonlijfje. Vlug wandelen was eene ware kwelling; bukken, bijna folterpijn; maar zij verdroeg dit alles met een heldenmoed, eene waarlijk edele zaak waardig.

"Hoe lang zal ik daar nu nog mede moeten voortgaan, Aldith?" vraagde zij eens met zwakke stem, na eene Fransche les gedurende welke zij zich bijna niet had kunnen goed houden. En het andere meisje antwoordde onverschillig: "O, je moet nu natuurlijk niet ophouden, je zult eens zien, over een poosje voel je er niets meer van."

Na deze verzekering zette Meg hare pijn veroorzakende pogingen voort.

Esther, de eenige, die in deze zaak eenigen invloed had kunnen hebben, had niets gemerkt, en, had zij dit wel gedaan, dan zou zij er zich nog niet ernstig over bekommerd gemaakt hebben, want het was eerst vier jaar geleden sedert ook zij zestien geweest was, en een "dun middeltje" voor haar het begeerlijkste van de geheele wereld geweest was.

Eens had zij zonder bijgedachte gezegd:

"Wat krijg je een goed figuurtje, Meg! De nieuwe naaister maakt zeker beter dan Miss Quinn!" en de dwaze Meg, het hart kloppend van vreugde, had zich voorgenomen, hare pogingen te verdubbelen.

De lynx-oogige Judy zou alles zeker spoedig ontdekt hebben, en zou haar lachend beschaamd hebben, maar ongelukkig voor Meg's gezondheid was zij op school,--er waren reeds bijna drie maanden sedert haar vertrek verloopen.

Aldith woonde ongeveer twintig minuten wandelen van Misrule, en dus waren de twee meisjes veel samen. Tweemaal in de week gingen zij per stoomboot naar de stad om in beleefd Fransch te leeren vragen: "Heeft de jonge dochter van den bakker den gelen hoed, de bruine handschoenen, en de parasol van de nicht van den aannemer?"

En tweemaal in de week, nadat zij zonder den minsten samenhang geantwoord hadden: "Neen, maar de chirurgijn had bier, mosterd, en de tafelgong," vertoonden zich Aldith en hare vriendin op de wandelplaats, waar de Sydneysche jeugd en beau-monde gewoonlijk wandelde,--het "Block."

"Nu zullen wij eens gaan zien, hoeveel hoeden ik kan laten afnemen!" zeide Miss Aldith, wanneer zij zich op weg begaven, en bij het einde van den tocht zuchtte Meg: "Hoe heerlijk moet het zijn, zooveel heeren te kennen als jij!"

Somtijds gebeurde het, dat een of twee jonge lieden bleven staan, en de meisjes aanspraken, en dan stelde Aldith hen plechtig aan Meg voor, dikwijls evenwel meende deze, die, niettegenstaande al hare dwaasheid, scherp genoeg opmerkte, iets beschermends, min of meer spotachtigs in de manieren der heeren waar te nemen. En werkelijk was dit dikwijls zoo; het waren hoofdzakelijke heeren, die Aldith tehuis op een danspartijtje of bij het tennisspel had leeren kennen, en die deze jonge dame een vroeg rijp kind vonden, voor wie het hoogst gewenscht was, dat zij nog eenige jaren van de school zou profiteeren.

Eens op een dag kwam Aldith op Misrule--houding, gebaren, stem, alles sprak van eene hooge, geheimzinnige gewichtigheid. "Kom mede naar den tuin, Marguerite!" zeide zij, zonder de minste notitie van Baby te nemen, die, met groote moeite, hare oudste zuster had overgehaald, haar het altijd even boeiende verhaal van de drie kleine varkentjes te vertellen.

"O, neen, bij het haar van mijn baard aan mijn kin, ik zal proesten en blazen tot je huisje valt in," was nog maar tweemaal gezegd geworden, en het spannendste gedeelte moest nog komen.

Baby keek op met verontwaardigde oogen.

"Ga weg, Aldiff!" zeide zij.

"Miss MacCarthy, Baby!" verbeterde Meg vriendelijk, Aldith's half verachtelijken glimlach opmerkende.

"Aldiff!" herhaalde Baby koppig. Toen scheen zij berouw te hebben, en sloeg een kleinen arm liefkoozend om haar zusters hals.

"Ik zal aan Miff MacCarfy zeggen, dat je eerst verder moet vertellen."

"O, zend haar weg, Marguerite!" zeide Aldith ongeduldig. "Ik heb je een zeer belangrijk geheim mee te deelen, en ik heb buitendien haast."

Meg was dadelijk een en al belangstelling.

"Ga nu heen, Baby!" zeide zij, en kuste het teleurgestelde gezichtje; "ga met Bunby met de ark spelen, ik zal het vertelseltje van avond of morgen uit vertellen."

"Maar ik wil nu het eind hooren!" zeide Baby volhoudend.

Meg schoof haar vriendelijk op zijde. "Neen, ga nu heen, klein zusje--ga nu heen als eene beste meid, en ik zal je morgen ook nog van Roodkapje vertellen."

Baby keek naar de bezoekster harer zuster.

"Je bent een akelig spook, Aldiff MacCarfy," zeide zij langzaam en met nadruk, "en ik heb een hekel aan je, en wij allen hebben een hekel aan je, behalve Meg, en Pip zegt, dat je het naarste wicht ben, dat bestaat, en ik wou, dat er een groote reus kwam, die blazen zou en proesten, tot je midden in de zee lag."

Aldith lachte, een klein tartend, wijs lachje, dat de maat van Baby's woede deed overloopen. Zij strekte hare kleine hand uit en gaf den arm der jonge dame in zijn mousselinen mouw een fijn welbestudeerd kneepje, dat Pip haar geleerd had. Toen holde zij als eene dwaze de groene grasvelden over naar het boschje, dat zich aan gene zijde bevond.

"Onuitstaanbaar!" pruttelde Aldith boos, en Meg moest zich uitputten in verontschuldigingen en vriendelijke woordjes, om haar weer in een goed humeur te brengen, en haar over te halen, het zeer belangrijke geheim te vertellen. Ten laatste, evenwel, werd het haar geopenbaard, en wel met indrukwekkende plechtigheid. Aldith's oudste zuster was verloofd! O, was dat niet hemelsch? was het niet romantisch?--en met den mijnheer met den blonden snor, die in den laatsten tijd zoo dikwijls bij hen aan huis was geweest.

"Ik wist, dat het zoo zou gaan--ik heb het al lang zien aankomen. O, men kan niet gemakkelijk iets voor mij verbergen!" zeide Aldith. "Ik herken ware liefde dadelijk. Maar voor mijzelve zou ik zeker de voorkeur geven aan een donkeren snor, jij ook niet, Marguerite?"

"Ja-a!" zeide Meg. Hare meening in dit opzicht was nog nauwelijks gevestigd.

"Gitzwart, met zeer stijfstaande uiteinden," vervolgde Aldith peinzend, "en eene militaire houding en heel lange, zwarte wimpers."

"Dat zou ook mijn smaak zijn," zeide Meg, opeens vol vuur. "Zooals Guy Deloraine in "Angelina's eerzuchtige Droomen.""

Aldith sloeg haar arm inniger om hare vriendin.

"Zou het niet hemelsch zijn, Marguerite, als jij en ik--eens geëngageerd waren?" zeide zij, als in droomerige verrukking. "Denk eens aan, hoe zalig het zijn moet als een donkere knappe man met trotsche, zwarte oogen, smoorlijk verliefd op je is, je op de handen draagt, je cadeaux geeft en met je uitgaat--o, Marguerite, wat moet dat goddelijk zijn!"

Meg keek peinzend voor zich uit. "Daar zijn wij, geloof ik, toch nog niet oud genoeg voor!" zeide zij met een zucht.

Aldith wierp haar hoofd achterover. "Dat is onzin; Clara Allison is niet ouder dan zeventien, en denk aan eens je eigen stiefmoeder. Eene menigte meisjes zijn al getrouwd als zij zestien zijn, Marguerite! en mijne zuster Beatrice werd ten huwelijk gevraagd, toen zij nog maar vijftien was."

Deze woorden schenen indruk op Meg te maken. Zij keek stil voor zich uit.

Toen stond Aldith op om heen te gaan. "Denk er aan, dat je morgen op tijd aan de boot bent," zeide zij, terwijl zij naar het hek wandelden; "en, Marguerite, kleed je nu eens heel netjes aan--trek je koornbloemen-blauwe japon aan,--en zie eens of Mrs. Woolcot je niet een paar handschoenen zou willen leenen, je grijze paar ziet er niet meer zeer frisch uit, vind je zelf ook wel?"

"Neen, neen zeker niet!" zeide Meg blozend.

"En Mr. James Graham komt altijd terug met onze boot, en de twee Courtney's ook--Andrew Courtney zeide aan Beatrice, dat hij je een heel aardig persoontje vond; hij merkt je dikwijls op, zegt hij, omdat je altijd zoo bloost."

"Ik kan daar toch heusch niets aan doen!" zeide Meg op ongelukkigen toon. "Aldith, hoe moet het lint op mijn hoed genaaid worden? Ik wilde het er opnieuw opzetten."

"O, vierkante lussen, min of meer stijf, en goed op zijde!" zeide het orakel. "Ik ben blij, dat je den hoed onder handen neemt, beste! hij zag er heusch erg slordig en verlept uit."

Meg bloosde weer.

"Ben je al klaar met je Fransch?" zeide zij, en opende het hek.

"Ik zal het er maar voor houden!" zeide Aldith onverschillig. Toen hief zij haar kin omhoog.

"Die zedige meisjes Smith schijnen er altijd eene eer in te stellen, om geen fouten te maken; en Janet Green, wier hoeden altijd vier modes ten achteren zijn, ook; ik vergis mij liever eens een paar maal, als was het alleen maar om te laten zien, dat ik niet hard behoef te leeren, en later onderwijzeres worden."

Maar juist in dit oogenblik struikelde zij, en viel in hare volle lengte op zeer onbevallige wijze neer, dwars over het modderige pad.

Een stuk touw en Baby's wraak waren hier de oorzaak van.

HOOFDSTUK VII.

"WAT ZEGT GE VAN EEN VERLIEFD HART?"

Meg zag er zeer slecht uit, daar was geen twijfel aan. Hare mooie rozige gelaatskleur verloor hare frischheid, eene uitdrukking van prikkelbaarheid groefde een trek om den mond, die eenige maanden geleden alleen voor glimlachjes scheen geschapen te zijn. En, het was treurig onromantisch, maar, haar neus was van tijd tot tijd bijzonder rood. Nu kan eene heldin de grootste, diepste oogen, de langste wimpers, die maar mogelijk zijn, hebben; zij kan haar hebben gelijk aan het goud, dat "in den oogsttijd tot schoven wordt gebonden"; zij kan lippen bezitten als kersen en tanden als paarlen, en een roode neus zal al deze bekoorlijkheden vernietigen. Hij berokkende Meg ware zielsangsten. Zij las met de grootst nauwgezetheid alle antwoorden in de "Correspondentie" der verschillende tijdschriften, die Aldith haar leende, om haar te helpen in haar zoeken naar een geneesmiddel. Maar bijna iedereen scheen recepten te vragen om den groei der oogharen te bevorderen of om embonpoint te voorkomen. Geen enkel antwoord, dat haar onder de oogen kwam, zeide: Een roode neus bij jonge meisjes wordt gewoonlijk veroorzaakt door slechte spijsvertering of door te nauw rijgen." Zij vraagde Aldith haar een raad te geven, en deze jonge dame dacht, dat hare vriendin de gewenschte uitkomst zou verkrijgen, door vaseline en zwavel, goed vermengd, op het lichaamsdeel in quaestie te leggen. En nu sloot Meg iederen avond de deur van haar slaapvertrek door middel van een eigen gemaakten grendel, want sleutels waren op Misrule eene ongekende weelde, en bestreek haar armen, kleinen neus hoogst zorgvuldig met het vette geneesmiddel, waarnaar zij den geheelen nacht op haar rug moest blijven liggen, om te voorkomen dat zij het aan haar kussen zou wrijven.

Eens was Pip in haar kamertje doorgedrongen om haar te vragen, zijne bretels even te willen naaien; zij was toen genoodzaakt geweest, haastig een handdoek om haar hoofd te slaan en te zeggen, dat zij hevige zenuwhoofdpijn had, en dat hij maar naar Esther of een van de meiden moest gaan. Had hij de oorzaak dezer weigering gekend en gezien, dan zou er geen einde aan de plagerijen gekomen zijn.

In den laatsten tijd bracht Meg een groot gedeelte van den dag in hare slaapkamer door, die nu, sedert Judy's vertrek, van haar alleen was. In de eenzaamheid garneerde zij hare hoeden en veranderde ze telkens weer, vermaakte zij hare japonnen, las zij hare novellen, en zat met hangende haren voor haar spiegel, peinzende over den tijd, waarin zij "groot" zou zijn en een man haar hart zou geschonken hebben. Want haar en Aldith scheen alleen deze periode van het leven liefelijk en begeerlijk. Meg vlijde zich gaarne in een grooten leunstoel, die naar hare kamer was verbannen, omdat de veeren gesprongen waren, en droomde dan lang schoone, ijdele droomen van een minnaar met "lange zwarte wimpers en eene militaire houding". Natuurlijk was het hoogst laakbaar op haar teederen leeftijd van zestien jaren zulke gedachten te hebben, maar dan moeten wij bedenken, dat het meisje geene moeder had, die deze verdoolde phantasie weer op het goede pad had kunnen brengen, en dat zij eene dochter van het Zuiden was.

Australische meisjes beginnen bijna altijd veel eerder over "vrijages en zulken onzin", zooals ouderwetsche menschen zeggen, te denken, dan hare Engelsche zusters. Terwijl zij nog in de korte-jurken-periode zijn, en terwijl haar haar nog los op haar rug hangt, stellen zij de levendigste belangstelling in jongens van de naburige scholen, broers van andere meisjes, jonge klerken, en dergelijken. Niet omdat zij goede speelkameraden zouden kunnen zijn, maar omdat zij hen beschouwen in het licht van mogelijke aanstaande "hartsvrienden". Ik zeg niet, dat Engelsche meisjes nooit aan zulke dingen denken. Volstrekt niet; in iedere school zullen er wel een of twee dwaze, giggelende jonge schepseltjes met soortgelijke neigingen te vinden zijn, die met een pak klappen weer naar haar cricket en hare poppen toe moesten gezonden worden. Maar in dit land der jeugd is het meer regel dan uitzondering, en dit is de grootste fout van het zeer jonge Australische meisje. Zij is als eene perzik, eene mooie, gave perzik, die bijna in één dag tot rijpheid is gekomen, en die haast heeft het teedere waas te vernielen dat haar grootste bekoorlijkheid is, alleen om hare schitterende, warme kleur duidelijker te doen uitkomen. Aldith had, tot hare voldoening, haar eigen "waas" weggewreven, en was op het oogenblik druk bezig dat van Meg te doen verdwijnen, dat zeer zacht en liefelijk was, voor zij er aan raakte. De novellen hadden iets weggenomen en het "Block" nog iets meer, maar zij was van nature verstandig, en het duurde lang, eer men aan haar eene verandering kon bespeuren. En nu, onder voogdijschap harer vriendin, was zij binnengeleid in de verrukkelijke geheimen der liefdesavonturen, en voorloopig vervulde de gedachten daaraan haar eenigszins doelloos jong leven. Maar dit alles eindigde met eene gebeurtenis, welker herinnering haar nog jaren daarna een pijnlijken blos op de wangen jaagde.

Na de Fransche les, die zij, als ik reeds vertelde, tweemaal in de week namen, kwamen de vriendinnen gewoonlijk met de boot van vijf uur terug. En op deze boot waren ook altijd twee jonge lui, die den naam Courtney droegen, en een derde jonge man, Aldith's bijzonder eigendom, James Graham. Nu was het jonge volkje met elkaar in kennis gekomen op picnics en dergelijke feestjes in den omtrek, maar deze kennismaking, in plaats van, nu zij elkaar meermalen ontmoetten, te rijpen tot eene hartelijke, aangename vriendschap, had aanleiding gegeven tot flauwe geheimzinnigheden en eene aanstellerige verliefdheid. James Graham, zeventien jaar oud, was werkzaam op het kantoor van een advocaat, en scheen weinig haast te hebben zich tot een flinken man te ontwikkelen. Hij droeg een stok, en was zeer gesteld op een keurigen hoed en een hoog boord en mooie laarzen, die gewoonlijk van bruin leder waren. En hij bezat een knevel, zoo dun, als men er zich maar een kan verbeelden, dien hij met groote zorg behandelde, en dien Aldith aanbiddelijk vond. Aldith's levendigheid en gevatheid vielen in zijn smaak en binnen zeer korten tijd drukten zij elkander heimelijk briefjes in de hand, en zuchtten daarbij sentimenteel. Niet dat deze briefjes iets buitengewoons bevatten, zij waren gewoonlijk tamelijk vormelijk.

"Hooggeachte Miss MacCarthy", luidde bijvoorbeeld een. "Waarom was u gisteren niet op de boot? Ik keek naar u uit zoolang ik maar eenigszins hopen kon, u nog te zien verschijnen, en moest toen een vervelenden tocht op het water maken. Wat staat die groote hoed u allerliefst, en die narcissen, die ge draagt, passen beeldig bij uwe japon. Zou ik u om een dezer bloemen mogen verzoeken? geef er mij ééne, Aldith!

Met eerbiedige hoogachting

Uw vriend

James Graham."

En Aldith's antwoord, geschreven op een blaadje van haar notitieboekje met een rose potloodje, afkomstig van een balboekje, en dat zij altijd in hare beurs bij zich had, mocht den volgenden inhoud hebben:

"Waarde Mr. Graham,

Wat mag de reden zijn, dat ge de bloemen, die ik in mijne japon gestoken had, verlangt te bezitten? Ik heb ze den geheelen dag gedragen, en zij zijn verwelkt en slap. Ik kan mij niet verbeelden, wat gij aan haar zoudt hebben. Maar, indien u werkelijk op haar gesteld is, zal ik ze u natuurlijk geven. Ik ben zoo blijde, dat mijn hoed u bevalt. Ik zal hem nu altijd gaarne dragen. Heeft u mij werkelijk gisteren gemist? Ik liet mijn portret maken. Marguerite vindt, dat het zeer goed lijkt, ik vind het werkelijk te geflatteerd.

Met een vriendelijken groet

L. Aldith Evelyn MacCarthy."

Een groote vriend van Mr. James Graham was een der reeds genoemde Courtneys, en wel degene, dien men Andrew noemde. Hij was een knappe jongen van achttien jaren, nog scholier, maar hij bezat hoogst innemende manieren en een paar waarlijk mooie oogen.

En sedert zijn vriend en trouwe metgezel James begonnen was "zich te interesseeren" voor "de kleine MacCarthy", bedankte hij er voor, geheel buiten alles te staan. Dus begon hij op in het oog loopende wijze werk te maken van Meg, die tot onder haar zacht, mooi ponyhaar bloosde, iederen keer dat hij tot haar sprak, en met een pijnlijk verlegen en schuldig gezicht voor zich keek, telkens als hij haar iets vleiends zeide.

De andere jonge man, Alan Courtney, was zeer groot en breed van schouders, maar zijn gezicht was volstrekt niet bijzonder fraai. De uitdrukking van zijn gelaat was ernstig, zijne oogen waren grijs en lagen diep in zijn hoofd, zijne bruine haren zagen er uit, alsof hij ze gedurig den verkeerden kant op streek. Hij was student, speelde uitstekend voetbal, en vermaakte zich op weg naar huis, nooit op de manier van Andrew en diens vriend.

Hij gaf gewoonlijk een nauwelijks merkbaar knikje met het hoofd, wanneer hij voorbij de kleine groep kwam, nam zijn hoed zoo weinig mogelijk als met de voorschriften der beleefdheid in overeenstemming te brengen was, af, en liep door naar het verst verwijderde gedeelte der boot. Eens toen hij voorbij kwam, keek Aldith juist door hare wimpers heen smachtend zijn broeder aan, en Meg was er bijna zeker van dat zij hem bij zich zelf had hooren zeggen: "Belachelijke zotten!" Hij zat gewoonlijk eenzaam op de boot te rooken--sigaren bij het begin van de vaart, en tegen het einde haalde hij een kort, zwart, onaanzienlijk pijpje voor den dag--en Meg dacht dan heimelijk, dat hij er toch wel mannelijk uitzag, en dan zuchtte zij diep.

Want ik kan u nu even goed als later vertellen, wat er met dit dwaze, kleine meisje gebeurd was, na enkele maanden den invloed van Aldith en der novellen ondergaan te hebben. Zij was verliefd geworden, en dit wel met eene innigheid zoo groot, als dit op den lieven leeftijd van zestien jaar maar mogelijk is; en het was op Alan, die niet vriendelijk keek, noch aangename manieren had--niet op Andrew, die sprekende oogen bezat en lokken, die "zijn voorhoofd deden gelijken op de rijzende zon," niet op Andrew, die haar teedere blikken toewierp, en haar onder bedekte termen duizend maal verzekerde: "Aan u heb ik mijn hart verloren," maar op Alan, die volstrekt geene notitie van haar nam dan bij gelegenheid door eene half spotachtige buiging.

Arme Meg! Zij was zeer treurig in dezen tijd, en toch was het eene soort van zoete treurigheid, die zij koesterde en voor uitdooven bewaarde. Niemand vermoedde haar geheim. Zij zou liever gestorven zijn, dan er zelfs tegenover Aldith iets van te laten doorschemeren, en ontving Andrew's briefjes en glimlachjes alsof niets haar aangenamer kon zijn. Maar zij werd mager, hare oogen schenen steeds grooter te worden, en 's avonds schreef zij lange verhalen in haar dagboek, en buitendien een snel aangroeiende verzameling gedichten, waarin "hart" en "smart," "traan" en "staan," "zwerven" en "sterven," "zucht" en "lucht" de meest voorkomende rijmwoorden waren. Zij verdroeg Andrew om verschillende redenen. Ten eerste was hij de broer van Alan, en vertelde altijd allerlei verhalen van "Al," en pochte hij op de kranige figuur, die deze op het voetbalveld maakte; en dan zou Aldith haar geheim kunnen raden, indien zij hem geheel afstootte. Buitendien had Andrew de langste wimpers, die zij ooit gezien had, en zij moest toch iemand hebben, die haar allerlei aangenaams zeide, ook al was dit niet degene, van wien zij dit het liefst gehoord had.

Maar eens op een dag kwam er eene crisis.

"Geen tochtjes meer met onze lieve boot, eene geheele maand lang!" sprak Aldith, van haar hoekje in de kajuit.

"Dat is verschrikkelijk! Wat bedoelt u, Miss MacCarthy?" zeide James Graham, met overdreven wanhopige stem.

"Monsieur H. heeft de klasse eene maand vacantie gegeven. Hij gaat naar Melbourne!" antwoordde Aldith met een zucht.

Meg zorgde plichtmatig voor de echo, en Andrew zeide woedend, dat Monsieur H. het hangen niet waard was. Hij zou wel eens willen weten, waarom hij zoo onmenschelijk handelde; en hoe moesten Jim en hij hun leven in dien tusschentijd voortsleepen?"

James was degene, die dadelijk een middel wist, om het leed te verzachten.

"Zouden wij met ons vieren niet eens 's avonds kunnen eraan wandelen?" sloeg hij voor.

Aldith en Andrew vonden dit voorstel schitterend; en hoewel Meg eerst vast besloten het hoofd geschud had, liet zij zich toch overhalen, en beloofde mede te zullen gaan.

Zij zouden elkaar ontmoeten in een boschje, dat aan het verst verwijderde grasveld van Misrule grensde, ongeveer een uur wandelen, en tegen half acht terugkeeren, eer het donker werd.

"Ik zal je dien dag iets vragen, Meg!" fluisterde Andrew toen zij op het punt waren, van elkander te scheiden. "Ik ben benieuwd of ik het zal krijgen."

Meg bloosde, zenuwachtig en onrustig, en vroeg zich zelve af, of hij haar om een haarlok zou verzoeken, iets, wat Jim reeds van Aldith gekregen had.

"Wat?" zeide zij werktuigelijk.

"Een zoen!" fluisterde hij.

In het volgende oogenblik hadden de anderen zich bij hen gevoegd, en het antwoord vol verontwaardiging, dat haar op de lippen zweefde, bleef onuitgesproken. Zij moest hem zelfs hare hand geven, om het te doen schijnen, alsof er niets gebeurd was, en oogenschijnlijk als goede vrienden van elkander te gaan.

"Precies half zeven, Marguerite! Ik zou het je nooit vergeven, als je niet kwaamt!" zeide Aldith, toen zij bij het hek afscheid namen.

"Ik--je--o Aldith! ik begrijp niet, hoe ik zal kunnen komen," stamelde Meg, weer met hoogroode wangen. "Ik heb nog nooit zoo iets gedaan. Ik ben er van overtuigd, dat het niet goed is."

Maar de minachtende trek om Aldith's mond maakte haar beschaamd over zich zelve.

"Je bent geloof ik, twaalf jaar, Marguerite!" zeide deze jonge dame kalm; "je bent waarlijk niet ouder dan twaalf jaar! Je deedt beter met weer eene pop te nemen, en een prentenboekje met fabeltjes. Ik zal Andrew vragen, om je een te koopen, en ook een stuk touw, om je in je tafelstoel vast te binden."

Zulk een hoon was te veel voor Meg. Zij beloofde haastig en onvoorwaardelijk op den bepaalden tijd aanwezig te zullen zijn, en liep snel het voetpad op, om aan de roepstem der hard luidende bel voor de thee gehoor te geven.

Gedurende de twee volgende dagen drukte haar geheim haar als een last van schuld, en zij verlangde vurig naar eene vertrouwde, die haar zou kunnen raden, hoe zij in deze netelige zaak moest handelen. Judy kon zij daarvoor niet kiezen: deze was te eerlijk, te verstandig, en had daarenboven te veel van een kind en een jongen--zij zou haar nooit zoo iets durven vertellen. Zij kon zich den blik van verontwaarding in de groote, heldere oogen harer zuster voorstellen, het schaterende gelach, dat zulk een verhaal zou uitlokken, de vernietigende, handig gekozen plagerijen, die zij trillende, zou moeten aanhooren. Ook Esther niet--daar deze immers hare stiefmoeder was, kon Meg het juist haar niet vertellen, en buitendien, in het mondje van den Generaal verscheen langzamerhand eene dubbele rij witte paarltjes, zijne gezondheid werd daardoor aangetast, en veroorzaakte zijne moeder te veel zorg, om haar voor Meg's gedruktheid oogen te geven.

Toen de dag, waarop de wandeling zou plaats vinden, genaderd was, had zij zich in een toestand van hevige opwinding gebracht.

Half zeven was de afgesproken tijd; zooals zij wist, was het dan nog helder licht. Zij zag in, dat zij inderdaad niet mocht, niet kon gaan. Veronderstel dat haar vader of Esther, eenige van hare spotachtige jongere zusters of broeders, in de nabijheid zouden zijn en de ontmoeting zien, of een der buren--zij zou de schande nooit kunnen overleven! En toch, gaan moest zij, want anders zou Aldith haar verachten. Buitendien had zij zich voorgenomen Andrew kalm te zeggen, dat zij hem niet kon veroorloven tot haar te spreken, als hij gedaan had. Na de laatste, verschrikkelijke, gefluisterde woorden, vond zij het noodzakelijk, hem duidelijk te doen begrijpen, dat zij zijn gedrag niet goed vond, en wel "zijne vriendin" wilde zijn, maar ook niets anders.

Maar waarom hadden zij niet een uur gekozen als het reeds donkerder zou zijn? zeide zij bij zich zelve: dan zou er geen gevaar bestaan van gezien te worden; zij zou dan het huis uit kunnen sluipen zonder de minste moeielijkheid, en door de grasvelden loopen, beschermd door de schemering; terwijl, wanneer het nog licht was, en zij zou beproeven ongemerkt weg te vluchten, ten minste twee of drie van de kinderen achter haar aan zouden komen loopen en haar edelmoedig zouden aanbieden "mede te gaan."

Ten laatste, te bang om, terwijl het nog dag was, te gaan, en ook niet willende, dat Aldith boos op haar zou kunnen zijn, omdat zij in het geheel niet gekomen was, deed zij in hare opwinding eene wanhopige daad--iets zoo gewaagds, dat zij er langen tijd niet dan met afschuw aan kon denken.

"Waarde Mr. Courtney,"--schreef zij, voor haar toilet zittende, haastig met potlood--"het zou niet aardig zijn, om zoo vroeg te wandelen. Laten wij later gaan, wanneer het geheel donker is. Het zal dan veel prettiger zijn, want niemand zal ons dan kunnen zien. En laten wij elkaar ontmoeten geheel aan het einde der grasvelden, waar het boschje zeer dicht is, daar kan niets ons storen. Ik schrijf Aldith ook tegen dien tijd te komen, en zij zal het Mr. Graham doen weten.

Geheel de uwe,

M. Woolcot.

P. S. Ik moet u uitdrukkelijk verzoeken, mij niet te kussen. Ik zou werkelijk zeer boos zijn, wanneer u het deed. Ik houd daar niet van."

De laatste woorden schreef zij in zenuwachtige haast, want zij had grooten angst, dat hij zijn woord zou houden, indien zij dit niet bij de eerste de beste gelegenheid voorkwam. Toen deed zij het briefje in eene enveloppe en schreef er het adres op, terwijl het zelfs geen oogenblik bij haar was opgekomen, er iets vreemds of onbehoorlijks in te vinden, dat een jong meisje er zoo op gesteld was, de ontmoeting in het donker te doen plaats hebben.

Daarop schreef zij eenige woorden aan Aldith, en zeide haar er vast op te rekenen, haar te half negen achter de grasvelden te vinden, terwijl zij zelve weg zou sluipen, wanneer de kinderen naar bed gingen en haar zeer waarschijnlijk niet zouden opmerken.

En toen ging zij naar den tuin om boden voor de twee briefjes te zoeken. De kleine Flossie Courtney had den middag bij Nellie doorgebracht, en Meg riep haar terug, juist toen zij het hek door ging om naar huis te wandelen, en, zonder dat de kinderen het zagen, vertrouwde zij haar het briefje toe.

"Geef dit aan je broer Andrew dadelijk als hij uit school komt!" fluisterde zij, en stopte in hetzelfde oogenblik een groot stuk chocolade in den mond van het kleine meisje. Bunby werd daarop omgekocht, met eene belofte van dezelfde licht smeltende snoepernij, om met het andere briefje naar Aldith te loopen, en Meg haalde weer vrij adem, daar zij het dreigende gevaar op listige wijze meende gekeerd te hebben.

Maar er scheen geen zegen op de briefjes te rusten!

Bunby overhandigde het zijne aan de meid van de familie MacCarthy, en gaf op eene vraag van het dienstmeisje ten antwoord: "Ik zal wel op antwoord moeten wachten, meisjes moeten er altijd een hebben op niets."

Aldith was aan hare kamer gebonden door eene plotselinge hevige verkoudheid, en schreef hare vriendin een briefje, om haar mede te deelen, dat zij te ziek was om uit te gaan, en aan Mr. Graham en aan Mr. Courtney ook geschreven had, daar zij de wandeling eene week wenschte uit te stellen.

Nu kwam dit briefje, in zijne lichtrose, driekante enveloppe, in Bunby's zak terecht tusschen zijne knikkers en noten en touwtjes. En, als wel te voorzien was, zag hij op den terugweg eenige kameraadjes, met wie hij weldra aan den kant van den weg op zijne knieën zat te knikkeren.

Hij verloor tien knikkers, en zijne allermooiste, roste een jongen af, die zich onwettig in het bezit had gesteld van zijn meest geliefd "bastje", kwam een uur later in treurige stemming thuis, en bespeurde bij het hek dat hij Aldith's coquet briefje verloren had.

Nu had Meg hem acht chocoladen okkernoten bij zijne terugkomst beloofd, en wanneer ons heertje eene zwakheid had, die zich meer deed gelden dan de andere, dan was het zijne groote partijdigheid voor deze soort van lekkernij, en, daar hij in weken geene enkele geproefd had, was het geen wonder dat zijn hart bijna brak bij de gedachte, dat hij ze door eigen schuld verbeurd had.

"Ik begrijp wel dat ze onuitstaanbaar genoeg zal zijn om te zeggen, dat ik ze niet verdiend heb, alleen omdat ik het gekke briefje van dat schepsel verloren heb," zeide hij, diep ongelukkig, tot zich zelven, "en ik kan me wel denken, dat er niets anders in stond, dan: "Liefste Marguerite, laten wij elkander altijd en altijd onze geheimen vertellen"; dat heb ik haar tweemaal hooren zeggen, en dus zal zij het nog wel eens schrijven." De verleiding greep hem aan, plotseling, stormenderhand.

Bunby was van nature de meest gewetenlooze kleine leugenaar, die ooit bestaan had, en alleen Judy's onkreukbare eerlijkheid en nadrukkelijk uitgesproken verachting voor al wat onoprecht was, hadden hem tamelijk betrouwbaar doen blijven. Maar Judy was mijlen weg, en kon hem onmogelijk angstig maken door een blik vol innige verstoordheid. Hij stond nu voor de deur der kinderkamer en draaide met aarzelende vingers den deurknop om.

"Wat ben je lang weggebleven!" zeide Meg van de tafel, waar zij een doos vol handschoenen zat te naaien. "Wat heeft zij gezegd?"

Juist naast haar elleboog stond de begeerlijke bonbonnière, waarin de bruine, met fondant omgeven okkernoten lagen.

"Zij zeide: "Het is goed!"" sprak Bunby stuursch.

Meg telde de acht chocolaadjes in hare kleine, onreine hand, en zette haar naaiwerk voort met een zucht van verlichting. En Bunby, met een schichtigen, schuwen blik in zijne oogen, stopte al de chocolaadjes op eens in zijn mond, als om de mogelijkheid van een plotseling berouw te voorkomen.

Het andere briefje ging het even slecht. Flossie ging naar huis, peinzende over een zeker Kate Greenaway-mutsje, dat Nell beloofd had voor hare nieuwe pop te zullen maken.

"Groen met rose lint," zeide zij zachtjes bij zich zelve toen zij de trap van het huis haars vaders opging. Alan lag in de veranda in een gemakkelijken stoel en rookte zijne zwarte pijp.

"Wat moet groen zijn?" riep hij lachend.--"Guineesche biggetjes of kangoeroes?"

"De hoed van Clarice Maud," zeide het kleine meisje, en opende dadelijk een ernstig gesprek met hem over de kleur, die hij het geschiktst vond voor den wintermantel van dezen wassen jonge dame.

Toen wilde zij het huis binnen gaan.

"Wat steekt daar uit je zakje, Flossie?" zeide hij, toen zij hem voorbij liep.

Zij bleef even stilstaan en tastte in haar zak.

"O, dat had ik bijna vergeten, en ik heb beloofd, dat ik er aan zou denken,--hier is een briefje voor jou, Alan!" zeide zij, en gaf Meg's rampspoedig episteltje in de hand, voor welke het niet bestemd was.

HOOFDSTUK VIII.

EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE.

De schemering had zich zeer kalm en zeer ongemerkt uitgebreid over den tuin, en de grasvelden, en de rivier. Er was een zwak windje aan den waterkant, maar het scheen na dezen warmen, langen dag bijna te moede om zich te verheffen en het water te rimpelen. Langzaam, zeer langzaam nam het grauwe, stille licht af, en een of twee bleeke sterren begonnen daar hoog, boven in de lucht, te stralen. In de verte, achter de gomboomen, aan gene zijde der rivier, stond eene nog bleeker maan; reeds kon eene streep van het water haar een glimlach toezenden. Meg hoopte, dat zij niet vóór acht uur boven de kronen der boomen zou gerezen zijn, want dan zouden de uitgestrekte grasvelden in een stroom van maanlicht baden, en zij zou kunnen gezien worden. Onder de thee, en gedurende het eerste gedeelte van den avond, was zij afgetrokken en prikkelbaar in haar angst, en twee of drie maal snauwde zij Bunby tamelijk onvriendelijk af.

Van een uur of zes af had hij onophoudelijk om haar heen gedraaid.

Het was een karaktertrek van dezen kleinen jongen, dat, wanneer hij de verleiding niet had kunnen weerstaan en van het pad der waarheid was afgeweken, hij volkomen ongelukkig was, tot hij gebiecht had, en met zijne vieze handjes in zijne schreiende oogen had gewreven, tot hij een beeld bood "om van te droomen, maar niet om te beschrijven."

Pip zeide, dat dit kwam omdat hij een lafaard was, en de zedelijken moed miste om te gaan slapen met eene leugen op zijn geweten uit vrees van te zullen ontwaken en een engel met een vlammend zwaard naast zijn bed te zien staan. En tot mijn spijt moet ik toegeven, dat dit eene meer ware beschouwing van het geval was, dan wanneer men aannam, dat de kleine jongen werkelijk overtuigd was van het afkeuringswaardige zijner daad, en niets liever wenschte, dan haar weder goed te maken. Want als de gelegenheid zich maar voordeed, zou hij den volgenden dag weer struikelen, en 's avonds naar dezen of genen toekruipen en, met zijne vuistjes in zijne oogen, stamelen, dat hij: "iets gezegd had, dat niet waar was, boe-hoe!"

Tegen zeven uur was hij dus dezen avond buitengewoon berouwvol gestemd geweest; verscheidene tranen waren langs zijne wangen gerold, en hadden zich vermengd met den inkt van het huiswerk, dat hij bezig was voor de gouvernante te maken. Hij installeerde zich naast Meg's elleboog, en bleef naar haar opzien met een treurigen smeekenden blik, die haar in groote verlegenheid bracht, want zij was door zijn vreemd gedrag begonnen te vermoeden, dat hij op de eene of andere wijze den inhoud van het briefje vernomen had, en haar van haar voornemen zocht af te houden. Hoe langer hij haar bleef aanstaren, hoe rooder zij werd, en hoe minder zij zich op haar gemak begon te gevoelen.

"Je mag mijne nieuwe c-c-catapult hebben!" fluisterde hij met een droevigen, teederen blik, dien zij als eene bede om veilig thuis te blijven uitlegde.

Eindelijk stonden de wijzers op acht uur, en op een oogenblik dat de kinderen een hevigen woordenstrijd voerden over het bezit van een hond, die in den middag Misrule was binnengeloopen, sloop zij onbemerkt de kamer uit. Er was niemand in de vestibule, en zij nam het luchtige, flatteerende doekje, dat zij daar verborgen had, sloeg het om het hoofd, en liep de zijdeur uit en het pad op.

In den tuin was de grond wit van de afgevallen rozenbladeren, en de lucht vervuld met hunne laatste geuren; lang, slank pampasgras teekende zich met sierlijke lijnen tegen de lucht af; eenige inlandsche boomen, die tusschen de gekweekte heesters waren blijven staan, strekten zilverwitte armen omhoog naar de maan, en maakten een spookachtigen indruk op het voortsnellende meisje. Zij vloog het hek uit en naar het eerste grasveld, waarheen de rozengeur niet meer kwam, en waar alleen eene scherpe hooilucht in de stille atmosfeer zweefde. Zij zag meer gomboomen, en meer witte spookachtige armen; opeens bewoog zich iets bij het hek, eenige zacht gefluisterde woorden werden geuit, en Meg stootte vol schrik een kreet uit.

"Hier is de c-c-c-catapult, Meg! neem haar maar!" zeide Bunby, met een bleek en treurig gezicht.

"Akelige jongen! wat kom je hier doen?" zeide Meg boos, zoodra zij van haar schrik bekomen was.

"Ik wilde je alleen maar een genoegen doen, M-M-Meggie!" zeide de kleine jongen droevig snikkend.

Hij had zijne beide armen om haar middel geslagen, en begroef zijn neus in hare wit mousselinen japon. Zij schudde hem haastig van zich.

"Goed, goed; dank je!" zeide zij. "Ga nu naar huis, Bunby! Ik wilde in den maneschijn alleen eene wandeling maken."

Hij stopte zijne vingers zoo diep in zijne oogen als maar eenigszins mogelijk was, opende zijn mond, en zijne onderlip trok hij al lager en lager naar beneden.

"Ik--ik heb je iets verteld, wat--wat niet waar is!" zeide hij schreiend, en heen en weer wiegelend waar hij stond.

"Zoo? Nu, het is goed! Ga nu maar naar huis!" zeide zij ongeduldig. "Je vertelt altijd onwaarheden, Bunby, dus ben ik volstrekt niet verwonderd. Kom, ga nu!"

"M-maar ik moet je er a-alles van zeggen!" zeide hij, nog altijd bezig zijne oogen in zijn hoofd te drukken.

"Het is niet noodig! Voor dezen keer zal ik je vergeven!" zeide zij grootmoedig, "maar je moogt het niet meer doen. Ga nu maar gauw naar huis, of anders kom je niet klaar met je werk, en dan straft miss Marsh je."

Zijne oogen kwamen weer op hun gewone plaats terug, en zoo ook zijne handen. Met een volkomen verlicht hart ging hij naar huis. Toen hij een paar stappen geloopen had, kwam hij terug.

"Ben je erg gesteld op de catapult, Meg?" zeide hij vleiend. "Je bent maar een meisje, en dus denk ik, dat je er niet veel aan zult hebben!"

"Neen, ik heb er niets aan. Hier, daar heb je haar, en denk aan je werk!" antwoordde Meg, ongeduldig nu hij zoo treuzelde.

En Bunby, buitengewoon gelukkig, wendde zich voor de tweede maal van haar af en liep vroolijk heen.

In wilde haast, bevende, snelde Meg door de twee nog overige grasvelden.

In het struikgewas aan het einde was alles stil; er was geen geritsel, geen geluid van eene stem, en ook weerklonk niet het geaffecteerde lachje, dat gewoonlijk Aldith's aanwezigheid aankondigde.

Meg bleef ademloos staan en gluurde door de takken; eene lange gestalte leunde tegen het hek.

"Andrew!" riep zij met gedempte stem, en vergat in haar angst, dat zij hem nooit bij den naam noemde. "Waar zijn de anderen? Is Aldith niet gekomen?"

Zij rook een sigaar, en dichterbij komende, zag zij tot haar doodelijken schrik dat het Alan was.

"O!" riep zij op onbeschrijfelijken toon.

Haar hart bonsde van schrik en schaamte, en scheen toen stil te staan.

Zij zag hem aan alsof zij hem smeekte niet al te slechte gedachten van haar te koesteren, maar zijn gelaat vertoonde de uitdrukking van minachting, die zij begonnen was zoo te vreezen, en zijne lippen krulden zich tot een fijnen glimlach.

"Ik--ik wilde alleen maar even eene wandeling maken; het is zulk een mooien avond!" zeide zij, met een akelig gevoel van machteloosheid, en toen als om zich te rechtvaardigen, voegde zij er bij: "en dan, het zijn de weiden van mijn vader!"

Hij bleef tegen het hek leunen, en keek op haar neer.

"Flossie gaf mij uw briefje, en omdat het voor mij bestemd scheen, en zij mij buitendien zeide, dat het voor mij was, maakte ik het open," sprak hij.

"U wist, dat het voor Andrew was!" zeide zij, maar zij keek hem niet aan.

"Dat vermoedde ik, toen ik het gelezen had," antwoordde hij langzaam; "maar Andrew is van avond nog niet thuis geweest, en dus kwam ik in zijne plaats, het is hetzelfde, als het maar een jongen is, nietwaar?"

Het meisje gaf niets ten antwoord, maar hief hare hand op, en trok het doekje dichter om haar hoofd.

Zijne lippen krulden zich iets meer.

"En hoe men kust weet ik ook, dat verzeker ik u ... Waarschijnlijk had u dat van mij niet verwacht! O ja, ik weet wel, dat u gezegd heeft, dat u niet gekust wilde worden, maar dat zeggen de meisjes altijd, nietwaar?--zelfs wanneer zij het anders meenen."

Altijd sprak Meg nog niet, en de kalme, onbarmhartige stem vervolgde:

"Ik vrees, dat het nog wel niet donker genoeg voor u is. De maan is al heel vervelend, vindt u ook niet? Maar, we kunnen misschien een eindje verder nog wel eene donkerder plek vinden, en dan kan ik u zonder gevaar zoenen. Nu? is u altijd zoo stil met Andrew?"

"O, spreek niet zoo!" zeide Meg met smeekende stem.

Dadelijk liet hij den spottenden toon varen.

"Miss Meg, u leek vroeger zulk een flink, aardig meisje," zeide hij bedaard, "waarom laat u zich bederven door die afschuwelijke Aldith MacCarthy, want zij is afschuwelijk, hoewel u er misschien niet zoo over denkt."

Meg sprak niet, en bewoog zich niet, en hij vervolgde met een vriendelijken ernst, waartoe zij hem niet in staat had geacht.

"Ik heb haar op de boot gade geslagen, en gezien hoe zij u systematisch bedierf, en ik kon niet nalaten te denken, hoe jammer dat is. Ik heb mij voorgesteld wat ik zou voelen, wanneer mijn klein zusje Flossie ooit in de handen van zulk een meisje viel, en begon te coquetteeren en zich dwaas aan te stellen, en ik dacht er toen ook aan, of u het mij zou kwalijk nemen, als ik er met u over sprak. Is u zeer boos op mij, Miss Meg?"

Maar Meg leunde het hoofd tegen het ruwe hek, en begon te snikken--kleine, droge, innig droevige snikken, die tot het gevoelige hart van den jongeling spraken.

"Ik had niet zoo moeten spreken, als ik in het begin deed--ik ben een lomperd geweest," zeide hij vol berouw, "vergeef het mij, wil u? och, doe het, Miss Meg, ik zou liever mijne hand afhouwen, dan u werkelijk pijn doen!"

Dit laatste was ten minste een kleine troost, en Meg hief eene halve seconde lang het hoofd op; wit en ernstig was haar gelaat in het maanlicht, en nat van tranen.

"Ik--ik--o! ik ben heusch niet zoo slecht als u denkt," zeide zij deemoedig; "ik wilde in het geheel niet gaarne deze wandeling maken, en o! heusch, heusch, heusch, ik zou niemand toestaan mij te zoenen. Geloof het toch!"

"Ik geloof u, ik geloof u werkelijk," zeide hij met overtuiging; "ik heb het alleen gezegd, omdat--wel, omdat ik een groote, ruwe lomperd ben, en niet weet hoe ik met een teer, zacht meisje moet spreken. Lieve Miss Meg, geef mij uwe hand en zeg mij, dat u mijne onbesuistheid vergeeft."

Meg strekte eene kleine, witte hand uit, en hij drukte deze met warmte. Toen liepen zij samen door de grasvelden, en scheidden bij een gebroken hek, dat toegang gaf tot den tuin.

"Ik zal nooit meer coquetteeren zoolang als ik leef!" zeide zij met grooten ernst, toen hij afscheid van haar nam; en hij antwoordde bemoedigend:

"Ik ben er van overtuigd, dat u het niet zal doen--dat is iets voor meisjes als Aldith! U moest alleen maar daarop gewezen worden. Vaarwel, Miss Meg!"

HOOFDSTUK IX.

GEVOLGEN.

"Hoe kwam het toch, dat gij dit deedt? Berouw komt spoedig, zoo ge weet!"

Maar Megs moeielijkheden waren nog niet ten einde. Toen zij het huis binnentrad, kwam Nell in de vestibule op haar toe geloopen, en staarde haar aan.

"Waar ben je toch geweest?" zeide zij, en hare ronde oogen waren een en al verbazing. "Ik heb je overal gezocht."

"Waarom?" vraagde Meg kort.

"Dokter Gormeston en Mevrouw Gormeston en twee dames Gormeston zijn in het salon, en ik geloof, dat ze heelemaal niet meer weg gaan."

"Nu?" zeide Meg.

"En de Generaal is weer ziek, en Esther zegt, dat zij hem voor niets en voor niemand eene seconde alleen wil laten."

"Nu?" zeide Meg nog eens.

"En vader is zoo kwaad als hij maar zijn kan, en hij moet ze allen bezig houden. Hij heeft: "Mijn eerste liefde" en "Mona" gezongen, en hij heeft hun alles van zijne paarden verteld, en nu denk ik, dat hij niet weet, wat met hen te beginnen!"

"Nu, daar kan ik niets aan doen," zeide Meg met moede stem, en alsof wat Nellie zeide, haar in het geheel niet aanging.

"Dat zal dan toch wel dienen!" riep Nell scherp. "Ik heb gedaan wat ik kon, hij heeft om de meisjes gezonden, en omdat jij er immers niet was, waren er alleen Baby en ik."

"En wat hebben jelui gedaan?" vraagde Meg, nieuwsgierig tegen wil en dank.

"O, Baby heeft met de eene juffrouw Gormeston zitten praten, en zij vraagden mij, iets op de piano te spelen," sprak zij, "en dus heb ik mijn nieuwe stukje gespeeld. Toen ik er mede klaar was, merkte ik eerst dat er twee kruisen aan den sleutel staan," voegde zij er treurig bij. "En toen heeft Baby aan mevrouw Gormeston verteld hoe Judy den Generaal in de kazerne heeft gelaten, en hoe zij daarom naar de kostschool gezonden is, en van den groenen kikvorsch, dien Bunby haar gegeven heeft, en toen zeide vader, dat wij maar liever naar bed moesten gaan, en vraagde, wanneer jij nu toch eindelijk kwaamt."

"Ik ga, ik ga!" zeide Meg haastig, "hij zal er morgen vreeselijk woedend om zijn. En, Nell, ga Martha zeggen, dat zij over een half uurtje wijn en koekjes binnen brengt."

Zij wierp haar shawltje af, bracht vlug het haar in orde, en keek in den spiegel der vestibule of de nachtwind de sporen harer tranen had weggevaagd.

Toen ging zij het salon binnen, waar haar vader stond, met een hoogrood en ongelukkig gezicht zijn best doende om vier gasten te amuseeren, die tot het soort, gewoonlijk bekend als "zwaar op de hand," behoorden.

"Speel eens iets, Meg!" zeide hij, toen de begroeting was afgeloopen, en allen in een diep zwijgen dreigden te vervallen; "of zing eens, dat is nog beter,--heb je niet iets om te zingen?"

Nu had Meg eigenlijk eene aangename, frissche, niet zeer sterke stem, naar welke men wel met genoegen kon luisteren, maar dien avond was zij vermoeid en opgewonden en treurig. Zij koos een eenvoudig lied en zong dikwijls valsch en zonder de minste uitdrukking.

Zij wist, dat haar vader, zoolang haar gezang duurde, op heete kolen stond, en dat hare fouten hem doodelijk ergerden, en toen het lied geëindigd was, begon zij, liever dan zich om te keeren, en allen aan te moeten zien, Kowalski's Marche Hongroise te spelen. Maar de toetsen schenen naar haar toe te komen en hare handen te willen grijpen, en de piano scheen te wankelen en verontrustend heen en weer te schuiven; zij liet een afschuwelijken dissonant hooren, toen zij, om zich vast te houden, naar den muzieklessenaar greep, en gleed een oogenblik later van den stoel en viel flauw, juist in Dr. Gormeston's armen, die gelukkig bij tijds uitgestrekt werden.

Opgewonden, overprikkeld als zij was, had de drukkende warmte van het salon haar bevangen.

Kapitein Woolcot was buitengewoon geschokt door dit voorval; met geen enkele van zijne kinderen was ooit te voren zoo iets gebeurd, en toen Meg op de sofa lag, en haar blond hoofdje tegen de roode kussens steunde, terwijl haar gelaat zoo bleek en zielloos was, geleek zij wonderlijk veel op hare moeder, die hij nu vier jaren geleden naar het kerkhof gebracht had. Hij ging naar den filter om een glas water te halen, en, terwijl het vocht uit de kraan liep, dacht hij er dof en werktuigelijk over na, of zijne kleine gestorven vrouw misschien ook dacht, dat hij te snel had gehandeld, toen hij Esther tot hare opvolgster koos. En daarop, terwijl hij naast de sofa stond, en naar dat gelaat keek, dat zooveel had van dat eener doode, dacht hij met eene koude huivering, of Meg ook zou sterven, en wanneer dit gebeurde, of zij dan die zelfde kleine vrouw zou kunnen zeggen, dat Esther aan zijne zijde meer liefde ondervond dan haar deel was geweest.

Zijn gepeins werd afgebroken door de scherpe, verbaasde stem van den dokter. Hij sprak met Esther, die haastig was geroepen, en die Megs taille had helpen openhaken.

"Het meisje heeft zich veel te veel geregen!" zeide hij. "Dat moet u toch ook opgemerkt hebben, mevrouw! Wanneer die drukking altijd even sterk is geweest, dan was die alleen al genoeg, om haar half dood te maken. Eene flauwte!--het verbaast mij, dat haar zoo iets niet eerder overkomen is!"

Eene wolk trok over Esther's liefelijk, nu zoo bezorgd gelaat--nog eens was zij in het uitoefenen harer taak te kort geschoten. Haar echtgenoot keek haar met een duisteren blik aan, terwijl hij bij de sofa stond, waarop de jonge gestalte in hare verkreukte mousselinen japon lag, en haar hart zeide haar, dat zij niet als eene moeder voor deze kinderen zorgde.

Later, toen Meg te bed lag en alles meer tot kalmte was gekomen, zocht zij bijna schuchter haar echtgenoot op.

"Ik ben eerst twintig, Jack! Wees niet hard!" zeide zij met een snik. "Ik kan niet geheel voor hen zijn, wat zij voor hen was, is het wel zoo?"

Hij kust het jonge, schoone hoofd dat tegen zijn schouder lag, en sprak een paar teedere woorden tot haar. Maar telkens en telkens weer stond hem dien nacht Megs wit, onbeweeglijk gelaat voor den geest, zooals het op de roode kussens gelegen had, en hij wist, dat de wind, die de gordijnen voor het venster bewoog, enkele minuten geleden met het lange gras op het kerkhof gespeeld had.

HOOFDSTUK X.

BUNBY ALS HELD.

Het was weer eens uitgekomen, dat Bunby een geheel weefsel van onwaarheden had verteld. Het was ditmaal een ernstig geval, en hij gevoelde zich naar verhouding ongelukkig. Iedereen was uit behalve Meg, die nog te bed lag na haar aanval van bewusteloosheid, en hij was op een der grasvelden eenzaam een spelletje cricket gaan spelen. Maar zelfs niettegenstaande een spiksplinternieuwen cricketbal kan dit spel na een poosje alle bekoorlijkheid verliezen, wanneer men geheel alleen voor alles staat. Dus bracht hij weldra zijn bal naar den tuin, en begon op goed geluk met den bal te gooien, terwijl hij er over mijmerde, wat hij zou beginnen. Het paard van zijn vader stond aan het andere einde van het grasveld, en loom en zonder na te denken ging Bunby naar dien kant en wierp toen zijn bal rakelings over den grond naar het dier toe om het "eens op te laten springen." Niets lag verder van hem af dan de gedachte, het dier te willen kwetsen, en toen de bal tegen den poot van het paard sloeg, en het hinkend weg liep, vloog hij naar hem toe, bleek en vol angst. Aan de manier, waarop het arme dier den poot hield opgetrokken, en trilde, wanneer hij het aanraakte, kon hij merken, dat hij het ernstig bezeerd had. Een doodelijke schrik greep hem aan, en hij liep haastig weg, vervuld met zijne gewone gedachte, van zich ergens te willen verbergen. Maar tot zijne hevige ontsteltenis zag hij, toen hij het grasveld reeds half achter zich had, zijn vader met een kameraad door de poort van het tuinhek komen en langzaam in de richting van het paard, dat zeer kostbaar en fraai was, voortloopen.

Vol berouw over wat hij gedaan had, verborg hij den cricketbal voor in zijn matrozenbuisje, en nadat hij zich plotseling op zijne knieën had laten vallen, begon hij met grooten ijver te knikkeren. Zijn bevende duim had ongeveer een dozijn knikkers her- en derwaarts gestuurd, toen hij luide zijn naam hoorde roepen.

Hij stond op, klopte het stof van zijne trillende beenen, en ging langzaam naar zijn vader.

"Ga Pat zeggen, dat hij dadelijk hier moet komen!" zeide de kapitein. Hij hield den poot van het paard in zijne hand en onderzocht dezen vol angst. "Als hij er niet is, zend Pip dan. Ik kan niet begrijpen, hoe het gekomen is--weet jij er iets van, Bunby?"

"Wel neen, natuurlijk niet! Ik heb--niets gedaan!" antwoordde Bunby klappertandend, maar zijn vader was te afgetrokken om de duidelijke kenteekenen van zijne schuld op te merken, en zeide hem dadelijk heen te gaan.

Dus ging hij naar den stal, en zond Pat naar zijn vader.

En toen sloop hij het huis binnen, kaapte twee appels en een cake uit de eetkamer, en ging weer heen om diep wanhopig te zijn tot het oogenblik, waarop hij zou biechten.

Hij kroop naar een leeg staand gebouwtje niet ver van het woonhuis gelegen; in vroegeren tijd was dit een stal geweest, en het had twee verdiepingen, waarvan de bovenste alleen bereikt kon worden door middel van een ladder, die zich in een toestand van groot verval bevond. Bunby klauterde naar boven, zette zich innig bedroefd op een bos stroo neer, en begon peinzend op een der appels te bijten.

Wanneer er ooit een kleine jongen eene verstandige, liefhebbende moeder noodig had, dan was het wel dit ventje met zijn bemorst gezicht en zijn bezwaard hart, dat met zijn hoofd tegen een balk vol spinrag zat en neerslachtig mompelde: "Ik kan het niet helpen! Het was de schuld van het paard!"

Hij meende iets te hooren bewegen op den tweeden zolder, welke door een laag beschot van dien, waarop hij zat, gescheiden was. "Kischt--kischt, maakt dat je wegkomt!" riep hij, denkende, dat er ratten waren. Verscheiden malen stampte hij met zijne zware laarzen op den vloer.

"Kischt!" riep hij nog eens.

"Bunby!"

Het kind werd tot in de lippen bleek. Zijn naam, die daar zoo vreemd en zacht gefluisterd werd, dat geritsel zoo dicht in zijne nabijheid--o! wat zou dat beduiden!

"Bunby!"

Nog eens weerklonk zijn naam. Ditmaal luider, maar de stem, die hem uitsprak, was vermoeid, en de klank er van deed hem zonderling aan. Het geritsel werd hoorbaarder, er gleed iets over het beschot, liep over den vloer, en kwam naar hem toe. Hij snikte van angst en wierp zich plat op den grond, en verborg zijn gezicht, waaruit alle kleur geweken was, in het stroo.

"Bunby!" zeide de stem nog eens, en eene hand raakte even zijn arm aan.

"Help me--help me!" gilde hij. "Meg--vader--Esther!"

Maar op zijn mond werd haastig eene hand gelegd, en eene andere trok hem omhoog.

Hij had zijne oogen zeer vast gesloten, om den geest niet te zien, die, zooals hij wist, gekomen was om hem voor zijne zonden te straffen. Maar iets dwong hem, ze te openen, en toen--kon hij ze van verbazing niet weer sluiten.

Want het was Judy, die hare hand op zijn mond had gelegd, en Judy, die naast hem stond.

"Groote hemel!" zeide hij, vol innige verwondering. Hij staarde haar aan om zich te overtuigen, dat zij werkelijk van vleesch en bloed was. "Hoe kom jij hier?"

Maar Judy gaf geen antwoord. Zij nam eenvoudig den appel, die nog over was, en den cake uit zijne hand en, nadat zij was gaan zitten, at zij deze zwijgend op.

"Heb je niets anders?" vraagde zij angstig.

Toen merkte hij eerst op hoe mager zij was, en hoe slecht zij er uit zag. Hare kleederen hingen bijna in flarden om haar lichaam, hare laarzen waren gescheurd en wit van het stof, haar bruin gezicht was ingevallen en toonde scherpe lijnen, en haar haar was dof en hing woest in vlokken om haar hoofd.

"Groote hemel!" zeide Bunby nog eens, en zijne oogen schenen uit zijn hoofd te zullen rollen--"groote hemel, Judy, wat heb je uitgevoerd?"

"Ik--ik ben weggeloopen, Bunby!" zeide Judy met trillende stem. "Ik heb den geheelen weg, van de school tot hier, te voet afgelegd. Ik had zulk een verlangen naar jelui allen!"

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Bunby.

"Ik heb eerst alles goed overlegd," vervolgde Judy, terwijl zij met eene loome beweging, het haar naar achteren streek. "Ik kan mij nu niet alles herinneren, ik ben zoo moede, maar alles zal in orde komen."

"Maar wat zal hij zeggen?" riep Bunby met verschrikte oogen, want hij had aan zijn vader gedacht.

"Hij zal er natuurlijk niets van te weten komen," antwoordde Judy op een toon, alsof zij vond, dat dit van zelf sprak. "Ik zal hier op dezen zolder een tijdje wonen, en jelui kunt mij hier allen komen bezoeken en mij eten en allerlei brengen, en dan zal ik weer terug gaan naar school." Zij zonk achterover in het stroo en sloot gedurende een paar minuten uitgeput hare oogen; Bunby kon de oogen niet van haar afwenden.

"Hoe ver is het van je school tot hier?" zeide hij eindelijk.

"Zeven en zeventig mijlen." Judy trilde terwijl zij sprak. "Van Lawson tot Springwood heb ik in een goederentrein gezeten, en een klein eind heb ik ook nog in een kar afgelegd, maar overigens heb ik alles geloopen. Ik ben bijna eene week onderweg geweest," voegde zij er na een oogenblik zwijgens bij, en sloot toen weer voor geruimen tijd de oogen. Een paar tranen, die zij uit zwakte en uit medelijden met zich zelve schreide, drongen tusschen hare zwarte wimpers door en lieten een smal, helder spoor op hare wangen na. Bunby voelde, hoe zijn keel dichtgenepen werd bij dit gezicht, zoo lang hij zich kon herinneren, had hij Judy nooit zien schreien. Hij liefkoosde hare magere hand, hij wreef zijn hoofd tegen haar schouder en zeide: "Houd je goed, houd je goed!" met min of meer onvaste stem.

Maar dit maakte, dat een half dozijn groote, zware druppels tusschen de gesloten oogleden doorstroomden, en Judy draaide zich om, en legde zich voorover om hare tranen te verbergen. Toen richtte zij zich in eene zittende houding op, en begon werkelijk te lachen.

"Als nu de dames Burton mij eens konden zien!" zeide zij. "O, ik heb alles zoo slim bedisseld; zij denken, dat ik veertien dagen te logeeren ben in Katoomba--o Bunby, je moest de krullen eens kunnen zien, die Miss Marian tegen haar wangen geplakt draagt!" Zij zweeg, lachte zenuwachtig opgewonden, en begon toen te hoesten, tot de tranen weer in hare oogen kwamen.

"Ga gauw iets voor mij halen om te eten," zeide zij wrevelig, toen zij weer op adem kwam, "je kondt ook wel eens bedenken, dat ik sedert gisteren morgen niet gegeten heb; maar, je hebt altijd alleen aan je zelven gedacht, Bunby!"

Hij stond op en maakte zich gereed heen te gaan, alles in de grootste haast. "Wat wil je hebben? Wat zal ik halen?" zeide hij, en een been stond reeds op de bovenste trede.

"Alles is goed, als het maar veel is," zeide zij,--"het komt er niet op aan, wat het is! Ik geloof, dat ik dit stroo zou kunnen eten, en de balken zou kunnen stukbijten alsof ze van beschuit waren. Het heeft mij werkelijk moeite gekost, niet met jou te beginnen, Bunby! Je bent zoo dik, dat er aan jou menig goed kluifje moet zijn!"

In hare oogen tintelde de oude levenslust, maar zij begon opnieuw te hoesten, en toen de hoestbui bedaard was, lag zij uitgeput neer.

"Roep een van de anderen!" riep zij met zwakke stem, toen zijn hoofd verdween. "Jij alleen bent niet van groot nut!"

Zijn hoofd dook weer een oogenblik op, en hij beproefde met een glimlach het leed, dat hare woorden hem veroorzaakten, te verzetten, want juist op dat oogenblik zou hij zonder een zucht te slaken voor haar gestorven zijn.

"Het spijt mij erg voor je, Judy!" zeide hij vriendelijk, "maar alle anderen zijn uit. Kan ik je niet helpen? Ik zal alles graag voor je doen, Judy!"

Judy lette niet op het zachte gesnuif, dat de laatste woorden vergezelden, en keerde haar gelaat naar den muur.

Weer rolden twee groote tranen langs hare wangen.

"Hadden zij nu niet thuis kunnen blijven?" zeide zij met een snik. "Konden zij nu niet begrijpen dat ik mijn best zou doen, om terug te komen. Waar zijn zij?"

"Pip is gaan visschen," antwoordde hij, "en Nell draagt de mand voor hem. En Baby is bij de Courtney's, en Esther is met den Generaal naar de stad gegaan. En Meg ligt ziek te bed, omdat zij gisterenavond te stijf geregen was en flauw gevallen is."

"Zij zullen mij wel geen oogenblik gemist hebben!" was hare bittere gedachte, toen zij hoorde, hoe alles zijn gewonen gang ging, terwijl zij zooveel doorgemaakt had, alleen om hen allen te zien.

Toen kwam weer dat gevoel van zwakte terug, en zij sloot hare oogen en lag volkomen stil, tijd, plaats en honger vergetende.

Bunby spoedde zich met gevleugelden tred over het grasveld; het gezicht van zijn vader, die bij den stal stond, veroorzaakte hem een plotselingen schrik, en deed hem aan zijne eigen zorgen denken, maar deze gedachten zette hij van zich af, en vloog verder. De deur van de provisiekamer was gesloten. Martha, de keukenmeid, zorgde er wel voor, dat dit meestal het geval was, wegens zijne eigen zondige voorliefde voor hare taarten en gebakken; alleen door middel eener krijgslist zou hij er in kunnen komen, dit moest hij, tot zijn spijt, zelf inzien.

Maar Judy's honger! Geen eten gehad te hebben sedert gisteren morgen!

Hij herinnerde zich, zelfs nu nog met eene aandoening van pijn, het afschuwelijke gevoel dat hij de vorige week gehad had, toen hij voor straf zonder thee naar bed was gestuurd. Hij sloot de lippen vast op elkander en zijne oogen straalden van de geestdrift, waarmede een heldhaftig besluit hem bezielde.

In den zijmuur van het huis was het venster der provisiekamer; dikwijls had hij er verlangend naar opgezien, maar hij had nooit gewaagd er in te klimmen, want een vreeselijke, kruipende cactus wond zich tegen den muur.

Maar nu, voor Judy, zou hij het doen of sterven. Hij liep om het huis en naar het zijvenster; er was niemand te bespeuren, overal scheen het even rustig. Martha, dit had hij gezien, was in de keuken bezig met kooken, en het andere dienstmeisje witte de veranda aan de voorzijde van het huis. Hij wierp een vastberaden blik op de groote, puntige dorens, en klom in het volgende oogenblik tusschen hen door omhoog.

O, wat prikten en schramden zij hem! Zijn eene arm gaapte met eene groote wond, zijn linkerkous werd weggescheurd en een diepe roode schram werd op zijn been zichtbaar, zijne handen bloedden en trilden van pijn.

Maar hij had de vensterbank bereikt, en dat was zijn doel.

Hij schoof het kleine raam omhoog, en wrong met veel moeite zijn dik lichaampje er doorheen. Toen kwam hij op eene plank terecht, en liet zich van daar op den grond glijden. Hij had geen tijd om naar zijne kwetsuren te kijken, slechts een weemoedige blik sloeg hij op de breedste schram en begon toen naar proviand te zoeken. De provisiekamer was merkwaardig leeg--geen bewijsje van cakes, geen hapje gelei, geen gevogelte waar ook. Hij brak een groot stuk van een brood, en pakte zorgvuldig wat boter in een courant. Er stond nog koud vleesch op een schotel, hij sneed er een stevige homp van af, en vereenigde dit met een stuk van een zandtaart tot een pakket. Hij borg dit alles in zijn matrozenbuisje, en vulde zijne zakken met sinaasappels, geconfijte citroenschillen, krenten en andere lekkernijen, die hij alle in de stopflesschen vond. En toen maakte hij zich tot den moeielijken terugtocht gereed.

Hij klom op de plank, stak zijn hoofd buiten het venster, en wierp een wanhopigen blik op den cactus. En in het oogenblik, dat hij nederknielde, weerklonk achter hem het geluid, dat een sleutel maakt, als hij in een slot wordt omgedraaid.

Radeloos keek hij om zich heen,--daar stond Martha in de deur, en tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader, die zich in de gang bevond.

"Ik zoek de arnica!" zeide de kapitein. "Naar alle waarschijnlijkheid is zij in de provisiekamer, omdat ze daar niet hoort te zijn. Ik heb haar in mijne slaapkamer op den schoorsteenmantel laten staan, maar de een of ander schijnt noodig gevonden te hebben, er aan te komen. Waarom kunnen jelui toch niet met je handen van mijne zaken afblijven?"

"En waarom zou ik haar ergens anders gezet hebben?" antwoordde Martha. "Ik maak er mijn beslag niet mede aan, om het gebak luchtig te doen zijn, ten minste in den regel niet."

Zij schudde het hoofd, en door deze beweging werd zij de kleine, knielende, bevende gestalte bij het venster gewaar.

Nu was de deur maar half open, en haar meester stond juist op den drempel, dus kon zij alleen van het schouwspel genieten.

Tweemaal opende zij den mond om te spreken, maar Bunby keek haar zoo innig smeekend aan, dat zij hem weer sloot en zelfs de flesschen op de plank naast de deur begon na te zien, om hem gelegenheid tot ontsnappen te geven.

Nog ééne minuut en hij zou gered zijn geweest--nog ééne minuut en hij zou midden tusschen de doornen van den cactus hebben gehangen, die nu evenwel al het afschrikwekkende verloren hadden.

Maar het lot was hem niet gunstig. En dit kwam alleen, omdat Martha Tomlinson's schoen een afgeloopen hak had. Toen zij zich omdraaide glipte haar voet uit haar schoen, en om haar evenwicht te bewaren, strekte zij eene hand uit. En toen zij de hand uitstrekte stootte zij tegen eene kruik. En de kruik deelde den schok mede aan een schotel. Deze sloeg om, en schoof de groote melkkan van de plank, zoodat zij op den grond sloeg. Ik weet niet, of ge ooit beproefd hebt, een planken vloer schoon te maken, nadat er melk op gevallen was, maar in ieder geval ben ik er van overtuigd, dat ge u wel kunt voorstellen, dat het een onaangenaam werk is, vooral als ge hem denzelfden morgen pas duchtig geschrobd had. Men kan er zich dus eigenlijk niet over verbazen, dat Martha, in hare groote woede over het ongeluk, zich boos omwendde, en naar het kind wijzende, dat als versteend in het venster zat, op wanhopigen toon vraagde, hoe de goede heiligen het met dien akeligen jongen konden uithouden, haar geduld, in ieder geval, was ten einde.

De kapitein kwam met een woedenden stap de provisiekamer binnen, en commandeerde Bunby met luide stem, naar beneden te komen.

Het jongentje liet zich in hevigen angst op den grond glijden.

"Hij steelt en pakt overal wat weg, en hij liegt dat hij zwart ziet!" zeide Martha Tomlinson, terwijl zij met een onvriendelijken blik naar het ongelukkige kind keek.

Twee, drie, vier, vijf woedende tikken met de rijzweep, die de kapitein in de hand had, en Bunby dook onder zijn arm weg en vluchtte huilende de gang door en de achterdeur uit.

Hij liep over de grasvelden, en snikte bij iederen voetstap, maar voelde zich tegelijkertijd door het verheffende gevoel bezield, dat hij dit alles droeg terwille van een ander.

Had iemand hem dit vroeger voorspeld, dan zou hij het nauwelijks hebben kunnen gelooven, dat hij ooit zoo iets edels volbrengen zou, en de gedachte daaraan verzachtte de pijn, die de klappen en de schrammen hem veroorzaakten. Hij beproefde zijn gesnik te onderdrukken, toen hij het gebouwtje bereikte, en stopte zelfs voor dat doel eene handvol krenten in zijn mond, voor hij er was aangekomen.

Maar het gezicht, dat weer te voorschijn kwam door het luik naast Judy, was hoogst treurig, en droeg de sporen van tranen en van krabben.

Zij bewoog zich niet, hoewel hare oogen half geopend waren, en hij knielde neer en raakte haar schouder aan.

"Hier breng ik je wat, Judy! Wil je nu niet iets eten?"

Zij schudde langzaam het hoofd.

"Neem wat koud vleesch, of wat rozijnen; ik heb ook geconfijte citroenschil, als je daar soms meer zin in hebt!"

Zij schudde nogmaals het hoofd. "Neem alles maar weer mede weg!" zeide zij zacht kermend.

Diepe teleurstelling was op zijn klein, verhit gelaat te lezen.

"En ik heb doodsangsten uitgestaan om het te krijgen! He, wat ben je een akelig spook!" riep hij.

"Ach, ga heen!" kermde Judy, terwijl zij haar hoofd onrustig dan naar deze, dan naar gene zijde bewoog. "O, wat doen mijne voeten mij pijn! neen--mijn hoofd, en mijne zijde--o, ik weet niet wat ik heb!"

"Hier en hier heb ik slaag gehad," zeide Bunby, de plaatsen aanwijzende, en met zijne mouw veegde hij de dikke tranen weg, die hij om zijn eigen ongeluk geschreid had. "Die ellendige oude cactus heeft me overal gekrabd!"

"Denk je, dat ik nog veel mijlen zal moeten afleggen?" zeide Judy, en zoo vlug, dat de woorden in elkaar schenen te vloeien. "Ik heb honderden geloopen, en ben nog niet thuis. Ik denk, dat het komt, omdat de aarde rond is, en ik zal zeker spoedig het schoolhek weer binnen komen!"

"Wees niet zoo idioot!" zeide Bunby knorrig.

"Ik kan er zeker en stellig op rekenen, nietwaar Marian, dat je er nooit een woord van zult zeggen, ik vertrouw op je, en als je doet wat je beloofd hebt, kan ik naar huis gaan en weer terug komen, en niemand zal er ooit iets van weten. En leen mij twee shillings, wil je? Ik heb niet veel geld meer. Bunby, egoïste jongen, haal mij toch wat melk! Urenlang vraag ik je er al om, en je laat mij maar versmachten!"

"Eet wat vleesch, Judy!--ach Judy, wees niet zoo vreemd en onaardig, ik heb werkelijk doodsangsten uitgestaan toen ik het voor je haalde," zeide Bunby, en beproefde met trillende vingers een stuk in haar mond te duwen.

Het kleine meisje wierp zich op de andere zijde en begon weer te kreunen.

"Zeven en zeventig mijlen," zeide zij, "en gisteren heb ik elf geloopen, dat is dus elfhonderd zeven en zeventig--en zes den dag daarvoor omdat ik eene blaar op mijn voet had--dat is elfhonderd drie en tachtig. En als ik tien mijlen per dag loop, zal ik thuis zijn in elfhonderd drie en tachtig maal tien, dat is duizend en--en--hoeveel? hoeveel is het? Bunby, kind, kan je mij niet zeggen hoeveel? Mijn hoofd doet te veel pijn om uit te rekenen hoeveel jaren duizend en zooveel dagen in jaren zijn--dat is een jaar,--twee jaar--twee jaar--drie jaar voor ik er ben. O, Pip, Meg, drie jaar! O Esther! vraag hem, vraag hem of hij me niet wil laten thuiskomen! Drie jaar--drie--drie!"

De laatste woorden werden bijna gillend uitgestooten en het kind richtte zich op, en beproefde te loopen.

Bunby greep haar arm en hield haar vast.

"Laat me gaan, versta je mij niet?" zeide zij met heesche stem. "Zoo zal ik er nooit komen! Drie jaren, en zooveel mijlen!"

Zij duwde hem op zijde en wilde over den zolder loopen, maar hare knieën knikten en zij viel buiten kennis neer. "Meg--ik ga Meg halen!" zeide de kleine jongen met trillende, angstige stem, en hij gleed door de opening en spoedde zich naar huis.

HOOFDSTUK XI.

EENE VLUCHTELING.

Als een wervelwind stoof hij Meg's slaapkamer binnen. "Zij is in het oude gebouwtje, Meg, en, zeker weet ik het niet, maar ik denk, dat zij gek geworden is; en ik ben vreeselijk geslagen geworden, en de cactus heeft me bijna heelemaal open gekrabd, en ik heb toch niets gezegd. En nu wil ze niet eens eten. Zij is weggeloopen--ik geloof zeker, dat ze gek is!"

Meg beurde haar bleek, ontzet gelaat van het kussen op.--"Wie dan toch--wat--"

"Judy!" zeide hij, en barstte door overspanning in tranen uit. "Zij is in het oude gebouwtje, en ik geloof, dat zij gek is geworden!"

Meg stond langzaam op, deed hare kleeren aan, en zelfs toen nog niets van het avontuurlijke verhaal geloovende, ging zij met hem naar beneden.

In de vestibule ontmoetten zij hun vader, die juist uit wilde gaan.

"Ben je weer beter?" zeide hij tot Meg. "Je hadt den geheelen dag in bed moeten blijven, maar, misschien zal de lucht je goed doen."

"Dat denk ik ook," antwoordde zij werktuigelijk.

"Ik kom in de eerste uren niet naar huis--het zou zelfs kunnen zijn, dat Esther en ik eerst morgen ochtend terug kwamen."

"Goed!" sprak Meg.

"Pas vooral op de kinderen, en wees zelve voorzichtig--en, dat is waar ook, Bunby gaat vandaag zonder thee naar bed--hij zal niet van honger sterven, daar ben ik zeker van."

"Goed!" zeide het meisje nogmaals, en zij kwam eerst tot het besef van wat de laatste woorden beduidden, toen Bunby dicht bij haar elleboog verbolgen: "Gemeen!" fluisterde.

Toen kwam de dogcart voor, en de kapitein vertrok tot hunne onuitsprekelijke verlichting.

"Nu, wat is dit voor eene dwaze geschiedenis?" zeide Meg, terwijl zij zich tot haar broertje wendde. "Het zal wel weer een van je verzinseltjes zijn, kleine ondeugende jongen!"

"Kom maar mee!" antwoordde Bunby, en hij leidde haar door de grasvelden. Halverwege ontmoetten zij Pip en Nell, die vroeger dan plan was geweest van de vischvangst terugkwamen. Nellie keek treurig voor zich, en liep op een eerbiedigen afstand achter haar broeder aan.

"Men zou even goed een phonograaf mee kunnen nemen als Nellie!" zeide hij, een blik vol toorn op deze schuldige werpend. "Zij heeft den geheelen tijd door gebabbeld, zoodat ik geen oogenblik kans had, dat een visch zou aanbijten."

"Judy is thuis!" zeide Bunby, vol van het groote nieuws. "Niemand heeft haar gezien behalve ik, ik heb mijn leven voor haar gewaagd door op cactussen te klimmen en in vensters en wat al niet, en ik heb slaag gehad van vader, maar ik heb toch niets verteld, nietwaar, Meg? Ik heb haar hier in het oude gebouwtje ondergebracht, en heb vleesch en van allerlei voor haar gehaald--kijk nu toch eens even naar mijne beenen!"

Vol fierheid toonde hij zijne schrammen, maar Meg ging haastig verder, en Pip en Nellie volgden, een en al verbazing. Bij het gebouwtje gekomen stonden zij stil.

"Het is een grap van Bunby!" zeide Pip verachtelijk. "Het is nog niet de eerste April, mijn zoon!"

"Kom dan toch mee!" antwoordde Bunby, en klom omhoog. Pip volgde, en stootte een zachten kreet uit; daarop klauterden Meg en Nell, met meer moeite, naar boven, en toen was het gezelschap bijeen.

Judy was tot rust gekomen, en lag met wijd geopende oogen, moede, naar de dakbalken te staren.

Zij keek hen glimlachend aan, toen zij zich allen om haar schaarden. "Als Mahomet niet naar den berg wil komen..." zeide zij, en hoestte toen twee of drie minuten lang.

"Wat ben je begonnen, Judy, zusjelief?" zeide Pip, met eene vreemde trilling in zijne stem. Het gezicht van zijne lievelingszuster, die mager, met holle wangen, uitgeput daar neer lag, greep zijn warm jongenshart aan. Er kwam een nevel voor zijne oogen.

"Hoe ben je hier gekomen, Judy?" zeide hij, sterk met de oogleden knippend.

En het meisje keek tot hem op met haar eigenaardigen, stralenden blik. "Rijpaardjes houden ze er bij ons op school niet op na," zeide zij, "maar misschien dacht je, dat ik in een ballon hierheen was komen drijven?"

Weer hoestte zij.

Meg viel op hare knieën en sloeg hare armen om haar klein, mager zusje.

"Judy!" riep zij. "O, Judy, Judy, mijn arm kind!"

Judy lachte even en noemde haar dwaas, maar weldra verdween die opgeruimde stemming en begon zij zenuwachtig te snikken. "Ik heb zulk een honger!" zeide zij ten laatste droevig.

Alle vier sprongen op, als wilden zij de gezamenlijke magazijnen van Sydney leeg gaan dragen, om haar honger te stillen. Maar Meg ging weer zitten en legde het hoofdje met de woeste krullen in haar schoot.

"Pip, ga jij naar huis," zeide zij, "en haal wijn en een glas, en in den vliegenkast staat een gebraden kip; ik kreeg daar een gedeelte van bij den lunch, en Martha zeide, dat zij het overblijvende zou wegzetten, en dat ik het bij de thee kon krijgen; en kom gauw terug, Pip!"

"Natuurlijk!" zeide Pip bij zich zelven, en hij vloog de trap af, naar het woonhuis.

"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Martha, toen zij hem vijf minuten later in de gang tegenkwam, en hij eene karaf van geslepen glas onder den arm had, een wijnglas bij zich had dat hij met de tanden bij den voet vasthield, en een schotel met koude kip in zijne hand droeg, waarop ook nog een stapeltje boterhammen lag. "Wel heb ik van mijn leven! En wat nu nog meer?"

"Loop naar je grootje!" zeide Pip, stormde haar in groote haast voorbij, en maakte een omweg om naar het gebouwtje te komen, daar hij dacht, dat zij hem wellicht bespiedde.

Hij knielde naast zijn zusje neer, en verkwikte haar met kleine stukjes kip en teugen wijn, en streek over haar woesten haardos, en noemde haar wel vijftig maal zijn liefste zusje, en smeekte haar toch vooral nog een beetje te eten.

En Judy, die den blik der bruine, vochtige oogen boven haar, opving, at alles wat hij haar gaf, hoewel het haar in het begin bijna onmogelijk scheen. Zij zou hebben gegeten, al had hij haar olifantshuid aangeboden, nu zij gevoelde, dat zij van dezen broeder meer hield, dan van wien ook op de geheele wereld, en dat hij zulk een verdriet had. En het voedsel deed haar goed, zij ging opzitten en praatte na eene korte poos op geheel natuurlijken toon.

"Je hadt het heusch niet moeten doen, Judy, heusch niet! En wat vader tegen je zal zeggen, nu, dat zullen we moeten afwachten."

"Hij zal er nooit iets van weten, dat ik hier ben," antwoordde zij snel. "Ik zou het jelui nooit vergeven, als je het hem verteldet. Ik kan maar eene week hier blijven. Ik heb alles uitstekend ingericht, en ik zal op dezen zolder logeeren; vader komt hier nooit, dus ben ik hier veilig, en jelui komt mij eten brengen. En na eene week"--zij zuchtte diep, "moet ik weer weg!"

"Heb je werkelijk al die mijlen geloopen alleen om ons weer te zien?" zeide Pip, en weer was er die vreemde trilling in zijne stem.

"Een paar maal onder weg heb ik kunnen sporen of rijden," zeide zij, "maar overigens heb ik altijd geloopen, ik ben bijna eene week onderweg geweest."

"Hoe heb je dat kunnen uithouden, Judy? Waar sliep je, wat at je?" riep Meg uit, met groote droefheid.

"Dat ben ik bijna alweer vergeten!" zeide Judy, en zij sloot hare oogen. "Ik heb aan kleine woningen om eten verzocht, en soms vraagde men mij, of ik niet wilde blijven slapen. En dan had ik nog drie shillings en zes pennies--daar ben ik lang mede toegekomen. Ik heb maar twee nachten buiten geslapen, en toen had ik toch altijd mijn manteltje."

Megs gelaat was bleek van ontsteltenis, bij het verhaal van haar zusters avonturen. Zeker zou geen ander meisje dan Judy Woolcot op het buitensporige denkbeeld zijn gekomen al die mijlen te voet af te leggen met drie shillings en zes pennies in den zak.

"Hoe heb je het kunnen doen?" was alles, wat zij zeide.

"Ik was niet van plan geweest, den geheelen weg te loopen," zeide Judy met een flauw glimlachje. "Ik had zeven shillings in een stukje papier in mijn zak gestoken, evenals de drie shillings en de zes pennies, en ik wist, dat ik daarvoor een heel eind zou kunnen komen met den trein. Maar ik verloor het eene papiertje onder weg, en ik wilde daar niet voor teruggaan, dus moest ik natuurlijk loopen."

Meg raakte hare wang even aan.

"Het is geen wonder, dat je zoo mager geworden bent!" zeide zij.

"O, Marian en ik hebben alles bedisseld!" zeide Judy, met een glimlach. "Marian is mijn vriendinnetje en zij doet alles wat ik haar zeg. En zij woont in Katoomba."

"Nu?" zeide Meg nieuwsgierig, toen hare zuster zweeg.

"Nu, zie je, heel veel meisjes op school hebben de mazelen, en dus moest Marian thuis komen, want hare familie was bang dat zij ze ook zou krijgen. En Marians moeder had mij gevraagd, een veertien dagen mede te komen, en dus had Miss Burton aan vader geschreven en gevraagd of ik mocht. En toen heb ik een brief geschreven en gevraagd, of ik die veertien dagen niet liever thuis mocht komen."

"Daar heeft hij nooit iets van gezegd!" zeide Meg zacht.

"Neen, dat kan ik wel begrijpen. Nu, hij heeft terug geschreven en antwoordde mij "neen" en haar "ja." En dus brachten zij ons op een goeden dag naar den trein, en in Katoomba zouden wij afgehaald worden. En toen wij onderweg waren, kwam ik plotseling op de gedachte: "Waarom zou ik niet op mijn eigen houtje naar huis gaan?" Dus zeide ik Marian, dat zij thuis moest vertellen, dat ik naar huis was gegaan, en dat zij haar verhaal zoo moest inrichten, dat niemand er aan zou denken, hierover aan Miss Burton te schrijven. En toen hield de trein in Blackheath op, en ik sprong er uit, en zij ging naar Katoomba, en ik kwam naar huis. Dat is de geheele geschiedenis. En dus, jelui begrijpt, daar ik mijn geld verloren had, bleef mij niets over dan te loopen."

Meg streek over het stoffige, verwarde haar van haar zusje.

"Maar je kunt hier niet eene week lang logeeren!" zeide zij bezorgd. "Door het slapen in de open lucht heb je je eene ernstige verkoudheid op den hals gehaald, en ik ben er van overtuigd, dat je ziek bent. Wij zullen alles aan vader moeten zeggen. En ik zal hem verzoeken, je niet terug te zenden."

Judy vloog op, hare oogen fonkelden.

"Als je dat doet," zeide zij, "als je dat doet, dan loop ik van avond nog weg naar Melbourne, of naar Jeruzalem, en dan kom ik nooit, nooit weer terug! Hoe kom je daar aan, Meg? Nadat ik dit alles gedaan heb, alleen maar opdat hij er niets van zou weten! O, hoe kom je er aan?"

Zij wond zich tot een hevigen toestand van overspanning op.

"Je begrijpt immers wel, Meg, dat ik eenvoudig morgen weer naar school zou worden gestuurd. Is dat niet zoo, Pip? En op school zou mij op den koop toe nog heel wat te wachten staan. Mijn plan is zoo eenvoudig mogelijk. Ik heb hier eerst een week lang pret met jelui, en dan ga ik weer terug naar school--jelui kunt mij allen geld leenen voor den trein. Den 25sten ontmoet ik Marian in Katoomba; we zullen samen terugkeeren en niemand zal ooit iets te weten komen. Die hoest beduidt niets; vroeger heb ik ook altijd gehoest, en het heeft mij nooit kwaad gedaan. Zoolang jelui mij genoeg eten brengt, en bij mij komt, is alles in orde."

De rust en het voedsel en het zien der welbekende gezichten hadden haar reeds goed gedaan, haar gelaat was minder spits, en een zacht rose tintte langzaam hare wangen.

Meg had een beklemmend gevoel van verantwoordelijkheid, en zij achtte zich verplicht, ten minste aan iemand het gebeurde te vertellen; maar de anderen overreedden haar.

"Zoo laag zou je toch niet kunnen zijn, Meg!" had Judy met overtuiging gezegd, toen zij gesmeekt had Esther alles te mogen vertellen.

"Zulk een flapuit!" had Bunby er toe gevoegd.

"Zulk een verachtelijk schepsel!" had Pip uitgeroepen.

En dus zweeg Meg, maar was buitengewoon ongelukkig.

HOOFDSTUK XII.

ZWIEP, ZWIEP!

Op den vierden dag van Judy's verblijf op den zolder, deelde Martha Tomlinson haar kameraad en lijdensgenoot, Bridget, mede, dat zij geloofde, dat de kinderen samen zwoeren om haar naar "den overkant" te krijgen.

Bridget had dien nacht niet buitengewoon goed geslapen, en dus gaf zij als antwoord de opmerking ten beste, dat zij veronderstelde, dat de lieve jeugd haar daar wenschte te zien, waar zij ook behoorde te zijn.

Ik moet u misschien vertellen, dat "aan den overkant" hetzelfde beduidde als Gladesville, en dat dit het Meer-en-Berg van Sydney is.

Verscheidene oorzaken hadden de ongelukkige Martha er toe gebracht, aan zulk eene samenzwering te gelooven. Bij voorbeeld, toen zij eens op een morgen Pips bed wilde gaan opmaken was de helft van het beddegoed verdwenen. De witte sprei was netjes over de matras gelegd, maar er was niets te bekennen van dekens, lakens of kussens. Zij zocht op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen, ondervraagde de kinderen, wendde zich zelfs tot Esther, maar de vermiste voorwerpen werden niet gevonden.

"Een man met een broek van geribd fluweel zwerft hier iederen avond om het huis!" zeide Pip, terwijl hij weemoedig naar zijn ontredderd bed keek. "Het zou mij niet verwonderen, als die daar iets mede te maken had."

Welke veronderstelling alles behalve aangenaam voor Martha was, aangezien de man met de broek van geribd fluweel haar vurigste en uitverkoren aanbidder was.

Den volgenden dag verdween de waschkom uit Megs slaapkamer, en daarop een stoel uit de kinderkamer, evenals een vloerkleedje, om niet te spreken van zulke kleine voorwerpen als een trekpot, een spirituslampje, kopjes en schotels, een halve ham, en een volle trommel met gembernootjes.

Dit alles verdroot Martha, want de voorwerpen schenen te verdwijnen, terwijl de kinderen in bed waren; en hoewel zij hen verdacht, en hen voortdurend gade sloeg, kon zij geen duidelijk bewijs van hunne schuld machtig worden, en evenmin de drijfveer ontdekken, die er hen toe zou kunnen brengen, het een en ander weg te nemen.

En telkens als er weer iets kwijt was, vraagde Pip of de in geribd fluweel gekleede jongeling den vorigen avond in den omtrek van het huis gezien was. En daar dit altijd het geval was, kon Martha niets anders doen, dan met een toornigen blik op haar plaaggeest, de kamer uitstuiven.

Op zekeren avond was de kleine schaaktafel uit de kinderkamer door eene geheimzinnige macht weggetooverd.

Den volgenden morgen, toen Martha aan het vegen was, kwam Pip naar haar toe, en deed, alsof hij in tranen zwom.

""Hoe lieflijk is het nederig viooltje!"" zeide hij met gebroken stem. "Ach, Martha, Martha! nu eerst, nu je dagen bij ons geteld zijn, zien wij in, welk een schat wij in je bezitten!"

"Ach, ga heen!" zeide zij, en sloeg naar hem met den steel van den stoffer. "Ik denk er niet aan, heen te gaan, hoor! Als ik er niet meer was, zouden jelui heelemaal uit den band springen. Neen, je bent nog niet zoo gauw van Martha Tomlinson af!"

"Maar moet je dan niet naar hem toe gaan, Martha?" zeide hij vriendelijk. "De inrichting van zijn huis moet nu wel nagenoeg compleet zijn. Hij heeft wel is waar nog geen sauspan en geen strijkijzers, maar overigens dan ook alles, Martha; en ik wil je nu ook wel vertellen, dat ik van plan ben, je als huwelijksgeschenk een strijkijzer cadeau te doen, dus behoef je niet te wachten, tot hij het is komen halen."

"Ga de kamer uit!" zeide Martha nog eens, terwijl zij den veger in zijn gezicht duwde, en hem bijna in het stof deed stikken. "Je weet van dwaasheid niet wat je zegt!"

Op den zolder in het gebouwtje ging alles naar wensch.

Eenige oude, tegen den muur opgehangen karpetten hielden den tocht tegen. Judy's bed, zacht en warm, bevond zich in een hoek; zij had een stoel om op te zitten, eene tafel om aan te eten, zelfs eene waschkom. En zij had den geheelen dag gezelschap, ook dikwijls den geheelen nacht. Eens was Meg weggeslopen, nadat zij de deur harer slaapkamer afgesloten had, en had ook op het bed op den zolder geslapen; eens was Nellie gegaan, en een anderen avond had Pip een paar wollen dekens genomen en had hij zich zelf een leger in het stroo gemaakt. Zij bezochten haar op alle uren van den dag, en kropen de een na den ander, de krakende ladder op, wanneer zij maar onopgemerkt konden wegkomen.

De gouvernante had toevallig veertien dagen vrij gekregen, om hare zieke moeder op te passen, en dus konden de meisjes en Bunby over al hun tijd beschikken. Pip ging laat naar school, en kwam vroeg naar huis, en zocht van Esther briefjes voor den directeur af te bedelen. Zelfs bleef hij eens stilletjes weg, en droeg de straf, die hem daarvoor later werd opgelegd, met kalme gelatenheid.

Judy zag er nog altijd bleek en vermoeid uit, en haar hoest was werkelijk onrustbarend; maar zij kreeg weldra hare oude, levendige opgewektheid weer, en genoot onuitsprekelijk van haar avontuur.

Het eenige onaangename was de zeer beperkte ruimte van den zolder.

"Jelui moet het zoo inrichten, dat ik eene wandeling kan gaan maken," zeide zij op een morgen zeer beslist. "Ik ben er van overtuigd, dat mijne beenen langzamerhand korter beginnen te worden, nu ik ze niet meer kan gebruiken. Tegen het eind van de week zal ik vergeten zijn, wat wandelen is."

Pip dacht niet, dat haar wensch vervuld kon worden; Meg smeekte haar, zich niet bloot te stellen; maar Bunby en Nell waren vol geestdrift voor het plan.

"Meg zou met vader kunnen gaan praten," zeide Bunby, "en Pip zou den Generaal kunnen plagen, tot Esther niet meer uit de kamer zou durven gaan, en dan konden ik en Judy gauw naar beneden klimmen en een wandelingetje maken, en we zouden weer terug zijn, vóór iemand iets gemerkt had."

Judy schudde het hoofd.

"Daar zou ik al zeer weinig aan hebben," zeide zij. "Als ik ga, wil ik ook een tijdje in de vrije lucht blijven. Zouden we niet een picnic aan den waterkant kunnen houden?"

"He ja, laten we dat doen!" riep Bunby, met stralende oogen.

"Ik geloof heusch, dat we het wel konden wagen, vooral daar het toch ook Zaterdag is, en Pip niet naar school hoeft," vervolgde Judy, en in hare gedachten spon zij het geheele plan uit. "Twee van jelui zouden voor eten kunnen zorgen. Zegt Martha, dat jelui een picnic willen houden,--zij zal blij genoeg zijn, dat zij niet voor het middageten behoeft te dekken--en dan gaan jelui vooruit. Twee anderen kunnen op wacht staan, om te zien, of er geen vijand te bekennen is, terwijl ik naar beneden kom en door de grasvelden loop, en als we maar eens om den hoek van den weg zijn, zijn we gered!"

Dit scheen alles zeer uitvoerbaar, en in zeer korten tijd waren alle toebereidselen gemaakt. Pip stond op wacht bij het gebouwtje, en had op zich genomen, Judy's uittocht te bewaken, Bunby was bij de veranda achter het huis op post gezet, om uit te kijken en driemaal te fluiten, als er eenig gevaar was.

Hij zou een kwartier, gerekend naar de keukenklok, wachten, en dan, indien alles veilig was, den grooten theeketel en een brood medenemen, en de anderen op den weg opvangen. Het was eene saaie bezigheid, om daar te staan wachten, en, als een peinzende ooievaar, stond hij op één been, en hield zich bezig met de gebeurtenissen der laatste, veel bewogen dagen nog eens te overdenken.

Een gedrukte stemming had zich van hem meester gemaakt, maar hoe dit kwam, kon hij moeielijk zeggen. Misschien bezwaarde hem de leugen, die hij aan zijn vader verteld had, en waarover hij niet weer gesproken had, omdat het paard leelijk hinkte, en hem de moed in de schoenen zonk, elken keer dat hij aan de rijzweep van zijn vader dacht.

Misschien was het de reactie na de groote opwinding. Of het kon een knagend gevoel van verongelijking zijn, omdat zijne dappere daden ten bate van Judy bij de anderen zoo weinig bewondering hadden ingeoogst. Zij schenen ze hem volstrekt niet aan te rekenen, en lachten zelfs elken keer, dat hij er eene toespeling op maakte, of de algemeene aandacht op zijne schrammen zocht te vestigen. Twee of drie krabben op zijne beenen waren werkelijk leelijk genoeg, en terwijl hij stond te wachten stroopte hij zijne kousen omlaag en keek met medelijdende blikken en iets als een snik naar zijne wonden.

"Niemand bekreunt zich om mij!"--pruttelde hij, en eene traan--hij kon ze altijd zoo gemakkelijk schreien--plaste neer op zijn uitgestrekt, ontbloot been. "Judy houdt het meest van Pip, en hij is toch nooit op den cactus geklommen; Meg denkt, dat ik altijd jok, en Nellie zegt, dat ik te vies ben om met eene tang aan te raken--niemand bekreunt zich om mij!"

Nog eene groote, dikke traan welde omhoog en viel toen neer.

"Heb je daar wortel geschoten?" vraagde eene stem.

Zijn vader, die in de opengeslagen veranda-deur stond te rooken, had hem gade geslagen, en zich over zijne ongewone, groote kalmte verwonderd.

Bunby schrikte op, en trok zijne kousen omhoog.

"Ik doe niets geen kwaad!" zeide hij treurig, na een poosje. "Niets geen kwaad! Ik ga naar een picnic!"

"Zoo!" zeide de kapitein. "Je zaagt er uit, alsof je over het een of andere nieuwe kattekwaad nadacht, of berouw had over een ondeugenden streek--nu, wat is het geval?"

Bunby werd bleek, maar herhaalde, dat hij "niets geen kwaad deed."

De kapitein was in eene loome, plaagachtige stemming, en zijn dik zoontje scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om hiervan blijk te geven.

"Het zou wel goed zijn, als je eens hier kwaamt, en al het kwaad, dat je deze week uitgevoerd hebt, opbiechtet!" zeide hij ernstig. "Ik ben den geheelen morgen vrij, en het wordt tijd, dat ik je eens ernstig onder handen neem!"

Bunby naderde de leuning van den hem aangewezen stoel, en werd witter dan ooit.

"Zoo, nu kunnen we op ons gemak praten. Dus, Dinsdag heb je uit de provisiekamer gestolen--dat is één misdaad," zeide hij om hem op weg te helpen. "Ga voort."

"Ik heb niets anders uitgevoerd!" stotterde Bunby. Hij voelde, dat het met hem gedaan was, en dat de geschiedenis van den cricketbal ontdekt zou worden. Hij keek zelfs zenuwachtig rond, of de rijzweep nergens te zien was. Ja, daar lag die van Esther met den zilveren knop, achteloos op een stoel neergeworpen. Hij vond nog den tijd om vurig te wenschen, dat Esther wat netter mocht zijn.

"Werkelijk niets, Bunby? op je woord?" zeide zijn vader op indrukwekkenden toon.

"Ik w-was aan het knikkeren!" zeide hij met bevende stem. "Hoe zou ik dus het paard hebben kunnen kwaad doen?"

"Het paard? Ha!"--riep zijn vader. Er ging hem een licht op, en zijn gelaat werd zeer ernstig. "Wat heb je naar Mazeppa gegooid, waardoor hij kreupel geworden is? Antwoord mij onmiddellijk!"

Bunby wierp een schuwen blik naar de zweep.

"N-n-niets,"--zeide hij--"h-heusch niets! Mijn c-c-cricketbal lag in den stal. Ik was aan het knikkeren!"

De kapitein schudde hem even aan den arm.

"Heb je Mazeppa met den cricketbal gegooid?" zeide hij streng.

"N-n-neen, n-neen!"--fluisterde Bunby, wit tot in zijne lippen. Toen overweldigde hem ten deele zijn berouw en hij voegde er bij: "Hij rolde uit mijn z-z-zak, en M-Mazeppa kwam juist voorbij en st-stootte er tegen met zijn poot."

"Zeg de waarheid of het zal je slecht gaan!"--zeide de kapitein, opstaande, en Esther's rijzweep in de hand nemende.--"En dus--heb jij Mazeppa kreupel gemaakt?"

"Ja!" zeide Bunby, en hij barstte in tranen uit, en wrong zich in allerlei bochten, om aan de zweep te ontkomen.

Daarop, toen de slagen op zijne rampzalige schouders nederdaalden, vervulde hij de lucht met zijn gewonen kreet van: "Ik heb het niet gedaan, het was mijn schuld niet!"

"Jij verachtelijke schavuit!"--zeide zijn vader, toen hij een oogenblik moest pauzeeren, daar zijn arm pijn deed van het slaan. "Ik zal dien lagen geest van leugenachtigheid en lafheid uit je ranselen, en als je niet verandert, zie ik je liever dood voor mij liggen!" Zwiep, zwiep. "Wat moet er van je groeien?" Zwiep, zwiep. "Liegen omdat je bang bent voor slaag!" Zwiep, zwiep, zwiep, zwiep.

"U slaat me dood, u slaat me dood! Ik voel, dat u me dood slaat!" gilde het kind, en wentelde zich over den grond. "Ik heb het niet gedaan, het was mijn schuld niet. Sla de anderen liever!"

Zwiep, zwiep, zwiep. "Denk je, dat de anderen zoo onbeschaamd zouden liegen? Philip heeft nooit gelogen. Judy zou liever hare tong afbijten." Zwiep, zwiep, zwiep. "Je gaat naar een picnic? Je kunt op je kamer picnic houden tot morgen ochtend vroeg." Zwiep, zwiep, zwiep. "Nu--maak dat je wegkomt!"

Meer had geen menschelijk wezen kunnen verdragen.

De laatste slag was eene ware marteling geweest voor zijne trillende schouders en zijn gepijnigden rug. Hij dacht aan de anderen, die, gelukkig en zonder zorg, daar buiten in den helderen zonneschijn op weg waren naar de rivier, zonder het minste vermoeden van wat hij doorstaan moest, en zijn hart scheen door de hevigheid van zijne verbittering en zijne wanhoop te zullen moeten barsten. "Judy is thuis!" zeide hij hijgend en hartstochtelijk. "Zij is in het oude gebouwtje. Boe-hoe-hoe! Ze houden het geheim voor u! Boe-hoe! Zij gaat naar den picnic, en zij is van school weggeloopen."

HOOFDSTUK XIII.

ONGENOODE GASTEN.

De kapitein liep langzaam door de grasvelden met zijn tuinhoed achterover. Na het tooneel met zijn tweeden zoon was hij min of meer vermoeid, en zijne oogen keken peinzend rond. Hij geloofde niet aan de waarheid van Bunby's laatste mededeeling, maar toch vond hij haar niet volstrekt onwaarschijnlijk, en daarom had hij een bezoek aan het gebouwtje niet juist overbodig geoordeeld. Niet dat hij, hoe dan ook, geloofde, zijne verbannen dochter daar te vinden, want Bunby had immers gezegd, dat zij een picnic aan den waterkant wilden houden? Maar hij dacht, dat hij misschien toch wel de eene of andere aanduiding ontdekken zou. De deur van het gebouwtje sloeg open, en het zonlicht stroomde naar binnen en bracht dwars door de ruimte een balk van gouden stof aan.

Er was hier geen teeken van de aanwezigheid van bewoners, behalve wanneer een haarlint van Meg en eenige sinaasappelschillen als zoodanig beschouwd konden worden.

Hij zag de wrakke, eigengemaakte ladder, die tegen de opening in de zoldering geleund stond, en hoewel hij over het algemeen meer eerbied voor zijne ledematen had, dan zijne kinderen voor de hunne, waagde hij er zich op. Zij kraakte geweldig, toen hij de bovenste sport bereikt had en van deze op den zolder stapte.

Het been van een ham, eene doos met dominosteenen en een gebarsten kussen lagen aan deze zijde van het schot, anders niets, dus ging hij verder en keek over de schutting op den anderen zolder.

"Gezellig genoeg ingericht," mompelde hij. "Het zou mij niet kunnen schelen zelf hier een tijdje te kampeeren," en het kwam zelfs bij hem op dit te doen, en voor Judy "eene verrassing" te zijn, als zij terugkwam. Maar hij verwierp dit plan als niet overeenstemmend met zijne waardigheid. Hij herinnerde zich, dat hij in zijn huis geruchten had gehoord van verdwenen huisraad en er kwam iets als een glimlach om zijn mond, toen hij het oude tafeltje met de spirituslamp en den trekpot er op, het beddegoed en de waschkom zag. Maar met een strengen blik fronsde hij weldra het voorhoofd. Waren zeven en zeventig mijlen geene voldoende hinderpaal voor Judy's ondeugende plannen? Hoe durfde zij hem zoo tarten, zij een kind van dertien jaar tegenover haar vader? Hij sloot de lippen onheilspellend vast, ging weer naar beneden, en liep met zwaren tred naar huis terug.

"Esther!" riep hij met eene trillende stem onder aan de trap.

En: "Ik kom, beste man--één minuutje!" klonk het ten antwoord.

Een minuutje scheen ditmaal tien minuten te kunnen duren, en toen kwam zij, de mooie jonge moeder, met haar lachend dik zoontje in hare armen. Hare oogen keken zoo teeder en zacht, er lag zooveel liefde in haar blik, dat hij zich ongeduldig afwendde; hij wist zeer goed hoe het zijn zou; zij zou hem bedelen en smeeken, zijn dochtertje te vergeven, als zij alles gehoord had, en wanneer zij er dan weer stralend en liefelijk uitzag, als op dit oogenblik, zou hij haar niets kunnen weigeren.

Een paar minuten stond hij in gepeins verzonken.

"Wat wilde je, John?" zeide zij. "En waar sta je aan te denken? Ik heb juist een nieuw kiesje gevonden, kom eens kijken!"

Hij kwam, half onwillig, en voelde met zijn pink in het mondje van zijn jongste zoontje.

Esther hield zijne hand vast, tot hij een zeer klein hard voorwerp voelde. "Het derde," zeide zij trots, "vindt je het niet aardig?"

"Hum!" zeide hij. Toen bleef hij nog een oogenblik peinzen, en wreef zich na eene minuut of twee in de handen, alsof hij zeer over zich zelf tevreden was.

"Zet je hoed op, Esther, en kleed den Generaal ook aan," zeide hij, terwijl hij vriendelijk een tikje gaf op het hoofd van dezen jongen heer. "Laten we eene wandeling gaan maken naar de rivier; de kinderen wilden ook aan den waterkant een picnic houden, en dus kunnen wij er op rekenen, onderweg thee te krijgen."

"Dat is een heerlijk idee!" zeide zij, "vindt je ook niet, Bababsie, vindt je ook niet, mijn kind?"

Zij riep Martha, die bezig was het salon te vegen, op de grondige manier, die haar bijzonder eigen was, toe: "Wil je even den hoed van den Generaal halen, Martha, den witten zonnehoed met de keelbanden; hij ligt op mijn bed, denk ik, of op een stoel, of ergens anders--o! en breng dan meteen mijn grooten hoed met de papavers mede!"

Martha ging, en kwam na eenig zoeken met de gevraagde kleedingstukken terug.

En Esther zette den witten zonnehoed op haar eigen krullend, springend haar en deed den Generaal kraaien van het lachen op zijne zitplaats, op de tafel der vestibule. En toen drukte zij hem op het hoofd van den kapitein, en zette diens tuinhoed op het kopje van haar zoon en verscheidene minuten gingen zoo al vroolijk stoeiend voorbij.

Eindelijk waren zij gereed, en verlieten de vestibule.

"Jongeheer Bunby zit in zijne kamer opgesloten; je moogt er hem op geene voorwaarde uitlaten, Martha!" zeide de kapitein onder het heengaan.

"O, Jack!" riep Esther verwijtend uit.

"Laat het zijn zooals ik gezegd heb," sprak hij; "gun mij een weinig vrijheid met mijne eigen kinderen, Esther! Hij is een leugenachtige deugniet; ik schaam mij, dat ik hem mijn zoon moet noemen."

En Esther, aan de wankelmoedigheid van haar stiefzoon denkende, vond geen bezwaar zich met de hoop te troosten, dat de straf heilzaam voor hem zou zijn.

Zij liepen over een pad door het woud, dat den weg zeer verkortte, en toen lag daar de blauwe, vriendelijke rivier voor hen, waarin de zon flikkerende vlammetjes strooide.

"Daar zitten zij," riep Esther, "op de oude plaats! Zie je het vuur, mijn ventje? zie je den rook, mijn lieveling? Zij zijn met hun vieren--neen, met hun vijven! Wie is er dan bij?"--zeide zij verwonderd, toen zij dichter bij de groep op het gras kwamen.

Voor zij genoegzaam genaderd waren om de gezichten te herkennen, scheen de kring plotseling verbroken te worden.

Een van de leden keerde zich opeens af en vluchtte weg over het gras, stortte zich in het dichte kreupelhout en verdween uit het gezicht in minder tijd dan noodig is, om dit te vertellen.

"Wie was er bij jelui?" vraagde Esther, toen zij de kinderen bereikten.

Een oogenblik bleef alles stil, toen wierp Pip een paar takjes op het vuur en antwoordde droog:

"Eene vriendin van Meg, een meisje met een hazenhart, die een doodelijken angst heeft voor vader. Ik geloof, dat zij denkt, dat militairen met scherp geslepen wapenen rondwandelen, en niets liever doen, dan er op inhouwen!"

Hij lachte even, Nell gichelde zenuwachtig, en Baby begon te schreien.

Meg, bleek als eene doode, nam haar op en begon, om haar te bedaren, haastig de geschiedenis van de drie beren te vertellen.

Esther keek min of meer verbaasd, maar dacht er natuurlijk niet aan, eenig verband te zoeken tusschen de vluchtende gestalte en Judy.

En de kapitein scheen niets te zien of te merken. Hij lag op het gras en liet den Generaal over zich heen klimmen; hij schertste met Esther; hij vertelde verscheiden verhalen uit zijne jeugd, en scheen zich geen oogenblik bewust te zijn, dat zijn gehoor onoplettend en afgetrokken was.

"Hebben jelui geen thee gezet?" zeide Esther eindelijk. "Wij rekenden er op, hier thee te kunnen drinken."

"Bunby is niet verschenen, en die zou de thee meebrengen!" zeide Pip gemelijk. De buitengewone beminnelijkheid van zijn vader kwam hem verdacht voor, en hij wilde zich niet voor den gek laten houden.

"Ach," zeide de kapitein ernstig, "dat treft slecht. Toen wij van huis gingen, scheen Bunby niet al te wel te zijn, en er over te denken, de rest van den dag in zijne slaapkamer door te brengen."

Pip stookte met kracht het vuur op, en Meg wierp een verschrikten blik naar haar vader, die haar vriendelijk glimlachend aankeek.

Na een uur lang dezen gedwongen toestand gerekt te hebben, stelde de kapitein voor, naar huis terug te keeren.

"Het begint koel te worden," zeide hij, "het zou me spijten voor het nieuwe kiesje van onzen Generaal, als het zijn leven moest beginnen met pijn te doen--laten we naar huis gaan, en daar zien, dat we thee krijgen."

Dus namen zij de onaangeroerde manden in de hand, en de stoet zette zich in beweging.

De kapitein wenschte, dat Pip en Meg met hem zouden loopen, en hij zond Baby en Nell voor zich uit, ieder aan een kant van Esther, die den Generaal afwisselend bij de hand had en droeg.

Dit richt hij zoo in, dacht de sluwe Pip, om te verhoeden, dat wij nieuwe plannen smeden. En toen zij thuis waren gekomen, noodigde hij hen allen uit in zijne rookkamer te komen, een cabinetje naast de eetkamer gelegen.

Esther ging met den Generaal naar boven, maar de anderen volgden zwijgend hun vader.

"Ga zitten, Pip, mijn jongen," zeide hij opgewekt. "Kom, Meg, maak het je gemakkelijk, neem plaats in dien leunstoel. Nell en Baby kunnen zich op de sofa zetten."

Gedwongen gingen zij op de plaatsen zitten, die hij hun aanwees, en keken angstig naar zijn gelaat.

Hij koos eene pijp van het rek boven den schoorsteenmantel, voorzag haar van een nieuw mondstuk, en vulde haar met zorg.

"Daar jelui je nu in het bezit hebt gesteld van mijne kamer," zeide hij op hoogst aangenamen toon, "zal ik beter doen, met hier niet te rooken. Straks kom ik terug en dan zullen wij wat praten. Ik zal eerst maar eens eene pijp gaan rooken op den zolder van het gebouwtje. Voert geen kattekwaad uit, terwijl ik weg ben!"

Hij stak een lucifer aan, hield dezen bij de tabak, en, zonder een blik op de zwijgende kinderen geworpen te hebben, verliet hij de kamer, en deed de deur achter zich op slot. Voor de tweede maal liep hij door de grasvelden, en voor de tweede maal stootte hij de krakende deur open. De sinaasappelschil lag op dezelfde plaats, waar hij haar eerst gezien had, alleen was zij wat drooger en verschrompelder. Het haarlint zat in juist denzelfden strik. De ladder kraakte op precies dezelfde plaats, en het scheelde weer niet veel, of hij was, toen hij de bovenste sport bereikte, er af gevallen. De dominosteenen lagen daar nog altijd, het been van de ham en het kussen namen dezelfde plaatsen in; het eenige verschil was, dat over het eerste nu een groot aantal zwarte mieren kropen, en dat de wind met het kussen gespeeld had, en de veeren naar alle kanten had doen stuiven.

Hij liep naar de andere zijde, niet zachtjes, maar met zijn gewonen, vasten, militairen stap. Er bewoog zich niets. Hij bereikte het beschot en keek er over heen.

Judy lag op het geïmproviseerde bed, in een diepen slaap verzonken, uitgeput na hare snelle vlucht van den oever der rivier. Zij had een rok van Meg aan, die haar buitengewoon lang en mager deed schijnen; met verbazing vraagde hij zich, of zij zóó gegroeid kon zijn?

"Er zal geen einde aan de moeite en zorgen komen, die zij mij zal veroorzaken, als zij groot geworden is!" zeide hij, halfluid, met een gevoel van medelijden voor zich zelf omdat hij haar vader was. En toen werd hij vervuld met wrevel en toorn, terwijl hij haar daar bleef gade slaan, en zij zoo kalm voortsliep. Moest zij altijd de verstoordster zijner rust zijn? moest zij hem altijd dwarsboomen?

"Judy!" zeide hij met luide stem.

De gesloten oogleden sprongen open, de nevel van slaap en vergetelheid trok weg van de donkere oogen, en zij rees overeind, met doodelijk ontsteld gelaat.

"Wat voer je hier uit, als ik vragen mag?" zeide hij, koud en hoog.

Een donkerroode blos kleurde hare wangen, haar voorhoofd, en verdween toen weer, zoodat zelfs hare lippen wit werden, maar zij gaf geen antwoord.

"Ik veronderstel, dat je van school bent weggeloopen," vervolgde hij, op denzelfden koelen toon. "Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen?"

Judy sprak noch verroerde zich, zij staarde hem alleen aan met even geopenden mond.

"Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen, Helen?" herhaalde hij.

"Neen, vader," zeide zij.

Haar gelaat toonde een moeden, pijnlijken trek, die hem anders zeker zou getroffen hebben, maar hij was thans te vertoornd, om dit op te merken.

"Volstrekt geene verontschuldiging of geldige reden?"

"Neen vader!"

Hij ging terug naar het luik. "In anderhalf uur vertrekt een trein, je reist daarmede van hier," zeide hij, met bedaarde stem. "Ik zal maatregelen nemen om je op school te doen bewaken, nu ik zie, dat je niet te vertrouwen bent. Je komt met Kerstmis niet thuis, en waarschijnlijk ook niet met de zomervacantie!"

Dit was even goed als een doodvonnis. De zolder draaide voor Judy's oogen in het rond, in hare ooren zong en gonsde het.

"Kom!" zeide de kapitein. Judy snakte naar adem, zij hijgde en begon te hoesten.

Zij hoestte vreeselijk, haar tenger lichaam beefde. Dit duurde zoo twee of drie minuten, hoewel zij den zakdoek voor den mond hield om te beproeven, het hoesten tegen te gaan.

Zij was zeer bleek, toen zij tot bedaren kwam, en voor het eerst merkte hij op, hoe hol hare wangen waren.

"Het is beter, dat je eerst mede naar huis komt," zeide hij minder hard, "dan kunnen wij zien of Esther niet iets voor den hoest heeft."

En toen snakte hij op zijne beurt naar adem, en werd zijn gebronsd gelaat vaalbleek.

Want roode, vreeselijke vlekken bezoedelden het wit van den doek, dien het kind van haar mond had genomen.

HOOFDSTUK XIV.

DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER.

En dus werd er geen dogcart voor Judy ingespannen, zij werd niet naar den trein gebracht, zij behoefde niet beschaamd onder haar schoolkameraadjes terug te keeren, zij had niet het vooruitzicht van lange maanden, die zonder vacantie voorbij zouden gaan.

Maar, in de plaats daarvan, een warm, zacht bed, en versterkend voedsel, en vriendelijke woorden, en onafgebroken zorg. Want de avontuurlijke tocht, de gebrekkige voeding, en de twee nachten in de open lucht hadden het meisje inderdaad in een gevaarlijken toestand gebracht. De eene long was ernstig aangedaan, had de dokter gezegd; het was hem een raadsel, zeide hij tot hare huisgenooten, hoe zij het nog zoo lang uitgehouden had; een gewoon meisje zou reeds lang allen moed verloren, en zich te bed gelegd hebben. Maar hij zeide dit, omdat hij den onbuigzamen geest en de vaste energie niet kende, die Judy's voornaamste karaktertrekken waren.

"Hadt je in het geheel geen pijn?" vraagde hij, verbaasd door het feit, zulk eene stemming en zulk een ernstigen toestand tegelijkertijd aan te treffen.

"Jawel, soms in mijne zijde!"--antwoordde zij achteloos.--"Hoe lang zal het nog duren voor ik op kan staan, dokter?"

Deze vraag stelde zij hem iederen morgen, hoewel, om de waarheid te zeggen, zij met waren angst dacht aan het oogenblik, waarop zij hersteld verklaard zou worden.

Zij gevoelde eene loomheid en moeheid in hare beenen, die haar deed twijfelen, of zij ooit weer ver zou kunnen loopen, en een meer bescheiden teeken van beterschap versmaadde zij. Buitendien bespeurde zij eene knagende pijn onder de armen, en als zij hoestte, stond zij de hevigste benauwdheid uit.

Toch was zij niet ziek genoeg om niet belang te stellen in alles, wat er om haar heen gebeurde, en verlangde, dat de anderen haar zouden vertellen, wat buitenshuis voorviel--wie het gelukkigst was geweest bij het cricketspel, welke bloemen ontloken waren in het weelderige hoekje van den tuin, dat haar toebehoorde, hoe vele eieren de kippen per dag legden, hoe het met het aantal der Guineesche biggetjes en der kanaries gesteld was, en welke schoenen of kleeren de nieuwe jonge hond vernield had.

En Bunby bracht dikwijls zijne witte muizen en zijn blind marmotje in hare kamer en liet de diertjes los over haar deken loopen, en Pip zat meestal te timmeren aan een klein tafeltje dicht bij haar bed, zoodat zij ieder nieuw werk kon zien en de vorderingen kon gadeslaan.

Meg, die haar omgang met Aldith bijna geheel verbroken had, wijdde zich met hart en ziel aan de verpleging van hare zuster; zij gaf haar allerlei kleine geschenken--een schoenentasch, met verschillende afdeelingen, een zakje voor kam en borstel, met het monogram J. W. in rose zijde daarop geborduurd, een klein werkmandje met naaldenboekje, speldenkussen en verder toebehooren. Judy vreesde, dat zij na haar herstel nu ook verplicht zou zijn netjes te worden.

Het genoegen, dat haar de geschenkjes blijkbaar veroorzaakten, deed een geest van mededinging onder de anderen ontwaken.

Eens was Pip een geheelen dag onzichtbaar; eerst in den avond vertoonde hij zich weer, en liep trots naar het bed. Hij had eene kleine chiffonière gemaakt, waarvan drie laden werkelijk, hoewel met groote omzichtigheid, geopend konden worden.

"Dit is niet voor poppenkleeren,"--zeide hij, nadat zij alle gebruikelijke betuigingen van dankbaarheid uitgeput had,--"want ik weet, dat je daar niet van houdt, maar je kunt er je kleine prullen in bewaren--haarlintjes, naaigereedschap, er is plaats genoeg."

Zij hoorden een geluid, alsof op de gang iets voortgesleept werd, en Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende, en voortslepende een vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.

"Dit is een stoel," verklaarde hij, en veegde de bewijzen van zijne inspanning van zijn voorhoofd. "Ik zal er natuurlijk de een of andere stof over spijkeren, zoodat je er niet door kunt vallen; maar ik dacht, dat ik hem je nu wel eerst eens kon laten zien."

Er kwam een glimlach om Judy's lippen, maar zij dankte hem hartelijk.

"Ik wilde niet iets maken, waaraan je toch niets hadt, zooals Pip gedaan heeft!" vervolgde het kleine ventje, en hij keek verachtelijk naar de chiffonière. "Dit is iets wat je gebruiken kunt; als je weer opstaat, dan kan je er bij den haard op zitten, Judy, en lezen of naaien of iets anders doen. Je vindt dit ook mooier dan Pip's cadeautje, is het niet zoo?"

Judy wist behendig beide partijen te vriend te houden, door hen te vragen, de geschenken naast alle andere bij het hoofdeinde van haar bed te plaatsen.

"Wat zal je veel mee te nemen hebben, als je weer naar school gaat, Judy!" zeide Nell, terwijl zij de verzameling met een paar gehaakte mofjes en een wollen poppenlijfje verrijkte.

Maar Judy keek haar slechts verwijtend aan, en lag het overige gedeelte van den avond met haar hoofd naar den muur gekeerd.

Dit was het, wat haar al de veertien dagen van hare ziekte met angst vervuld had--de gedachte aan de school in de toekomst.

"Wat zal er met mij gebeuren, als ik weer beter ben, Esther?"--vraagde zij den volgenden morgen op gedrukten toon, toen hare stiefmoeder haar kwam bezoeken. "Spaart hij heel veel slaag voor mij op? En moet ik de eerste week weer terug?"

Esther stelde haar gerust.

"Deze drie maanden blijf je hier, en zeer waarschijnlijk de volgende drie maanden ook, Judy! Hij heeft gezegd, dat je met een paar der anderen naar buiten zult gaan, tot je weer geheel sterk geworden bent; en onder ons gezegd, geloof ik, dat je wel nooit weer de kostschool zult terug zien."

Toen deze vrees dus verdwenen was, ging Judy's gezondheid steeds sneller vooruit, zoodat haar krachtig gestel zelfs den dokter verbaasde.

Na drie weken liep zij weer door het huis, mager en met groote oogen, maar vol grappen en vol ondeugende plannen. De visites van den dokter werden gestaakt; hij zeide, dat tot nu toe alles naar wensch was gegaan, maar dat zij in eene andere omgeving moest komen en eenigen tijd geen zeelucht mocht inademen.

"Laat haar een paar maanden vrij in de buitenlucht loopen, Woolcot!" zeide hij bij zijn laatste bezoek; "er is tijd toe noodig, om al het gebeurde te boven te komen, en haar hare kracht en gezondheid te doen herkrijgen."

"Zeker, zeker; ik zal haar naar buiten sturen!" antwoordde de kapitein.

Hij kon den schrik niet vergeten, die hem vijf of zes weken geleden op den ouden zolder bevangen had, en zou er in toegestemd hebben haar naar de Sahara te brengen, indien dit noodig geoordeeld was geworden.

De dokter had hem mede gedeeld, dat hare longen zeer gevaarlijk aangedaan waren.

"Het is niet gezegd, dat zij aan tering moet sterven," had hij gesproken, "maar er is altijd gevaar voor deze vreeselijke kwaal in dergelijke gevallen. En de kleine Judy is zulk een wild rusteloos schepseltje; alles wat zij doet, doet zij met hart en ziel, en zij schijnt vreugde en leed duizendmaal dieper te gevoelen, dan andere kalmere naturen. Zorg goed voor haar, Woolcot; zij zal eens eene uitstekende vrouw worden--ja, eene buitengewone vrouw."

De kapitein rookte vier groote sigaren in de eenzaamheid van zijne studeerkamer, alvorens hij kon beslissen, hoe hij het best "goed voor haar kon zorgen".

Eerst bedacht hij, haar met Meg en de gouvernante voor eenigen tijd naar de bergen te zenden, maar dan rees de moeielijkheid, dat de andere drie in dien tijd geen onderwijs zouden genieten. Hij zou hen naar school kunnen zenden of eene andere gouvernante nemen; zeker, maar dan waren er weer de onkosten, die in overweging moesten genomen worden.

De meisjes alleen te laten gaan, daar kon geen sprake van zijn, want Meg had, niettegenstaande hare zestien jaren, getoond, niet veel meer dan een gansje te zijn; en op Judy moest toegezien worden. Toen dacht hij er aan, dat Esther er ook niet zeer goed uitzag; Judy's verpleging en de zorgen voor den Generaal bleken te veel voor haar te zijn geweest, en zij was lang niet meer de stralende, bloeiende Esther van vroeger. Hij wist, dat hij haar naar buiten moest laten gaan, en het kind eveneens, natuurlijk.

En dan dacht hij weer aan de onkosten. En aan de andere kinderen.

Hij herinnerde zich, dat de Kerstvacantie niet meer ver af was; wat zou er van het huis worden, indien Pip en Bunby en de twee jongste meisjes konden doen en laten wat zij wilden, en niemand het opzicht hield? Hij zuchtte diep, en klopte de asch van zijn vierden sigaar op het tapijt.

Toen kwam de brievenbesteller over het pad en voorbij het venster. Hij keek glimlachend en raakte zijn pet aan met een vergenoegden blik. Het was alsof hij wist, dat hij in een der brieven de oplossing bracht van het raadsel, dat op het voorhoofd van den kapitein ontelbare rimpels te voorschijn riep.

Een vijfde sigaar werd juist uit het kistje genomen, eene groeve vertoonde zich boven de linker wenkbrauw, een steek van iets dat zeer veel geleek op jicht gaf aanleiding tot een paar woorden "in eene vreemde taal," toen Esther binnenkwam met een glimlach om de lippen en een open brief in hare handen.

"Van moeder!" zeide zij. "Het schijnt, dat Yarrahappini haar te stil begint te worden, en dus vraagt zij mij, of ik met den Generaal eenige weken, bij haar kan komen?"

"Ha!" zeide hij.

Dit zou zeker een der moeielijkheden doen verdwijnen. Wel was het landgoed zeer ver weg, maar, het was Esthers vroegere tehuis, en zij had het niet weergezien sedert haar huwelijk. Daar zou zij zeer snel weer sterk worden.

"O, en Judy ook!"

"Ha!" zeide hij.

Twee rimpels verdwenen van zijn voorhoofd.

"En Meg, omdat ik schreef, dat zij er bleek uitzag." De kapitein legde zijn sigaar weer in het kistje. Hij vergat dat er iets bestond, wat jicht heette.

"De uitnoodiging kon nooit beter te pas zijn gekomen!" zeide hij. "Neem haar onvoorwaardelijk aan; niets kon beter geweest zijn; en het is een buitengewoon gezond klimaat. De andere kinderen kunnen--"

"O, vader vooral wenscht, dat Pip ook zal komen, omdat hij zulk een flinke jongen is."

"Op mijn woord, Esther, je ouders hebben harten vol ware menschenliefde. Is er nog iemand anders in de uitnoodiging begrepen?"

"Alleen maar Nell en Bunby en Baby. O, en moeder zegt, dat wanneer je ooit lust mocht hebben, eenige dagen te komen jagen, je haar altijd hartelijk welkom zult zijn."

"De gastvrijheid der squatters is wereldberoemd, maar dit overtreft alles, Esther!" De kapitein stond op, en rekte zich uit met het vergenoegde gelaat van een man, die zich verlost voelt van eene nachtmerrie. "Neem de uitnoodiging onvoorwaardelijk aan--voor allen. De gevolgen mogen zij zelf ondervinden; maar ik ben bang, dat men op Yarrahappini treurige ervaringen zal gemaakt hebben, eer de maand voorbij is!"

Hoe treurig deze ervaringen zouden zijn, kon hij toen in de verste verte niet vermoeden.

HOOFDSTUK XV.

DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN.

Zij vulden eene geheele coupé--wel was er nog eene plaats open, maar men scheen niet begeerig die in te nemen, nadat men een haastigen blik naar binnen geworpen had.

Daar zaten zij met hun achten, en alleen Esther was degene, die toezicht hield--Esther in eene rose blouse, en met een matrozenhoedje, met een gelaat zoo stralend en ondeugend als dat van Pip. De kapitein had hen naar het station gebracht, en Pat zorgde voor de bagage. Hij had de kaartjes genomen--twee gewone voor Esther en Meg, en vier voor half geld voor de vier anderen. Baby werd zelfs niet met een kaartje voor half geld voorzien, zeer tot hare eigen verontwaardiging--het was eene beleediging voor hare vier en een half jaar, om voor niets te kunnen reizen evenals de Generaal.

Maar de kosten van deze stukjes bordpapier hadden den kapitein zeer ongelukkig doen kijken: hij kreeg niet meer dan achttien stuivers terug van de tien pond, die hij gegeven had; want Yarrahappini lag op de grenzen van het onbekende land.

Hij gaf de achttien stuivers uit aan geïllustreerde tijdschriften, en uit de keuze van deze bleek wel, dat hij geen hoogen dunk had van den letterkundigen smaak zijner familie; hij voorzag bovendien Esther van een boekdeel in geel linnen gebonden, waarop eene dame in het groen was afgebeeld, die in de armen van een heer, welke in purper was uitgedost, flauw viel, en Meg met Mark Twain's "Springende Kikvorsch," omdat hij in den laatsten tijd eene zekeren zwaarmoedigen blik in hare oogen had opgemerkt.

Toen werd de bel geluid, een gefluit deed zich hooren, conducteurs liepen in groote haast her- en derwaarts, en men nam afscheid, vroolijk of treurig, al naar de omstandigheden.

Eene vrouw stond droevig te schreien op het perron, en een meisje met vriendelijke oogen, vol tranen, leunde uit het venster van een tweede-klasse coupé en sprak haar toe; daar was een squatter met gebruind gelaat, die een pet van stof ophad, en eveneens stoffen schoenen, en voor wie de driehonderd mijlen lange reis eene weinig belangrijker gebeurtenis was, dan een maaltijd; en daar was de jonge man, die voor zijne zaken op reis moest, en wien eene reis naar Engeland weinig korter voorkwam, nu hij voor een geheel jaar van zijne vrouw en zijn kind afscheid nam; en waggons, waarin dames zaten, die weer naar de wildernis terugkeerden na hun jaarlijksch of halfjaarlijksch bezoek aan de Sydneysche beschaafde wereld; en daar waren de acht reizigers, die ons in het bijzonder interesseeren, en die zich voor het portier en de vensters verdrongen, om den kapitein nog eens toe te knikken, en vaarwel te zeggen.

Hij zag er volstrekt niet neerslachtig uit, toen de trein met veel rumoer wegstoomde--met zwierigen stap wandelde hij het perron af, alsof het vooruitzicht twee maanden als jonggezel te moeten doorbrengen, ook wel zijne lichtzijde had.

Te half zeven in den namiddag vertrokken zij, en zij zouden in Curlewis, het station, dat het dichtst bij Yarrahappini gelegen was, ongeveer te vijf uur in den volgenden morgen aankomen. Nu het gezelschap zoo talrijk was, kon er geene sprake van zijn, billetten voor den slaapwaggon te nemen, maar in het koffernet lagen verscheidene reisdekens, en twee of drie windkussens, bestemd voor hen, die zich vermoeid mochten gaan gevoelen. Het denkbeeld, zoovele uren in den trein door te brengen, was al de kinderen heerlijk voorgekomen; geen enkele van hen behalve Judy had ooit verder dan veertig of vijftig mijl ver gereisd, en het scheen hun buitengewoon verrukkelijk toe, steeds voort te stoomen, als het donker, zou geworden zijn even goed als bij daglicht.

Maar lang voor het tien uur in den avond was verloren hunne droomen allen glans en alle bekoorlijkheid. Nell en Baby hadden eene woordenwisseling gehad over het opblazen der windkussens, en waren te moede en te kribbig, om weer vrede te sluiten; Pip had Bunby wegens de eene of andere duistere reden een tik gegeven, en kreeg twee schoppen terug; Judy had hoofdpijn, en het geraas was juist niet geschikt, om die te doen verdwijnen; Meg was moe geworden van het staren naar het duistere landschap, door hetwelk zij heengleden, en dacht er aan, of Alan zou merken, dat zij nu niet meer op de stoomboot verscheen; en de arme kleine Generaal vervulde de warme lucht met luide klaagtonen over de raadselachtige behandeling, die hij onderging, en die hij zich moest laten welgevallen.

Esther had hem zijne bovenkleertjes uitgetrokken, en een schilderijtje van hem gemaakt, door hem een roomkleurig flanellen nachtjaponnetje en een rose wollen jasje aan te trekken. En een half uur lang had hij er zich blijmoedig in geschikt, dat hij van de eene hand in de andere werd gegeven, geliefkoosd en gekust. Hij had zelfs toegelaten, dat Nell in zijne rose teentjes een voor een beet, en een geruimen tijd onzin praatte over kleine biggetjes, die naar de markt gingen, en meer dergelijke dwaze dingen uitvoerde.

Hij had bijna niet tegengesparteld, toen er eene twist was gerezen over het bezit van zijne persoon, en Bunby zich aan zijn hoofd en zijn lichaampje had vastgeklampt, terwijl Nell heftig aan zijne beenen trok.

Maar na een poosje, toen Esther op een der banken een bedje voor hem in orde gemaakt, en hem daarop had neergelegd, drongen de onaangenaamheden die hem wachtten, tot zijn bewustzijn door.

Hij had thuis een wiegje, dat op een kleinen vergulden standaard rustte, die hem altijd een lust voor de oogen was--hij kon niet begrijpen, waarom hij dat moest ontberen, en genoegen nemen met een driedubbel gevouwen reisdeken. Hij was buitendien gewend aan een gedempt licht, eene stille kamer, en een waarschuwend fluisteren van sst! sst! wanneer de een of ander zoo ver ging, geritsel te maken.

Hier flikkerde het groote, gele licht den geheelen tijd door, en elk der luidruchtige familieleden, in wier handen hij zooveel moest dulden, was niet verder dan een paar voet van hem verwijderd.

Dus verhief hij zijne stem en schreide. En toen hij tot de ontdekking kwam, dat hij door schreien zijn wiegje niet kon terugkrijgen, evenmin als de kleine, dansende kwasten van het muskietengaas, begon hij twee tonen hooger, en toen zelfs op dat oogenblik Esther hem alleen, om hem te bedaren, op den schouder bleef kloppen, barstte hij in een oorverdoovend geschreeuw uit.

Nellie liet al hare lange krullen over zijn gezichtje dansen, om zijne aandacht te trekken, maar hij pakte ze arglistig en trok er aan, tot haar de tranen in de oogen kwamen. Esther en Meg zongen wiegeliedjes tot haar keel haar begon pijn te doen. Judy probeerde in de kleine ruimte met hem op en neer te loopen, maar hij hield zich stijf in hare armen, en zij was niet krachtig genoeg om hem vast te houden. Ten laatste viel hij van uitputting in slaap, diep snikkend ademend en nu en dan een hikkend, droevig geluid makend.

Toen werd Bunby slapende op den grond ontdekt, met zijn hoofd onder eene bank, en dus moest hij opgetild worden, en in eene gemakkelijker houding neergezet; en Baby, die in een hoekje rechtop neerzat, knikkebolde als een klein rose en wit meizoentje, dat door de zonnewarmte bedwelmd is.

Een voor een verstreken de lange uren, steeds verder en verder stoof de trein met zijne roode oogen door het stille, slapende land, zwaaiende om reuzenbochten, langzamer zich tegen de steilten opwerkend, met pijlsnelle vaart door de eindeloos zich uitstrekkende vlakte snellend.

De duisternis week voor een vaal licht, en mijlen lang verhieven zich nu, eentonig, jonge gomboomen tusschen den trein en den hemel. De zon verrees, en de aarde werd liefelijk en rozig, als een kind, dat uit zijne sluimering ontwaakt. En toen kwamen de vale tinten weer terug, de teedere, trillende lichteffecten verdoofden, en de regen begon te vallen. Stroomen regen, die tegen de ratelende vensters sloegen, voortgezwiept door een snijdenden morgenwind, die van de bergen kwam gevlogen. En zij waren een afgemat, slaperig kijkend, neerslachtig achttal, toen zij te vijf uur op het perron te Curlewis uit den waggon stapten. Judy hoestte van de vochtige morgenlucht en werd snel naar de wachtkamer gebracht en in een reisdeken gepakt.

En toen werden hunne koffers en valiezen uitgeladen en de trein stoomde weer weg, en daar stonden zij nu treurig en verlaten te kijken, want het scheen wel, dat er niemand was, die hen kwam halen.

Daar weerklonk het geluid van wielen, die door plassen rolden, het knallen van eene zweep, den hoefslag van paarden en zij stormden allen weer naar voren en keken over de witte paaltjes, die het perron afsloten, naar den weg.

Zij zagen een groot, overdekt rijtuig, gemend door eene wijde, gele olie-jas, die zeker het omhulsel was van een koetsier, en nog een hoog, ander rijtuig, waarvan een zeer groote man afklom.

"Vader!"

Esther stormde naar buiten in den regen. Zij sloeg hare armen om den druipenden regenjas en eerst na een paar minuten hief zij zich weer op. Misschien was dit de oorzaak, dat hare oogen en wangen zoo vochtig waren.

"Mijn klein meisje--Esther--kind!" zeide hij, en tilde haar bijna van den grond op, toen hij haar kuste, hetgeen een zonderlingen indruk op Meg maakte, in wier oogen hare stiefmoeder eene deftige persoonlijkheid was.

Toen leidde hij hen allen snel naar de rijtuigen, vijf stapten in het eene en drie in het andere. Zij hadden nog vijf en twintig mijlen te rijden.

"Wanneer hebben jelui het laatst iets gegeten?" vraagde hij; het speet hem de neerslachtige gezichtjes van de kinderen te moeten zien. "Moeder heeft cakes en sandwiches voor jelui meegegeven, maar koffie of iets anders warms kunnen we eerst krijgen, als we thuis zijn."

Esther vertelde hem, dat zij te Newcastle, om negen uur, het laatst koffie gehad hadden, maar dat deze zoo brandend heet was geweest, dat zij haar grootendeels niet hadden kunnen uitdrinken, en weer vlug hadden moeten instappen. De zweep werd over de paarden gelegd en zij vlogen over de modderwegen in een draf, dien Pip, niettegenstaande zijne vermoeidheid, met genoeg bewonderen kon. Maar het was toch een zeer onbehagelijke rit, en de Generaal schreide bijna onafgebroken van het oogenblik van vertrek tot zij aankwamen, zeer tot Esthers misnoegen, want zoo kon zijn grootvader, bij deze eerste kennismaking, niet den besten indruk van hem krijgen.

Ten slotte, toen iedereen begon te gevoelen, dat zijn geduld uitgeput raakte, verbrak een hoog wit hek de eentonigheid van druipend natte heggen.

"We zijn thuis!" riep Esther vroolijk. Zij liet den Generaal op hare knie dansen.

"Daar, van dat hek, viel mamaatje, toen zij drie jaar oud was," zeide zij, en keek er vol genegenheid naar, toen Pip het open wierp.

Nog eens ging het door den plassenden regen; de wielen rolden nu zacht voort, want de weg was bedekt met natte, gevallen bladeren.

"Waar is het huis?" zeide Bunby, terwijl hij tusschen Pips arm die op den bok zat, door keek; hij zag nog steeds niets dan eene eindelooze laan van gomboomen. "Ik dacht dat je zeidet, dat wij er waren, Esther!"

"O, het woonhuis is niet zoo dicht bij het hek als op Misrule," zeide zij. En dit was inderdaad zoo.

Vijftien minuten gingen voorbij alvorens zij de schoorsteenen konden ontdekken, toen moest er een tweede hek geopend worden.

Er vertoonde zich aan hun oog een goed onderhouden grintweg, bloembedden met palmhegjes er om, een rijkdom van rozestruiken, die vooral Meg verheugde, en twee geschoren, nu zeer natte tennisgrasvelden.

En toen het huis.

De veranda trok al hun aandacht, want deze was zoo bijzonder groot, zoo groot als eene gewone kamer, en er stonden sofa's en stoelen, en tafeltjes hier en daar, hangmatten hingen in de hoeken, en eene dichte, groene kruipende plant met verregende vlinderbloemen slingerde zich tegen een buitenmuur.

"He!" zeide Pip. "He! wat ben ik stijf! Neen maar, wat begin je daar nu?"

Want Esther had haar zoontje op zijn knie gezet, gleed uit het rijtuig en liep de trap, die naar de veranda leidde, op. Daar stond een klein oud dametje, met eene heel groot huishoudschort voor. Esther sloot haar in hare armen, en zij kusten elkander en hielden elkander omstrengeld, tot zij beiden begonnen te schreien.

"Mijn lief klein meisje!" snikte de oude dame, terwijl zij met bevende hand Esther's natte haren en nog natter wangen betastte.

En Bunby, die ook dadelijk uitgestapt was keek van de slanke gestalte zijner stiefmoeder naar het kleine figuurtje van hare moeder en lachte.

Esther snelde terug naar het rijtuig, nam den Generaal van Pip aan, en, weer de treden opspringende, legde zij hem in haar moeders armen.

"Is hij niet een dikkertje!" zeide Bunby, deelende in haar trots. "U moet eens naar zijn beentjes zien!"

De oude dame zat één oogenblik neer in den natsten stoel, dien zij vinden kon, en drukte hem tegen zich aan.

Maar hij balde zijne verkleumde vuistjes, vocht zich vrij, en schreeuwde om Esther.

Mr. Hassal had de rijtuigen nu ledig gepakt, en kwam de trap op.

"Zou je hun niet eens iets te eten geven, moedertje?" zeide hij, en de oude dame liet in haar schrik haar kleinzoon bijna vallen.

"Ach! ach!" zeide zij, "waar zijn mijne gedachten? Wel, wel! Dat ik daarvoor niet eerder gezorgd heb!"

Tien minuten later hadden zij allen drooge kleederen aan, en zaten in de warme eetkamer met grooten eetlust te ontbijten.

"Wat had ik een honger!" zeide Bunby. Hij had den mond vol geroosterd brood, en was bezig zijn vierde ei te openen, terwijl hij een schotel in het oog hield, waarvan het eene gedeelte met honig, het andere met geslagen room gevuld was.

"Die lieve oude borden!" Esther nam het hare op, toen zij het leeggegeten had en keek vol liefde naar de blauwe rozen, die er op geschilderd waren. "En als ik bedenk, dat den laatsten keer, dat ik er van een at, ik..."

"Een bruidje was," zeide de oude dame, "en den sluier hadt je toen weggeslagen, en iedereen keek naar je, want je sneedt de taart. Twee zijn er sedert dien tijd maar gebroken--en, het is waar ook, Hannah, het dienstmeisje, dat gekomen is na Emily, heeft den hengsel van het suikermandje gebroken en een stuk uit de spoelkom geslagen."

"Waar zat vader toen?" vraagde Meg. In hare gedachten bevolkte zij de kamer met bruiloftsgasten, de ham en de coteletten, het geroosterde brood en de eieren en de schalen met vruchten, waren veranderd in eene groote, hooge, witte taart met zilveren bladeren.

"Juist waar Pip nu zit," zeide mevrouw Hassal, "en hij hielp Esther met de taart, omdat zij haar met zijn sabel sneed. Wat heb je toen een groot gat in het tafelservet gemaakt, Esther, het was mijn beste damasten met de convolvulus-bladeren, maar ik heb het natuurlijk gestopt!"

Baby had haar kop omgeworpen, en de koffie liep nu over haar heen en over haar bord en over Bunby, die naast haar zat.

Zij barstte in tranen uit van vermoeidheid, en omdat zij zenuwachtig was door al het nieuwe, dat haar omringde. Zij gleed van haar stoel en onder de tafel. Meg tilde haar op.

"Mag ik haar naar bed brengen?" zeide zij. "Zij schijnt doodelijk vermoeid."

"Mag ik ook naar bed?" sprak Nellie, terwijl zij haar ontbijt verder liet staan en haar stoel naar achteren schoof. "Ik heb zulk een slaap!"

"En ik dan!" Bunby at in vliegende haast alles wat op zijn bord lag en stond op. "En die akelige koffie loopt in mijne laarzen!"

En dus, juist toen de zon begon te glimlachen en de tranen van den hemel weg te jagen, gingen zij allen naar bed om de schade van den onrustigen nacht in te halen, en het was zes uur en weer theetijd voor een van hen de oogen opende.

HOOFDSTUK XVI.

YARRAHAPPINI.

Yarrahappini in den zonneschijn, dien zonneschijn, die den zilveren draad van den thermometer tot 100° doet stijgen!

In de verte teekende zich aan drie zijden met eene zachte blauwe lijn eene heuvelreeks met bosschen af. En in den omtrek van het woonhuis waren de boomen krachtig en heerlijk groen, en de bloemen prijkten met een rijkdom van kleuren.

Maar de vlakte, die zich daartusschen uitstrekte, was bruin. Haar bedekte verzengd gras, hier en daar afgewisseld door een plek vaalgroene halmen, terwijl kleine boschjes de ruggen der heuvels, die eenige afwisseling brachten in de rechte lijn der velden, bedekte, en weer in de hellingen verdwenen, waar gras en doorngewas welig groeiden. Het hoofdstation bestond uit een klein dorp op den top van een heuvel. Jaren geleden, toen Esther niet grooter was dan haar kleine Generaal nu, had er alleen eene ruw getimmerde woning gestaan op den heuveltop, met een paar hutten van boomschors als bijgebouwen.

En Mr. Hassal was van den morgen tot den avond in het zadel geweest, en had harder gewerkt dan twee van zijne drijvers samen, en mevrouw Hassal had hare liefhebberijen laten rusten, hare handwerken, hare guitaar, haar schilderdoos, en had geschrobd en gekookt en gewasschen als menige vrouw van een landbezitter vóór haar gedaan had, tot de angstig verbeide wolmarkt hun betere dagen bracht.

Toen verrees eene groote, steenen woning juist tegenover het kleine, oude buitenhuis met zijn door flesschen afgeperkt tuintje, waar nooit iets aristocratischers te zien was geweest dan de snuitjes van biggetjes en scharlakenroode geraniums. Het was een zeer mooi buitenhuis, met eene menigte luchtige kamers, vele vensters en een diepe veranda. Het kleine roode gebouwtje was keuken, buitendien bevatte het kamertjes voor de twee dienstmeisjes, en aan het groote woonhuis was het met eene overdekte gang verbonden.

Een honderd ellen ver weg stond eene woning, die twee vertrekken bevatte, en bewoond werd door den zoon van een Engelschen baronet, die tegen zeventig pond in het jaar en vrijen kost, de boeken van Yarrahappini hield en het opzicht voerde over de magazijnen.

Nog wat verder stonden twee hutten van boomschors, zij waren tegen elkaar aan gebouwd. Tettawonga, een oude, kromme inboorling, woonde in de eene, en voerde weinig meer uit, dan rooken, en iederen morgen vertellen, wat hij van het weer dacht. Twintig jaar geleden had hij meegeholpen om een stevig fundament te maken voor het roode woonhuis, dat geheel gereed gebouwd daarheen was gebracht op een grooten, door ossen getrokken wagen.

Voor vijftien jaar had hij met zijn tomahawk een van twee struikroovers, die zich in Yarrahappini poogden te nestelen, in de afwezigheid van den eigenaar gedood, en had hij de kleine bevende mevrouw Hassal en Esther naar eene veilige plaats gebracht, was teruggegaan, en had den anderen een slag op het hoofd gegeven, die hem bedwelmde, tot hulp kwam opdagen.

Zoo had hij zich natuurlijk een recht verworven op de hut en het dagelijksch rantsoen en de pijp, die nooit van zijne lippen kwam.

Twee werklieden van de bezitting woonden in de andere hut, wanneer zij niet uit waren naar veraf gelegen weiden.

Vlak bij het huis was een groot, waterdicht gebouw, met eene zware, van een hangslot voorziene deur.

"O, laten we daar eens ingaan," zeide Nell, aangetrokken door de grootte van het hangslot; "het ziet er uit als een huis, waarin schatten geborgen worden, uit een boek. Mogen we er niet in, grootmamaatje?"

Zij waren bezig alle gebouwen te verkennen--de zes kinderen in een troepje, mevrouw Hassal, die zij allen "grootmamaatje" noemden, zeer tot haar genoegen, en Esther met den jongen.

"Je moet het gaan vragen aan Mr. Gillet," zeide de oude dame, "hij bewaart de sleutels van het voorraadshuis. Kijk, hij woont aan den overkant in dat huisje naast het waterreservoir, en spreekt beleefd, kinderen, alsjeblieft!"

"Zulk een beschaafd man," zeide zij zachtjes tot Esther, "zoo knap, zoo welgemanierd, als hij alleen maar niet zoo dronk."

Meg en Judy gingen, met Baby achter haar aan rennende, zoo vlug als hare korte beentjes het haar veroorloofden.

"Binnen!" zeide eene stem, toen zij klopten.

Meg aarzelde zenuwachtig, en een man opende de deur. Een groote, magere man, met rustelooze, zwaarmoedige oogen, een bruin, breed voorhoofd, en zorgvuldig geknipten baard.

Judy deelde mede, dat mevrouw Hassal hen gezonden had om de sleutels, als hij er niet tegen had.

Hij verzocht haar binnen te komen en te gaan zitten, terwijl hij naar het gevraagde zocht.

Meg was verwonderd over de kamer, gelijk hare blauwe oogen duidelijk te kennen gaven, want zij had alleen maar van hem hooren spreken als van den magazijnmeester. Er was een boekenrekje, waarop zij Shakespeare en Browning en Shelley en Rosetti en Tennyson, William Morris en vele anderen zag, waarvan zij vroeger nooit gehoord had. Er hingen aardig in een lijst gezette photographieën en gravures van Engelsche en Europeesche tafereelen aan de muren. Er was een klein geëmailleerd zilveren vaasje op een hoekje, en eenige bloemen met lange ranken bloeiden daarin. De tafel met de overblijfselen van het ontbijt er op, was even keurig op kleine schaal als die, welke zij zooeven had verlaten, in het groote woonhuis.

Hij kwam uit de binnenkamer terug met de sleutels. "Ik was bang, dat ik ze op eene verkeerde plaats gelegd had," zeide hij. "De middelste past op het hangslot, Miss Woolcot; de dikke koperen is voor de twee kisten, en de lange stalen voor de kast."

"Dank u vriendelijk; ik vrees, dat wij u bij het ontbijt gestoord hebben!" zeide Meg, terwijl zij opstond en eene kleur kreeg, omdat zij dacht, dat hij hare verbazing over het boekenrekje had opgemerkt.

Hij deed, alsof hij hare verlegenheid niet merkte en hield de deur voor haar open, met eene buiging, waar wel iets hoffelijks in was. Althans, dit vond Meg, terwijl zij vol verbazing er over peinsde, hoe het kon, dat men gezouten vleesch bij den centenaar en kisten vol meel bezat. Hij keek haar na, toen zij over het gras liepen--ten minste hij keek naar Meg in haar luchtig mousselinen japonnetje met licht blauw ceintuur, Meg met haar strooien zonnehoed en haar glanzende vlecht van kroezend haar, die tot op haar middel hing.

Judy's lange zwarte beenen en verkreukt batist kleedje hadden niets schilderachtigs.

Mevrouw Hassal maakte het hangslot van het voorraadshuis open. Welk een koor van "o's!" en "hè's!" rees er op uit de kinderen.

Baby had nog nooit in haar leven zooveel suiker bij elkaar gezien; naar haar gezichtje te oordeelen, was zij wel gaarne een paar uur alleen in deze groote kamer geweest.

En dan de krenten! Er was een groote houten kist boordevol--het zouden wel ongeveer vijftig pond zijn, dacht mevrouw Hassal, toen zij er haar naar vraagden.

Bunby nam stil een handvol weg en stopte die in zijn zak, terwijl iedereen bezig was naar den berg van kaarsen te kijken.

"Zelf gemaakt, liefje, natuurlijk!" zeide de oude dame. "Wel, ik zou er niet toe kunnen overgaan eene gekochte kaars te gebruiken, evenmin als gekochte zeep!"

Zij liet hen de groote staven van zuiver ruikende, gele zeep zien, en fijnere, lichter gekleurde voor de waschtafel.

Hammen en zijden spek hingen in groot aantal aan de balken. "Dit zijn schapenhammen," zeide zij, wijzende naar een gedeelte. "Die heb ik voor de drijvers."

Pip wenschte te weten, of het de bedoeling was, dat het magazijn hun moest dienen voor hun geheele leven, er was genoeg; hij was verbaasd te hooren, dat het iedere zes maanden opnieuw voorzien werd.

"Twintig tot dertig man, dat zijn dus de grenswachters en drijvers op verschillende gedeelten der bezitting, en tweemaal dit aantal in scheer- of drijfjachttijd, om niet te noemen de daglooners, die iederen dag hier werken--het is, alsof men een leger voedt, kinderen!" zeide zij. "En dan moest ik toch ook zorgen, voor jelui allen genoeg voorraad te hebben--vooral voor Bunby."

Zij knipoogde schalks met hare kleine, grijze oogen, toen zij naar dien kleinen jongen keek.

"U kan ze terugkrijgen," zeide Bunby, half pruilend. Hij haalde een half dozijn krenten uit zijn zak te voorschijn. "Ik had niet gedacht, dat het u iets kon schelen, bij zulk eene menigte; wij hebben maar eene flesch vol thuis."

Waarop de oude dame hem op zijn hoofd tikte, een blik openmaakte, en zijne handen met vijgen en dadels vulde.

"En moet u iederen dag voor al die mannen koken?" zeide Meg, benieuwd welke keukenkachel daar groot genoeg voor zijn kon.

"Neen, schatje!" antwoordde de oude dame. "Wel neen! Iedere man zorgt voor zich zelf in zijne eigen hut; zij krijgen zelfs niet eens brood, alleen porties meel, om voor zich zelf hun twaalfuurtje te bereiden. Ook geven wij hun eene bepaalde hoeveelheid vleesch, thee, suiker, tabak, kaarsen, zeep en nog het een en ander."

"Waar bewaart u de wol en zulke dingen?" zeide Pip, wiens geest zich verheven gevoelde boven de zelfgemaakte kaarsen; "ik kan geen enkele loods of iets dergelijks ontdekken."

Mevrouw Hassal deelde hem mede, dat die op een mijl afstand stonden, bij het riviertje, waar de schapen op een bepaalden tijd van het jaar gewasschen en geschoren werden. Maar de hitte was te groot, dan dat zelfs Pip verlangde, om juist nu er heen te gaan; dus namen zij Mr. Hassal in beslag, verlieten grootmama met Esther, den Generaal en Baby, en gingen naar de uit baksteen gebouwde stallen in de nabijheid.

Daar waren drie of vier voertuigen met kappen, maar in het geheel geen paarden, deze waren verderop in de weiden. Zij liepen over het grasveld den heuvel op. Een half dozijn paarden gaven gehoor aan een eigenaardig gefluit van Mr. Hassal; de andere waren wilde, ongetemde dieren, die de manen schudden en op het zien van menschen naar de verst afgelegen gedeelten, waar de boomen groeiden, vluchtten.

Pip koos er een uit, een grijs, met lange harddraverspooten, en een smallen mooien kop; hij was wat trotsch, dat hij verstand van paarden had! Judy koos een zwart, met roodachtige, beweeglijke oogen, maar Mr. Hassal stond het haar niet toe, daar het een wisselvallig temperament had, en dus moest zij zich tevreden stellen met een bruin diertje, met zachten, satijnachtigen neus.

Meg vraagde om een "heel erg mak" op fluisterenden toon, zoodat Judy en Pip haar niet konden hooren, en kreeg een oud beestje, dat mevrouw Hassal achttien jaar geleden gedragen had. Ieder dier was bestemd om geheel ter beschikking te staan van het jonge volkje, gedurende hun verblijf te Yarrahappini. Maar de ritjes moesten plaats hebben voor het ontbijt of na de thee (werd hun gezegd), als zij er eenig genoegen van verwachtten; het was anders te warm om paard te rijden. Nellie was teleurgesteld in de schapen, uitermate teleurgesteld. Zij had verwacht, groote, sneeuwwitte dieren te vinden, die tam zouden zijn, en haar zouden toelaten, linten om hunne nekken te strikken, en hen rond te leiden.

Van den heuveltop zag zij den volgenden morgen het eene omheinde grasveld na het andere, elk met eene bruine, langzaam bewegende massa; zij rende naar beneden, door den zonneschijn, met Bunby, om ze van dichterbij te bekijken.

"O, hoe jammer!" riep zij uit, en ware tranen van teleurstelling sprongen haar in de oogen, toen zij de groote, luie dieren met hunne lange, vuile, gehavende vachten zag.

"Wacht maar een tijdje, vrouwtje!" zeide Mr. Hassal. "Wacht maar, tot dat wij ze baden!"

HOOFDSTUK XVII.

DE RUNDEREN VAN YARRAHAPPINI.

"De wilde stugge kudde te drijven in de omheining ... Met een loopend vuur van zweepen en vurig hoefgetrap ...."

Pip kan nauwelijks slapen op een nacht, een maand na hunne aankomst, daar hij dacht aan de vee-drijfjacht, die op het programma stond voor den volgenden dag. Hij was aan het zoeken geweest naar de eene of andere nieuwe bezigheid, want hij was een jongen, voor wien afwisseling het zout van het leven was. In het begin was hij er zeker van geweest, nooit het konijnenschieten vervelend te gaan vinden. Mr. Hassal had hem het "aardigste, bovenste beste geweertje" gegeven, en Tettawonga was den eersten dag met hem uitgegaan, en had zijne opgetogenheid, dat hij er twee geschoten had, met groote minachting bejegend.

"In de boschjes, konijn genoeg. Jager kan gaan naar het noorden, naar het zuiden, jager kan gaan waarheen hij wil. Bah, ieder goed prikkeldraad doet, elk goed vergif doet. Bah!"

Maar Pip kon niet zoo spoedig ontmoedigd worden en dacht werkelijk, dat hij den Yarrahappinischen staat een groot voordeel gedaan had, door die twee zachte, vlugge, bruine diertjes te schieten. Hij nam ze mee naar huis, en liet ze vol trots aan de meisjes zien, maakte zijn volkomen schoon geweer schoon, en ging den volgenden dag met zijne uitvallen voort.

Tettawonga nam zijne pijp van zijne lippen, toen hij hem weer zag, en lachte, een luiden, gichelenden lach, die Pip rood deed worden van drift.

"Morgen en morgen weer! Konijn nu gauw weg gaat. Jongen komt met groot geweer, konijn dadelijk bang is, gaat onder den grond. Ha, ha, hi, hi!"

Pip begreep zijn gebrekkig Engelsch genoeg om te weten, dat met hem den draak gestoken werd, en zeide hem boos: "zijn zottepraat voor zich te houden."

Daarop schouderde hij het geweer, waarop hij zoo overmatig trotsch was, en ging naar den anderen kant van de prikkeldraadomheining, waar het gelukkig jachtterrein was van het kleine knaagdier, dat Mr. Hassal belette rijk te worden.

Hij schoot er dien dag vijf, den volgenden vier, den daarop volgenden zeven, maar na een tijdje begon het hem te vervelen, en ging hij op vogels jagen, met meer plezier, maar minder zekerheid van de vangst.

Iederen dag was tot aan den rand gevuld met genietingen, en was het alleen maar niet zoo ontzaglijk warm geweest, dan zou die eerste maand te Yarrahappini er een geweest zijn, van volkomen tevredenheid en geluk.

En nu was er de vee-drijfjacht!

Het ontbijt werd op den morgen van de groote gebeurtenis zeer vroeg gebruikt; tegen half zes was het reeds afgeloopen, en Pip, in een koorts van rusteloosheid, vertelde aan Mr. Hassal, dat hij er zeker van was, dat zij te laat zouden zijn, en alles misloopen.

Judy had ijverig gepleit, om toestemming te krijgen mede te gaan, maar iedereen zeide, dat hiervan geene sprake kon zijn--het werd zelfs in twijfel getrokken, of het verstandig was Pip toe te staan het gevaar onder de oogen te komen, dat onafscheidelijk is van het drijven van het wildste gedeelte der kudde, dat van veraf gelegen weiden was opgejaagd.

Maar hij had zoo naar den dag verlangd, en zich zoo doelmatig gekleed, dat Mr. Hassal niet het hart had, hem thuis te laten.

Hij kwam naar beneden om te ontbijten in een baaien hemd en een oude, saaien broek, om zijn middel vastgemaakt met een lederen gordel, in welken een ontbloot dolkmes, pas geslepen, los weg was gestoken. Geen overreding kon hem er toe brengen eene jas te dragen, noch het mes in de scheede te bergen.

Het grijze paard werd om het huis naar de trap der veranda gebracht, evenals Mr. Hassal's prachtig rijdier. Mr. Gillet zat op een goed onderhouden appelschimmel; hij had drie zweepen met houten handvat, twee van wel zestien voet lang, de derde was korter, en deze bood hij Pip aan.

Het gelaat van den jongen gloeide. "Hoera, Fizz!" riep hij uit, en hij stond in de stijgbeugels op en zwaaide de zweep om zijn hoofd. "Wat zou je er voor geven, om van plaats te ruilen?"

Hij drukte de sporen in de zijden van het paard en stortte zich holderdebolder in een wilden galop den heuvel af.

Het was anderhalve mijl naar de omheinde grasvelden voor de kudden, en daar heerschte de grootste opgewondenheid.

Pip kon niet begrijpen van waar al die mannen gekomen waren. Er waren wel twintig of dertig drijvers; scheerders, die niets te doen hadden; twee inboorlingen, buiten Tettawonga, die rookte en slaperig en vergenoegd toekeek, en verscheidene andere werklieden der bezitting.

Op het eerste omheinde grasveld waren vijfhonderd stuks vee, die daar den nacht te voren in gedreven waren, en die nu den aanblik van een zee van wildzweepende staarten en hoorns aanboden.--Wat een hoorns!--groote, gekromde, angstverwekkende hoorns, waarmede zij elkander openreten en woedend bevochten, daar zij zagen, dat zij niet bij den gemeenschappelijken vijand konden komen.

In het eerste oogenblik voelde Pip zich een weinig afkeerig de veilige plaats op den rug van zijn paard te verlaten. Het gedreun van de hoeven en hoorns, de wilde aanvallen, gedaan door de wanhopige dieren op de omheining, deden hem verwachten, deze iedere minuut krakend te zien bezwijken.

Maar al de anderen waren gaan zitten op de bovenste dwarslat van de omheining, en keken neer op de verwoede dieren; daarom maakte hij ten slotte zijne teugels aan een boom vast en trad omzichtig vooruit, om dit voorbeeld te volgen.

Op een plotseling signaal van Mr. Hassal lieten de mannen zich aan beide zijden aan den binnenkant der omheining zakken. Het doel was een tweehonderd stuks vee in de aangrenzende versterkte omheining, van welke het hek wijd open stond, te drijven. Pip was hoogst verwonderd over den moed der mannen; voor een oogenblik had zijn hart in zijn keel geklopt, toen de eene stier na den anderen zich een weg door hen trachtte te banen; maar de lucht weergalmde van zweepgeklap en van het geluid van stokslagen, en het eene beest na het andere trok naar het midden terug, den kop druipend van bloed.

Toen holde een ontzaglijk groot zwart dier, met een gebrul, dat den grond scheen te doen trillen, woest springend naar het hek; de geheele kudde kwam achter hem aan. Bliksemsnel vormden de mannen achter hen eene rij, schreeuwend, gillend, klappend met de zweepen, om ze vooruit te drijven. Pip vloog op, en hitste ze aan, geheel buiten zich zelven van opwinding. Toen hield hij zijn adem weer in.

Mr. Hassal en een van de inboorlingen slopen behoedzaam vooruit, langs den doorgang, door welken de onstuimige stroom van hoorns en ruggen zich stortte. Een half dozijn krachtige slagen van de mannen, en de laatste aanvoerder deinsde één oogenblik achteruit, de troep achter zich terugdringend.

In dit oogenblik hadden de twee mannen de sluitboomen dichtgeschoven en de kudde was in twee gedeelten verdeeld.

Wederom twee rijen drijvers, zweepgeklap, gebrul, bloed, hoorns, huiden, en hoeven in de lucht, en een veertig- of vijftigtal was binnen de derde omheining geborgen,--eene lange, nauwe ruimte met eene opening aan het eind, leidende naar de eindafdeeling.

Pip leerde van Mr. Gillet het doel van deze afscheiding: sommige der dieren waren bijna waardeloos, men had hen aan een opkooper toegewezen voor een paar pond het stuk, enkel de waarde van de hoorns, de huid en het vleesch. Andere waren voortreffelijke, vette beesten, gereed voor den slager en de markt van Sydney. En andere weer bleken buitengewoon schoone dieren van groote waarde als fokvee, en moesten in een afzonderlijk perk gebracht worden.

De man bij den laatsten doorgang verrichtte bet hoogst gewichtige werk van het uitkiezen. Hij was gewapend met een korten, dikken stok, en terwijl de andere mannen de dieren naar hem toe dreven, besliste hij bliksemsnel tot welke klasse zij behoorden. Een hevige slag op den neus, eene vlugge opeenvolging van harde slagen tusschen de oogen, en het meest woeste beest deinsde verblind terug waarheen de drijver het zond. Den geheelen dag werd het werk voortgezet, en juist toen de groote, warme, purperen schaduwen schuin over de vlakten begonnen te vallen, verzekerden zij den laatsten sluitboom, was het gevecht afgeloopen, en waren de dieren in de voor hen bestemde perken.

Pip at genoeg gezouten vleesch en ander voedsel om hem half dood te maken, dronk meer thee dan waarover hij ooit beschikt had op één avond in al zijn veertien jaar, slingerde zich in zijn zadel, daarbij den oudsten drijver zoo goed mogelijk nadoende, en bedacht, dat als hij slechts eene zwarte, leelijke pijp zooals Tettawonga en de andere mannen kon hebben, zijn geluk volmaakt en hij een man geworden zou zijn.

Hij kwam thuis "zoo moe als een hond", en vermaakte zijne zusters en Bunby met een levendig verhaal van de gebeurtenissen van den dag, terwijl hij breedvoerig uitweidde over zijne eigen kracht en de menigvuldige gevaren, waaraan hij ontsnapt was.

Den volgenden dag reden Esther en Judy met de anderen naar de omheinde grasvelden om vee te zien wegdrijven.

De besten van het gedeelte, die Mr. Hassal alleen verlangd had af te scheiden, niet te verkoopen, waren door het hek naar buiten gedreven, terug naar hunne vroegere velden en weiden.

De "landopeters", een honderd vijftig stuks, met een half dozijn drijvers, gezeten op de beste paarden der bezitting, die voor hen uitgezocht waren, werden bevrijd uit hunne opsluiting, in een toestand van waanzinnige woede, met veel geklap van zweepen en gegil, samengedreven tot eene kudde, en over de vlakte voortgejaagd in de richting van den weg. En een uur of twee later werd de beste troep slachtvee weggeleid, en wederom heerschte er rust op Yarrahappini.

Gedurende de twee dagen van opwinding hadden alle kinderen omtrent hunne toekomst een besluit genomen. Zij hadden allen beroepen gekozen van landelijken aard.

Pip was van plan drijver te worden en vee te merken en kudden op te jagen, zijn geheele leven door. Judy besloot zijn aide-de-camp te zijn op voorwaarde, dat hij haar in het zadel liet blijven, en haar eene even lange zweep als hij had, verschafte. Meg dacht, dat het haar wel zou aanstaan, den rijksten squatter van Australië te trouwen, en den Gouverneur en den Premier te logeeren te krijgen voor jachtpartijen en dergelijke dingen, en bals te geven, waarheen alle menschen uit honderd mijlen in den omtrek zouden komen. Nell besloot, dat zij zeep en kaarsen, zoowel gekleurde als ongekleurde zou maken, als zij tot de jaren des onderscheids zou gekomen zijn, en Baby had grooten zin kampen vol lieve lammertjes te houden, die nooit schapen werden.

Bunby geraakte over geen dezer plannen in vuur.

"Ik zou liever willen zijn, zooals Mr. Gillet!" zeide hij, en zijne oogen keken droomerig.

"Daar zou ik voor danken. Geen boeken en cijfers! Geef mij een gedeelte van Salt Bush, en eenige duizenden schapen!" zeide Pip.

"Hoor hij, hoor hij!" riep Judy er tusschen.

"Ezels!" zeide Bunby op een toon van groote minachting. "Bewaart Mr. Gillet niet de sleutels van het magazijn?--denk dan toch eens aan de krenten en vijgen!"

HOOFDSTUK XVIII.

DE PICNIC TE KRANGI-BAHTOO.

Esther was naar een bal gegaan, niet in eene lichte japon met groote pofmouwen, met lagen hals, verrukkelijk schoon onder haar châle en kanten, niet door den duisteren nacht naar eene zee van licht en liefelijke muziek.

Zij was gegaan, in het heldere licht van den morgen, in eene linnen japon met lichtblauw overhemd, een matrozenhoedje, en eene reisvoile.

Onder den bok, waarop Mr. Hassal zat, stond eene doos, waarin zich eene mooie japon bevond van lichtgele zijde, opgemaakt met luchtig chiffon. En daar waren gele schoenen en kousen, een veeren waaier in eene hoedendoos op haar schoot, en een keurige onderrok met sleep, versierd met allerliefste strookjes, die Meg hartelijker dan ooit deed verlangen, groot te zijn. Maar geen van deze dingen zou nog in de eerste uren worden gebruikt.

Het bal had plaats in eene woning, die de kleinigheid van vijf en vijftig mijlen ver van Yarrahappini gelegen was, en dus had zij natuurlijk tamelijk vroeg moeten vertrekken, om zich op haar gemak te kunnen "mooi maken" zooals Pip dit noemde.

De kinderen zouden, als eene vergoeding daarvoor, dat zij aan dit genoegen geen deel konden nemen, onder elkander een buitengewonen picnic mogen houden.

In de eerste plaats was de plek, die zij daarvoor uitgekozen hadden, veertien mijlen ver; in de tweede plaats zou de reis daarheen niet in alledaagsche rijtuigen of op gewone paarden gemaakt worden, maar op een sleeperswagen, getrokken door een span van twaalf ossen.

Een grenswachter had gemeld dat een prachtige gomboom, dien zij lang den Koning der Koree's genoemd hadden, door eene hevige windhoos omgewaaid was geworden, en Mr. Hassal beval dadelijk dat, hoe groot de moeite ook zijn zou, hij weggehaald moest worden om eene soort van dam dwars door het riviertje te Krangi-Bahtoo, de plaats, waar men den picnic wilde houden, te vormen. De gevallen woudreus lag twintig mijlen van het woonhuis, en zes mijlen van Krangi-Bahtoo; en de afspraak was, dat de wagen het gezelschap veertien mijlen ver zou rijden, dan den boom zou halen, en hem bij het riviertje brengen, waar hij voorloopig kon blijven liggen, en vervolgens de kinderen in de koelte van den avond weer als rijtuig zou dienen.

Wanneer het niet zijn plan geweest was zijne dochter op het bal te vergezellen, zou Mr. Hassal zelf gegaan zijn om een oog op de werkzaamheden te houden. Nu vertrouwde hij echter den grooten kar aan vier mannen toe, en gelastte hun, een paar helpers te gaan halen, wanneer zij aangekomen zouden zijn.

Krangi-Bahtoo--of Eendenwater, zooals wij, minder welluidend, zouden zeggen--was de naam van den oorsprong van het riviertje, dat den grond uitholde en een poel vormde, tot het zich juist op dit punt een weg begon te banen, tusschen steile rotsen door en losse steenen, waar de kangoeroes dartelden en met de jagers verstoppertje speelden, terwijl het beschaduwd werd door blauwe gomboomen en roode gomboomen, die zich in den blauwen hemel daarboven schenen te verliezen.

Tettawonga had verteld van een geest, die daar woonde, waar het borrelende water een vijver vormde, een diepen schoonen vijver, welks oevers door fijne varens sierlijk omlijst werd, en welks waterspiegel de zware, dichte boomen, die hem als met een gordel omgaven, weerkaatste.

Het water had daar leven gebracht, de zwarte zwaan bouwde zijn nest tusschen het grasachtige riet, de wilde eend nam in zig-zag lijnen zijn vlucht. In de boomen huisden de orgelvogel, de glansspreeuw, eenige soorten van paradijsvogels, en vervulden de lucht met geluiden, hoewel dan ook niet met liefelijk gezang. En de bruine, de zwarte, en eene menigte andere vergiftige slangen gleden kronkelend tusschen de gevallen bladeren en het gras, en hielden zich gereed, elken indringer te ontvangen. En zoo kwam het, dat er eene voorwaarde verbonden was aan den picnic, die den kinderen overigens zoo van harte gegund werd.

Een ieder mocht medegaan, en mocht op den ossenwagen meerijden, maar de picnic moest op eenigen afstand van het ravijn gehouden worden en niemand had verlof zich daarheen te begeven, op straffe van oogenblikkelijk terug naar Sydney gezonden te worden.

Zij beloofden allen, dit bevel te zullen opvolgen. Mevrouw Hassal, nietig als zij was, verstond de kunst, zich onvoorwaardelijk te doen gehoorzamen.

Toen werd er een ongelooflijk aantal manden, volgepakt met allerlei heerlijke eetwaren, op den wagen gezet.

Mr. Gillet zou medegaan, om de kinderen niet geheel onder elkaar te doen zijn, en om op te passen dat niemand een zonnesteek kreeg.

Hij had Heine in den eenen zak als voorbehoedmiddel tegen de verveling, die deze lange, ongewone dag misschien zou meebrengen; een zwaarlijvigen, uitpuilenden Tennyson in den anderen, en een pak Engelsche couranten onder zijn arm, toen hij op den wagen klom, waar alle zeven reeds gezeten waren. Alle zeven? Zeker.

Judy had zonder den Generaal niet van de partij willen zijn, en had gezegd "met haar leven er voor te zullen instaan," dat hem geene ongelukken zouden overkomen.

Mr. Gillet keek bijna verstoord, toen hij het geheele troepje aanwezig vond, zonder dat de tot ondeugendheid neigenden thuis bleven, of iemand anders buiten hem zelven mee ging, die eenig gezag kon uitoefenen. Een oogenblik twijfelde hij, onder de gegeven omstandigheden, aan zijn persoonlijk overwicht.

Judy ving den weifelenden blik op.

"U zegt bij u zelven een gedicht op, Mr. Gillet!" zeide zij.

"Ik?" sprak hij, en keek verwonderd. "Werkelijk niet. Waarom denkt u dat, Miss Judy?"

"Ik kan het duidelijk hooren!" zeide zij. "Uwe oogen vertellen er van, en uw linker oor, om niet te spreken van de punten van uw snor."

"Judy!" riep verwijtend Meg, die door de eene of andere omstandigheid buitengewoon stil was.

Hij wendde voor, boos te zijn--sloot zijne oogen, hield zijn linker oor vast, en bedekte zijn snor.

"Wat zouden ze kunnen zeggen?" sprak hij.

""O, dat ik was waar 'k wilde zijn! Dan was ik niet, waar ik nu ben; Maar waar ik ben, daar moet ik zijn, En waar ik 't wilde, kan ik niet."

Meg, ik verzoek je vriendelijk uit te scheiden, met op mijne teenen te trappen!"

En zoo werd Mr. Gillet zelfs vroolijk en spraakzaam, om te toonen, dat hij zich amuseerde, en de ossen werden aangestoken door den opgewekten geest, die achter hen heerschte, en bewogen zich een klein weinig sneller voorwaarts dan slakken. Toen zij ongeveer tien mijlen ver gekropen waren, begon de langzame beweging en de hitte, die op hen neerviel, hen een weinig te kalmeeren.

"Als er niet iemand is, die een liedje zingt, of een verhaal vertelt, of iets voordraagt, of een grapje vertoont, dan stap ik uit en prik de ossen met mijn hoedenaald!" zeide Judy.

Zij stond op om hare stijf geworden beenen te ontspannen, en poogde zelfs een pas-de-seul uit te voeren, maar een gleuf in den weg was oorzaak, dat aan hare bewegingen alle bevalligheid ontbrak. Zij viel weer op den wagen neer.

"Hoe zou u het vinden, als ik u eens eenige gedichten voorlas, Miss Meg?" zeide Mr. Gillet.

Zijne hand tastte naar zijn zak, de groote, zware Tennyson werd te voorschijn gehaald; maar Judy en Pip en Bunby en Nell en Baby deden een kreet van verontwaardiging hooren.

"Dan zou ik nog liever uit willen stappen en de ossen en alles voortslepen!" zeide Pip; dus werd het boek weer weggeborgen.

"Een verhaaltje over het een of ander," zeide Judy,--"over een koekoeboerra, als u niets beter verzinnen kan!"

Zulk een vogel--met een deftig, geheimzinnig uiterlijk--zat op eene haag aan den kant van den weg, en zoo kwam juist hij Judy in de gedachten.

"Wel, u zou een vervelender verhaaltje kunnen hooren dan dat wat ik ken over den koekoeboerra, of goboerra of landmansklok--of hoe u hem wil noemen," zeide Mr. Gillet, en streek peinzend langs zijn snor; "maar eigenlijk is Tettawonga de man, om deze oude legenden te vertellen; wat ik u zal mededeelen, is dus maar een verhaal uit de tweede hand, en vrij vertaald."

Judy zette zich tot luisteren, en wiegde den Generaal heen en weer, om hem stil te houden.

"Wacht even tot ik deze vrucht naar hem heb geslingerd"--zeide Pip, haalde er een uit zijn zak, en verdreef den vogel van de haag. "Hij mocht eens de leugens, die er over hem verteld worden, hooren en zich gekrenkt gevoelen."

"Voor vele, vele jaren," Judy trok den neus op bij dit ouderwetsche begin, "voor vele, vele jaren," zeide Mr. Gillet, "toen dit jonge land nog jonger was, en onvergelijkelijk veel schooner, toen Tettawonga's voorvaderen dapper en sterk en gelukkig waren als zorgelooze kinderen, toen hun verschrikkelijkste droom hun nog nooit van een tijd had doen droomen zoo verschrikkelijk als de blanke man over hun ras zou brengen, toen--"

"O, spaar ons de inleiding!" pruttelde Pip ongeduldig.

"Toen," vervolgde Mr. Gillet, "om kort te gaan, een Gouden Eeuw dit land in zijn zonneschijn hulde, spreidden een jonge koekoeboerra en zijn wijfje de vleugels uit, en vertrokken naar de purperen bergen aan gene zijde der gomboomen. Iederen nacht en iederen dag hielden zij eenigen tijd rust, om zich met wormen, hagedissen, boschmuisjes en rupsen te voeden, hetgeen toen het eenige voedsel was der koekoeboerra's. Op een dag, toen zij over een bilwy vlogen--wat een klein stroompje is, Miss Judy--waren zij zeer verschrikt, toen zij een wipparoo--de naam, dien Tettawonga aan eene slang geeft, Pip--over een steen zagen liggen. Hare kop was opgeheven, haar mond wijd open, en haar nek zeer opgeblazen, en juist boven den kop van het monster fladderde, angstig klapwiekend en piepend, een mooi klein vogeltje, dat de koekoeboerra dadelijk herkende als zijnde de jeeda, het kleine blauwe winterkoninkje.

"De wipparoo scheen al het mogelijke te doen, om het aardige kleine diertje, dat van vrees en opwinding bijna uitgeput was, angstig te maken. Het vloog steeds naderbij, staarde onafgebroken in de glinsterende oogen der slang, en ten laatste, met een doordringenden schreeuw, viel het hulpeloos in zijne gapende kaak. De koekoeboerra's waren zeer bedroefd, toen zij het treurige uiteinde van de arme jeeda zagen, en vlogen vlug weg uit het gezicht van de vreeselijke wipparoo. Weldra zagen zij haar echter haastig door het gras glijden, zonder twijfel op weg naar haar hol na het uitgezochte maal. Zij kwam langs een blok hout, dat langzaam lag te branden, en zoodra de wipparoo dit ontdekt had, legde zij zich, daar zij zeer moede was, er naast neer, en sliep den slaap des onrechtvaardigen.

"In haar droom zag zij de jeeda weer boven zich fladderen, en plotseling haar kop ver omhoogstrekkende, opende zij haar vreeselijke kaken--toen eensklaps het mooie, blauwe vogeltje er zich uit bevrijdde, en ongedeerd vlug weg vloog."

"Heb ik van mijn leven!" zeide Bunby. "Ga voort; die was nog handiger dan Jonas!"

"De koekoeboerra's waren zoo verheugd, toen zij de wonderbare redding van de jeeda zagen, dat zij in een luid gelach uitbarstten--de eerste keer, dat een vogel gelachen heeft. Toen zonk de groote, roode zon, die Tettawonga en alle Koree's, Euroka noemen, weg achter de oranje getinte bergen, en de wereld werd grijs.

"Een slanke, jonge Koree, die kwam aanwandelen, zag de wipparoo, en met een slag van zijn sterke nulla-nulla, dat, vertaald, een knots is, scheidde hij haar kop van haar lichaam."

"Ik zou haar om mijn hoofd gezwaaid en haar rug verbrijzeld hebben, zooals Tettawonga doet!" zeide Pip. "Weet u zeker, dat hij het ook niet zoo deed, Mr. Gillet?"

"Daar zou ik niet gaarne een eed op moeten doen," zeide deze heer, "aangezien de Koree het tijdelijke met het eeuwige verwisseld heeft, en dus niet als getuige kan opgeroepen worden. En verder: de koekoeboerra's sluimerden den geheelen nacht in een dichtbijzijnden boom; maar toen de zon weer begon haar boog langs den hemel te beschrijven, ontwaakten zij met een lach op hunne lippen--snavels moest ik zeggen, Miss Judy--want zij dachten er aan, hoe de jeeda aan de onbarmhartige wipparoo ontsnapt was. En sedert dien tijd, zoo sterk werkte dit voorval op hunne lachspieren, bij zonsopgang en zonsondergang, en ook wel eens tusschen dien tijd, barsten deze vreemdsoortige vogels in het lachen uit, dat u allen goed kent, en wanneer zij eene slang zien, pakken zij haar met hunne sterke bekken en dooden haar, als de Koree deed.

"Miss Meg, die zilverachtig groene gomboom voor u, duidt Eendenwater aan."

Wat waren zij verheugd eindelijk te kunnen opstaan en hunne ledematen op den grond uitstrekken. Niemand van hen had gedacht, dat met een ossenspan rijden zoo vervelend, saai en ongemakkelijk was, als het na de eerste paar mijlen bleek te zijn.

Toen zette de wagen zijn weg voort.

"Ik ben benieuwd of zij terug zullen zijn vóór zonsondergang, als zij niet wat vlugger voortmaken," zeide Mr. Gillet; "het is nu tijd voor den lunch."

Zij bevonden zich op een groot grasveld, dat aan eene zijde plotseling naar het ravijn en het moerassige land afdaalde, hetwelk bekend was onder den naam van "Eendenwater."

Groote boomen wierpen hun schaduw aan den eenen kant, en langs den anderen bevond zich de omheining van prikkeldraad, die aantoonde, dat zij zich nog niet van Yarrahappini verwijderd hadden; verder op stond de eenzame hut van een der drijvers.

Zij gingen gezamenlijk naar hem toe, om hem te spreken en om zijne eenzame woning te zien, vóór hij zich bij de mannen met den kar zou gevoegd hebben.

Zij kwamen in eene kleine kamer, met een grooten haard en een schoorsteen, waaraan een pan, een ketel, een kop en een lepel hingen. Er stond een leger in eenen hoek, met een paar blauwe dekens er op, eene houten tafel en een stoel in het midden van het vertrek. Bij den haard was eene ruwe kast tegen den muur bevestigd. Zij was van eene oude zeepkist gemaakt, en bestemd, om levensmiddelen te bergen. Aan een spijker in de lage zoldering hing een zak van muskietengaas, en de gonzende vliegen, die hem omgaven, gaven te kennen, dat hij vleesch bevatte. De muren waren behangen met menig nummer van Het geïllustreerde Nieuwsblad van Sydney en De Courant voor Stad en Land, een courant van een maand oud lag op den stoel, waar de eigenaar hem had neergeworpen.

De drijver was eene studie in bruine tinten: bruine, droomerige oogen; bruin, stoffig haar; eene bruine, door de zon uitgedroogde en verschrompelde huid, een bruine, onverzorgde baard, eene bruine broek van geribd fluweel, en eene bruine jas.

Zijne pijp was evenwel zwart--zij zag er uit, alsof zij minstens twintig jaar was gebruikt geworden.

"Zou u niet liever dichter bij het woonhuis willen zijn?" vraagde Meg. "Is het hier niet eenzaam?"

"Daar merk ik niets van," zeide de bruine man tot zijne pijp of zijn baard.

"Wat voer je wel uit als je niet in de velden bent?" vraagde Pip.

"Rooken," zeide de man.

"Maar Zondags, en 's avonds?"

"Rooken," zeide hij.

"Op Kerstdag," zeide Baby, vooruitdringend om dezen vreemden man te zien, "wat doet u dan?"

"Rooken," antwoordde hij.

Judy wenschte te weten hoe lang hij in het kleine huis gewoond had, en allen stonden versteld toen zij hoorden, dat hij zeven jaar lang daarin den meesten tijd had doorgebracht.

"Verleer je wel eens niet het praten?" zeide zij met eene stem, waaruit schrik en verbazing spraken.

Maar hij antwoordde kalm zijn baard dat er toch altijd de kat was.

Baby had haar reeds gevonden onder de petroleum-aetherkan, die als emmer dienst deed, en het dier had haar op drie plaatsen gekrabd: bruin, als haar baas, had zij kwaardaardige oogen, groote snorren en was mager als een hout; maar eene genegenheid, die reeds jaren bestond, verbond die beiden.

Mr. Gillet deelde hem Mr. Hassal's verlangen mede, dat hij de andere mannen zou vergezellen en bij den boom helpen.

Hij trok een bruinen hoed over zijn voorhoofd en begaf zich naar den ossenkar, die den kronkelenden weg opgekropen was tot bij den heuveltop.

"Water van de ton, is dichterbij dan de rivier!" sprak hij tot zijne pijp voor hij heenging, en zij vonden zijn watervoorraad en vulden hun ketel voor den lunch.

De gebraden kippen en eendvogels van mevrouw Hassal smaakten uitstekend, hoewel de zon haar best deed, ze zelfs op de schotels nog te braden. En de appeltaart en abrikozengebakjes verdwenen snel, en van de vruchtensalade, welke uit twee hermetisch gesloten flesschen te voorschijn kwam, bleef geen lepelvol over.

Mr. Gillet had alles medegebracht om een meelkoek te bereiden, op uitdrukkelijk verzoek, en maakte na den lunch daartoe aanstalten, opdat zij den koek bij hun thee 's middags zouden kunnen nuttigen.

De koek werd zonder twijfel bewonderenswaardig vlug klaar gemaakt.

Mr. Gillet schudde eenvoudig eenig meel uit een zak op een bord, voegde daar een weinig zout en wat water bij; toen kneedde hij dit alles, vormde van het deeg een koek, en legde dezen op de asch van het vuur, waarna hij hem met de warme, witte asch bedekte.

"Hoe vies!" zeide Nell, en trok haar mooi neusje op.

Maar toen hij gaar was, en Mr. Gillet hem opnam en de asch verwijderde--zie! toen was hij luchtig en licht en prachtig wit.

Dus aten zij hem, en spraken vol geestdrift af, bij iederen volgenden picnic in de grasvelden van Misrule zulk een koek te maken.

Zij vulden twee borden met eetwaren en zetten deze in de kast van den bruinen man en Mr. Gillet legde zijne ongelezen Engelsche couranten op den stoel naast de kast.

"Die courant is een maand oud," zeide hij, ootmoedig, ziende dat Meg voor de eerste maal dien dag, hem glimlachend aankeek.

HOOFDSTUK XIX.

EEN LICHTBLAUW HAARLINT.

"Zij in haar maagdelijke schoonheid Als een heiligenbeeld zoo rein-- Hoe zouden die smarten en zonden, Voor haar gevaarlijk ooit zijn?"

Aanleiding tot de omstandigheid, dat onze aanminnige, bleeke Margaret karig met hare glimlachjes was geweest, had dezelfde man, die alleen ze miste, gegeven.

Eene warme vriendschap was in deze maand ontstaan tusschen het kleine, bevallige meisje, dat met zulke heldere, blauwe oogen eene toekomst tegemoet zag, die, dit gevoelde zij, schoon moest zijn, en den man, welke zooveel doorleefd had, welke terug kon staren op een verleden, dat zwart en treurig was door zijne eigen schuld.

Hij reed iederen dag met de meisjes uit, omdat mevrouw Hassal het niet aangenaam vond, wanneer zij verre afstanden alleen aflegden; en daar Judy haar paard zelden stapvoets liet loopen, en Meg het hare niet kon laten galoppeeren, was het natuurlijk, dat hij den geheelen tijd door aan de zijde der bedaarde en vreesachtige rijdster bleef.

"U herinnert mij aan een zusje van mij, dat gestorven is!" zeide hij eens langzaam tot Meg, na een vertrouwelijk gesprek. "Misschien, als zij nog in leven was, zou ik nu niet zoo verachtelijk zijn!"

Megs gelaat overtoog een hoogroode blos, en pijnlijk ontroerd keek zij voor zich. Het kwam haar vreeselijk voor, dat hij zou weten, dat zij niet onkundig was van zijne afdwalingen.

"Wie weet, of zij niet om u lijdt!" fluisterde zij zoo zacht, dat hij haar nauwelijks verstaan kon, en toen deed hare vermetelheid haar verbleeken, en zij liet haar paard een weinig sneller loopen, om hare verschrikte blikken te verbergen.

Op den terugweg viel het lichtblauwe haarlint, dat haar vlecht hield samengebonden, op den grond. Hij steeg af, en raapte het op. Meg strekte hare hand er naar uit, maar hij maakte den strik los, en wond het langzaam om zijne groote hand.

"Mag ik het houden?" zeide hij met zachte stem. "Als mijn blauwe lint? Ik ken de voorwaarden, waartoe men zich daardoor verbindt."

"Als u daaraan zou willen denken--o, als u dat wilde ..." zuchtte Meg meer, dan dat zij het sprak. Toen kwam Judy aangegaloppeerd, en zij reden alle drie naast elkander naar huis. Het maakte haar zoo gelukkig gedurende de warme, lange dagen, die nu volgden; voor een meisje, dat juist het leven binnentreedt, kan er geen reiner, dieper gevoel van vreugde bestaan, dan dat wat haar geschonken wordt door het bewustzijn, dat zij een invloed ten goede uitoefent op een man of eene vrouw, ouder dan zij zelve, bezoedeld en levensmoede. Arme kleine Meg! In hare liefelijke, zonnige droomen had zij haar grooten protégé gezien als wederom zijnde een man onder mannen, met opgeheven hoofd zijne plaats in de wereld innemende, terugkeerende naar het moederland en de jonkvrouw afhalende, die volgens hare vruchtbare verbeeldingskracht daar geduldig op hem wachtte; en, dit alles omdat zij, Meg Woolcot, zich zijner had aangetrokken, en hem den weg had gewezen, dien hij moest volgen.

En toen ging zij zich in een hangmat in de veranda aan de achterzijde van het huis wiegen, en al hare luchtkasteelen stortten in, en kwetsten en verwondden haar in hun val.

Achter haar bevond zich eene dichte kruipende plant, en door de takken en bladeren heen kon zij Tettawonga hooren praten met de keukenmeid.

"Mr. Gillet weer aan den gang!" zeide hij, en grijnsde met den kant van zijn mond, waar de pijp niet was. Meg hief zich in doodelijken schrik op. Sedert zij te Yarrahappini was, had zij deze uitdrukking te dikwijls met betrekking tot werklieden van de bezitting hooren gebruiken, om niet te weten, dat daaronder een aanval van hevige drankzucht verstaan werd.

"Goede hemel! Dat verwondert me niets!" zeide de dienstbode. "Hij is den laatsten tijd veel te matig geweest; ik denk, dat hij geprobeerd heeft nuchter te blijven zoolang de logés er zijn, maar dat kan hij toch niet volhouden! Wie heeft nu de sleutels?"

"Mevrouw Hassal," zeide hij. "Jij haar gaan helpen--hij zal vandaag wel niet naar de magazijnen omzien, Mr. Gillet--hi, hi, ha, ha!"

Dat was er dus met hem gebeurd in die drie dagen, gedurende welke zij hem niet gezien had! Zij had gehoord, dat hij in opdracht van Mr. Hassal naar de naastbijwonende buren gereden was, maar had er niet aan gedacht, dat hem zoo iets zou overkomen zijn. Den vijfden dag had zij hem in de verte gezien, eens, toen hij uit de magazijnen kwam en eens toen hij buiten zijne eigen deur stond te rooken, en geen van beide keeren had zij iets buitengewoons aan hem waargenomen, alleen misschien, dat zijne schouders iets meer gebogen waren.

Den zesden dag had de picnic plaats.

Even luchthartig en vroolijk als de anderen kon zij niet zijn, nu zij zoo teleurgesteld, nu haar vertrouwen in de menschen zoo geschokt was.

Wat was hij zwak, dacht zij; hoe karakterloos! Al haar medelijden had plaats gemaakt voor eene jeugdige, diepe verontwaardiging.

Zij had hem ternauwernood hare hand gereikt, toen zij elkander in den morgen ontmoet hadden, en was gedurende den langen rit opzettelijk koud en uit de hoogte tegen hem.

Na den lunch geraakte het gezelschap verspreid. Judy nam den Generaal en ging met hem naar den kant der boomen; Pip en Bunby hielden zich bezig met sprinkhanen vangen; Baby en Nell plukten wilde bloemen. Meg knielde neer om de lepels en vorken in te pakken en de overgeschoten eetwaren weer in de manden te leggen, om ze voor de mieren te beveiligen.

"Dat zal ik wel doen--u ziet er zoo warm uit, Miss Meg; blijf u maar kalm zitten!" zeide Mr. Gillet.

"Dank u, ik wil het liever zelf doen," antwoordde Miss Meg, met ijskoude kalmte.

Zij keek hem niet aan, maar hare lippen stonden zoo strak, dat hij kon vermoeden hoe toornig de blik harer heldere, blauwe oogen zijn moest.

Hij bood niet nogmaals zijne diensten aan, maar bleef haar met eene raadselachtige uitdrukking op het gelaat aan zitten staren, terwijl zij het een en ander inpakte. Toen zij bijna gereed was, haalde hij iets uit zijn zak te voorschijn.

"Dit moet ik u terug geven," zeide hij, en overhandigde haar het blauwe lint, keurig opgevouwen, maar daar, waar het gestrikt was geweest, kreukels vertoonende.

Zij nam het aan zonder hare oogen op te slaan, verkreukelde het in hare hand, en stak het in haar zak.

"Ik had bijna gehoopt, dat u het mij zou hebben laten behouden, ondanks alles"--zeide hij, "als een talisman voor de toekomst, maar uwe lippen zijn te streng, Miss Meg, dan dat ik deze hoop langer zou kunnen koesteren."

"Het zou even vruchteloos zijn, als het geweest is!" antwoordde zij stijf. Maar hare handen bewogen zich zenuwachtig, en zij pakte de resten van een ham en van een confiturentaart samen in een mand.

"Dus behoef ik mij geene illusies te maken?" zeide hij.

"Het zou tot niets leiden!" herhaalde Meg, terwijl zij sinaasappels en bananen met eene verhoogde kleur opraapte.

Hij begrijpt niet, hoe slecht hij geweest is, hij denkt, dat alles maar dadelijk vergeven en vergeten moet zijn, dacht zij.

Hij ledigde langzaam den trekpot op den grond, sloot hem met zijn zwart geworden deksel, en bond er eene courant om heen. Toen keek hij weer naar haar, en de wijze, waarop haar zijdeachtig haar op haar voorhoofd viel, deed hem aan zijn gestorven zusje denken.

"Ik smeek u mij het lint terug te geven, Miss Meg!" zeide hij.

Megs hart en hoofd kampten een hevigen strijd; haar hart was gevoelig en warm, en zeide haar, het lint te voorschijn te halen, en het hem dadelijk te geven; het hoofd sprak, dat hij zwaar gezondigd had, en dat zij hem haar misnoegen moest laten blijken, zelfs wanneer zij hem ten laatste zijn verzoek zou toestaan. Het hoofd behaalde de overwinning.

"Mijn invloed is klaarblijkelijk vruchteloos,--dat eindje lint zou in de toekomst toch niets baten!" zeide zij zeer koud.

Hij leunde tegen den boom en gaapte, alsof het onderwerp hem verder geene belangstelling inboezemde.

"U heeft gelijk!" zeide hij.

Meg had min of meer een gevoel van verslagenheid.

"Als u werkelijk veel aan het lint gelegen is, kan u het natuurlijk hebben!" zeide zij uit de hoogte.

Zij nam het uit haar zak, en reikte het hem toe.

Maar hij deed geene poging het aan te nemen.

"Behoud het en bind er uw haar weer mede vast, juffertje!" zeide hij. "Inderdaad, ik geloof ook niet, dat het van eenig nut zou zijn."

Meg ging met gloeiende wangen voort, alles, op te bergen, en hij stopte zijne pijp en rookte, en sloeg haar al dien tijd lui gade.

"Het is wel vreemd," zeide hij, meer alsof hij bij zich zelf eene opmerking maakte, dan dat hij tot haar sprak, "maar de vrouwen, die er het zachtst uitzien, zijn bijna altijd het hardst."

Meg opende haar mond om te spreken, maar vond geene woorden, dus sloot zij hem weer, en begon voor de vierde maal Mevrouw Hassal's vorken te tellen.

"Zou u het mij kwalijk nemen, Miss Meg, als ik u een raad gaf, in ruil voor alles, wat u voor mij deed?" zeide hij, nam zijne pijp uit zijne mond en keek naar het zilveren beslag, alsof hij de daarop gegraveerde letters wilde ontcijferen.

"Zeker niet!"

Zij legde het pakje neer en keek met kalme, verwonderde oogen tot hem op. "Zeg wat u wil, ik zal het gaarne aanhooren."

Hij ging rechtop zitten, en speelde met het uiteinde van een riem, terwijl hij sprak.

"U heeft broers," zeide hij, "eens zullen zij dingen doen, die minder goed zijn,--want alleen vrouwen als u, Miss Meg, en engelen kunnen altijd het rechte pad blijven bewandelen. Wees niet te hard voor hen. Doe geene poging, om hen het onderscheid te laten merken tusschen uwe deugd en hunne verdorvenheid. Zij zullen het duidelijk genoeg zien, maar het zal hun niet aangenaam zijn, als gij er hen opmerkzaam op maakt. Wees vriendelijk en vergevensgezind--zij zullen zich zoo rampzalig gevoelen, als ge maar kunt wenschen. De wereld heeft een eigenaardigen afkeurenden blik, en een onuitputtelijken schat van liefdelooze woorden--zou men niet kunnen volstaan, met er haar het monopolie van te laten?"

"O!" zuchtte Meg. Hare wangen waren donkerrood, en alle hoogheid was uit hare houding verdwenen.

Hij wond met groote zorg den riem om niets en ging met zachte stem voort:

"Veronderstel, dat Pip den een of anderen dag iets zeer verkeerds deed, en dat de wereld steenen op hem wierp, tot hij gewond en gebroken was. En veronderstel, dat hij, diep treurig, thuis kwam bij zijne zusters. En Meg, die alles wat slecht is, verafschuwt, werpt nog eenige kleine steentjes op hem, opdat de pijn hem eene les zou geven, welke hij niet meer zou kunnen vergeten. En Judy, die bedenkt, dat hij haar broer is en verdriet heeft, slaat hare armen om hem heen, en spreekt hem moed in, en helpt hem weer den strijd met de wereld beginnen, en voegt hem geen hard woord toe, noch ziet hem met een boozen blik aan, want zij denkt, dat die hem reeds genoeg worden toegevoegd. Welke zuster denkt u, Miss Meg, zal den meesten invloed hebben?"

Meg's kleine, liefelijke mond trilde, hare oogen waren strak neergeslagen, omdat de tranen er uit zouden gesprongen zijn, als zij zou hebben opgekeken.

"O!" zeide zij nogmaals. "O, wat ben ik slecht geweest--o!"

Zij bedekte het gelaat met hare handen, want een der snel opgewelde tranen trilde aan hare wimpers.

Mr. Gillet legde den riem en de pijp neer, en keek naar haar met een zachten, teederen blik.

"Ik ben meer dan tweemaal zoo oud als u, Miss Meg, bijna oud genoeg om uw vader te zijn,--u vergeeft mij, nietwaar, dat ik u dit alles heb gezegd? Ik dacht aan mijn zusje, dat gestorven is. Ik had nog eene zuster, die was een jaar ouder, maar zij was hardvochtig--ééns maar ging ik naar haar toe. Zij is eene der beste vrouwen van Engeland nu, maar hare woorden zijn streng. Mijne kleine Miss Meg, ik kan de gedachte niet verdragen, dat u misschien ook hardvochtig zou worden."

Dikke tranen waren tusschen de vorken gevallen. Meg schreide, omdat zij wel moest bedenken, welk een hatelijk schepsel zij was. Eerst had Alan haar de les gelezen, en over zijn zusje gesproken, en nu ook deze man.

Hij gaf een verkeerden uitleg aan haar zwijgen.

"Ik heb het recht niet, zoo tot u te spreken, omdat mijn leven alles behalve onbevlekt is geweest, dat denkt u op het oogenblik, nietwaar, Miss Meg?" zeide hij zeer treurig.

Meg liet hare handen vallen.

"O neen!" zeide zij. "O! hoe kan u op die gedachte komen? Ik vind het alleen zoo vreeselijk, dat ik zoo slecht geweest ben!" Zij greep in haar zak en nam er het lint uit.

"Wil u het terugnemen?" zeide zij.--"O, neem het, ik gevoel me anders zoo schuldig. O, ik bid u, neem het!"

Zij keek naar hem met vochtige, smeekende oogen, en strekte de hand met het lint naar hem toe.

Hij nam het, streek het glad, en legde het in zijn zakboek.

"God zegene u!" zeide hij, en de toon waarop hij deze woorden uitte, deed Meg snikken.

HOOFDSTUK XX.

JUDY.

Over het gras vloog eene kleine, lichte gestalte, Judy in een rose japonnetje met hare woeste krullen dansende om haar gelaat.

"Wil u zoo graag een zonnesteek krijgen--waar is dan toch uw hoed, Miss Judy?" vraagde Mr. Gillet.

Judy schudde hare donkere haren.

"Dat kan ik heusch niet zeggen," antwoordde zij,--"de Generaal wil eene banaan, en als jelui alle sinaasappels opgegeten hebt, bezwijk ik binnen de eerste vijf minuten!"

Meg schoof den mand met vruchten over het servet naar haar toe, en beproefde hare oogen door den rand van haar hoed te verbergen.

Maar Judy's schitterende, donkere kijkers hadden de vochtige wimpers op het eerste gezicht ontdekt.

"U heeft zeker allerlei domme gedichten zitten voorlezen, waardoor Meg is gaan schreien!" zeide zij, met een uitdagenden blik van Mr. Gillet naar het boek op het gras. "U beiden moest u schamen, hoort dat nu thuis op een picnic? In ieder geval heeft het sinaasappelen uitgespaard!"

Zij nam een half dozijn groote sinaasappelen uit den mand, evenals vier of vijf bananen, en liep met vluggen tred terug naar de boomgroep, waar de Generaal in zijn linnen jurkje, juist kon gezien worden.

Hij zat kalm in den grond te wroeten en de aarde in zijn kleinen, rooden mond te stoppen, toen zij met de bananen terugkwam.

Hij keek met een allerliefsten glimlach tot haar op.

"Baby!" zeide zij, en wierp zich op hem in een van hare ontstuimige buien van teederheid--"baby!"

Zij kuste hem wel vijftig maal; het gevoel van liefde, dat zij voor dit kleine, dikke, vuile ventje koesterde, overstelpte haar somstijds.

Toen trok zij hem op hare knie en veegde met een punt van zijn jurkje zooveel mogelijk de aarde uit zijn mond.

"Narna," zeide hij, zich losworstelende, tot hij weer op den grond zat; dus ontdeed zij eene groote gele banaan van de schil, en gaf hem die in zijne kleine hand.

Hij at er iets van, en kneep de rest stijf tusschen zijne handjes, daarop keek hij er vol genoegen naar, hoe het moes in kleine, op wurmen gelijkende rolletjes tusschen zijne dikke vingertjes te voorschijn kwam.

Toen smeerde hij het in zijn gezichtje, en wreef het zelfs over zijn haar, terwijl Judy met haar vijfden sinaasappel bezig was.

Dus moest zij hem natuurlijk klappen geven, omdat hij zoo vies was, of voorwenden dit te doen, wat op hetzelfde neerkwam. En toen moest hij haar slaan, hetgeen niet bij voorgewende klappen bleef.

Hij sloeg haar met een stok, dien hij bij zich vond, hij beukte op haar gezicht en rukte aan haar haar en liet zich zelf telkens op haar neervallen, en dit alles zoo vol ijver en met zulk een grooten ernst, dat zij, ook wanneer hij haar werkelijk pijn deed, niets kon doen dan lachen.

"Dood?" zeide hij ten laatste angstig. En zij begon luid te schreien, het gezicht in de handen en met schokkende schouders, zooals het voor eene boetvaardige berouwhebbende past. En toen sloeg hij zijne armpjes om haar hals, en pakte haar, en zeide "Ju-Ju" met een gedempt stemmetje, en klopte haar op de wangen, en gaf haar wel honderd stijve, natte zoentjes met zijn open mondje, tot zij weer bijgekomen was.

Daarop speelden zij krijgertje, en de Generaal viel wel twintig maal op den grond, en schramde zijne knieën en zijne handen, en hief zich weer op, en waggelde weer verder.

Plotseling bleef Judy stil staan; een insect was bezig zich in haar pols te boren. Alleen de twee zwarte pooten staken nog buiten haar huid uit, en geruimen tijd trok zij en trok zij zonder eenig gevolg. Toen brak het insect in tweeën, en zij moest de eene helft laten waar zij was, in de hoop dat grootmama er haar later wel van zou kunnen bevrijden.

Twee of drie minuten lang was zij bezig geweest met hare pogingen, om het dier te verwijderen, en toen zij opkeek was de Generaal een eindje verder, en liep weg zoo vlug als zijne kleine dikke beenen dit toelieten, altijd denkende, dat zij achter hem aan kwam. Juist, toen zij weer begon te loopen, keek hij om, met schitterende, ondeugend kijkende oogjes, en een lachend gezichtje, dat o! zoo vuil was.

En toen--ach God!

Het is zoo hard dit te moeten schrijven. Mijne pen vertelde tot nu toe slechts zonnige tafereelen, en nu!

"Jij kleine ondeugd!" riep Judy, en deed, alsof zij zeer vlug liep. Toen scheen de geheele wereld voor hare oogen te draaien.

Een boom stortte neer, een van de zware, hooge stammen, die reeds lang geene bladeren meer droegen. Hij had den geheelen dag staan wankelen, door en door vermolmd; nu kwam een windvlaag opzetten, die hem neerstrekte. Een woesten, schorren kreet stootte Judy uit, toen snelde zij voort, met uitgestrekte armen op het kleine ventje af, dat met lachende oogen en lippen vlak op zijn dood afliep.

De slag deed de boomen rondom schudden, de lucht scheen te splijten.

Zij hadden het gehoord--al de anderen--den wilden kreet, en toen het dreunende gekraak.

Hoe trilden hunne knieën! hoe bleek waren hunne gezichten, toen zij allen naar de plaats, vanwaar het geluid gekomen was, snelden.

Zij wentelden hem van de kleine lichaampjes af--den langen zilverachtigen stam, waarop de gom droog en dood in streepen kleefde. Judy lag met het gelaat naar den grond en uitgestrekte armen.

En onder haar lag de Generaal, een beetje verdrukt, hoogst verbaasd, maar volkomen ongedeerd.

Meg sloot hem één oogenblik in haar armen, maar zette hem toen neer, en voegde zich bij de anderen, die vlak om Judy stonden.

O dat kleine, donkere, stille hoofd, dat onbeweeglijke lichaampje in zijn rose, verkreukt kleedje, die kleine, magere, uitgestrekte handen!

"Judy!" zeide Pip, met smeekende, hevig angstige stem.

Maar het eenige antwoord was de wind in de kronen der boomen en de hijgende ademhaling der anderen.

Mr. Gillet begreep, dat hij handelend op moest treden. Hij ging met Pip naar de hut van den drijver, en zij namen de deur uit hare lederen hengsels en droegen deze de heuvel af.

"Ik zal haar optillen," zeide hij, en sloeg zijne armen om de kleine gestalte, lichtte haar langzaam, langzaam, zachtjes op, en legde haar op de deur met het gelaat naar den hemel gericht.

Maar zij kreunde--o, hoe kreunde zij!

Pip, die, bij het eerste teeken van leven zijn keel als het ware had voelen dichtknijpen, kon zich bijna niet meer goed houden, toen deze korte, jammerende tonen over hare lippen kwamen.

Zij hieven de draagbaar op, en brachten haar naar de kleine hut op den top van den heuvel.

En toen sprak Mr. Gillet, buiten de deur, tot Pip en Meg, die beiden verslagen, door den schrik geheel verdoofd, schenen.

"Het zal uren duren, voor wij hulp kunnen krijgen, en het is nu vijf uur!" zeide hij. "Pip, er woont een dokter te Boolagri, tien mijlen van hier. Haal hem--loop den geheelen weg door hard. Ik zal terug naar huis gaan--dat is veertien mijlen. Miss Meg, ik kan niet in een ommezien terugzijn. Ik zal een rijtuig halen, de ossenkar gaat te langzaam, en schudt te veel, hij kan niet dienen, ook al kwam hij dadelijk terug, U moet bij haar blijven, en haar water geven als zij daarom vraagt--dat is alles wat u voor haar doen kan."

"Zou zij dood gaan?" zeide Meg.

Hij dacht aan alles wat zou kunnen gebeuren alvorens hij hulp bracht, en durfde haar niet onvoorbereid achterlaten.

"Ik denk, dat haar ruggegraat gebroken is," zeide hij zeer kalm. "Als dit zoo is, dan is er geene hoop meer."

Pip snelde den weg op, waarlangs hij den dokter bereiken kon.

Mr. Gillet gaf nog een paar aanwijzingen, toen keek hij naar Meg.

"Alles hangt van u af; u moet kalm en bedaard blijven!" zeide hij. "Verleg haar niet, blijf gedurig bij haar."

Hij begaf zich naar den weg, die naar beneden leidde.

Zij vloog hem achterna.

"Zou zij sterven terwijl u weg is?--en er niemand anders dan ik bij haar blijft?"

Hare oogen staarden hem woest, vol doodelijken angst aan.

"God weet het!" zeide hij, en ging verder.

Het kwam hem bijna te wreed voor, het jonge meisje alleen achter te laten, haar alleen zulke vreeselijke uren te laten doorbrengen.

"Help mij, goede God!" steunde zij, terwijl zij terugijlde, maar niet naar de zware, laaghangende wolken keek. "Help mij, goede God! God, help mij, help mij!"

HOOFDSTUK XXI.

TOEN DE ZON ONDERGING.

Welk een zonsondergang!

Van af den voet van den met gras begroeiden heuvel strekte zich een vurig roode hemel uit, met purperen donzige wolken, die in banken boven elkaar gestapeld waren, tot waar de wegstervende gloed in het verbleekende blauw wegsmolt. De boomgroep was zwart van kleur geworden, en strekte sombere, roerlooze, scherp tegen den oranjekleurigen achtergrond uitkomende armen uit. De wind was geheel gaan liggen, en de lucht drukte op alles, warm en bezwaard met de beklemmende vreemde stilte van het bosch.

En op den top van den heuvel, in de deur van de kleine, bruine hut, hare wijdgeopende oogen naar den heerlijk schoonen hemel geslagen, lag Judy te sterven. Zij was nu zeer rustig, hoewel zij druk gesproken had--gesproken over allerlei. Zij zeide hun, dat zij volstrekt geene pijn had.

"Maar ik zal sterven, als ik opgelicht word," zeide zij.

Meg zat naast haar, neergehurkt op den grond. Zij had hare oogen niet van het gezichtje afgewend, dat daar lag op een kussen van regenmantels, zij had hare bleeke lippen geen enkele maal geopend om een woord te zeggen.

Daarbuiten stonden onbeweeglijk de ossen en hunne gestalten teekenden zich tegen den hemel af.--Judy zeide, dat zij er uit zagen als opgezette dieren, die gephotografeerd moesten worden. Zij glimlachte daarbij even, maar Meg zeide: "O, doe dat niet!" en kromp ineen.

Twee der mannen waren weggegaan, om hulp te zoeken, die zij toch niet zouden vinden; de anderen stonden op eenigen afstand, en praatten met gedempte stem tot elkander.

Er was voor hen niets te doen. De bruine man had gesproken--iets wat zelden gebeurde.

Hij had den Generaal in slaap gesust, en hem op het leger gelegd en de blauwe deken om hem heen geslagen. En toen had hij warme, sterke thee gezet, en had met tranen in zijne oogen de kinderen gevraagd, daarvan te drinken, maar geen enkele wilde dit doen.

Baby was op den grond in slaap gevallen, hare armen stijf om Judy's rijglaars geslagen.

Bunby stond, met eene uitdrukking van ontzetting op zijn bleek gelaat, achter de draagbaar. Zijne oogen waren op het haar van zijn zusje gevestigd, maar hij durfde niet naar haar gezicht kijken, uit angst voor wat hij daar zou zien. Nellie was geen oogenblik kalm, nu eens liep zij naar de haag en keek den weg af, waarover reeds de schaduwen van den avond zweefden, dan wierp zij zich achter de hut met het gelaat op den grond en riep: "Maak haar beter, God! God, maak haar beter, maak haar beter! O! kunt ge haar niet beter maken?"

De schaduwen rondom de kleine woning namen diepere tinten aan, de omtrekken der buffels waren niet meer zichtbaar, slechts eene onduidelijke zwarte massa lag daar tusschen de hut en den hemel. Achter de boomen verglom het vurige schijnsel; hier en daar waren nog gele, lichtende vlammen, maar de gloeiende zonneschijf was weggedoken, en de purperen, luchtige sluier zonk in het niet.

De kreet van een pluvier verbrak de stilte, wild, klagend, snijdend was het geluid. Meg huiverde en ging rechtop zitten. Judy's voorhoofd werd vochtig, zij sperde de oogen wijd open, hare lippen beefden.

"Meg!" zeide zij met eene fluisterende stem, die de lucht doorkliefde; "o, Meg, ik ben zoo bang! Meg, ik ben zoo bang!"

"God!" zeide Megs hart.

"Meg, zeg iets. Meg, help mij! Wat wordt het al donker, Meg; Meg, ik kan niet sterven! O, waarom komen zij nog niet?"

Nellie vloog weer naar de haag, om daarop te fluisteren:

"Maak haar beter, God--o, ik smeek u, God!"

"Meg, ik kan niets bedenken om te zeggen. Kan jij niet iets zeggen, Meg? Zijn er geen gebeden voor de stervenden in het gebedenboek?--Ik ben het vergeten. Spreek toch, Meg!"

Meg's lippen bewogen, maar het was haar niet mogelijk een woord te uiten.

"Meg, ik ben zoo bang! Ik kan aan niets anders denken, dan aan "wat wij eenmaal zullen ontvangen", en dat is vergiffenis, nietwaar? En in het Onze Vader komt ook niets voor, dat mij kan helpen. Meg, ik wilde, dat wij naar de Zondagsschool gegaan waren en daar van allerlei geleerd hadden. Wat wordt het al donker, Meg! O, Meg, houd mijne handen vast!"

"In den hemel zal het--niet--donker zijn!" spraken Megs lippen.

Zelfs wanneer zij iets zeggen kon, was het niets dan een gestamelden, vroeger gehoorden zin, dien zij murmelde.

"Als er alles van goud en edelgesteenten is, dan wil ik er liever niet heen!" Het kind begon nu te schreien. "O, Meg, ik wil liever blijven leven! Hoe zou jij het vinden, Meg, om te sterven, als je nog maar dertien jaar bent? Hoe eenzaam zal ik zijn zonder jelui allen. O, Meg! o, Pip, Pip! o, Baby! Nell!"

De tranen stroomden over hare wangen, hare borst hijgde.

"O, zeg iets, Meg!--zeg een gezang op!--spreek toch!" De halve inhoud van het boek der "Oude en Nieuwe gezangen" dwarrelde door Megs gedachten. Welk kon zij uitkiezen, dat rust zou brengen in die koortsachtige oogen, die met zulk een angstigen smeekenden blik op haar gelaat gevestigd waren?

Toen opende zij de lippen:

""Kom slechts tot Mij, gij moeden, Dan geef 'k u zoete rust O, gij--""

"Ik ben niet moede, ik verlang niet naar rust!" zeide Judy, op jammerenden toon.

En Meg begon weer:

""Mijn God, mijn Vader, als ik dwaal, Ver weg, langs 's levens doornig pad Leer mij dan de gelaten taal: Uw wil geschiede!""

"Dat is voor oude menschen," zeide de matte, zangerige stem. "Hij kan niet verwachten, dat ik dit zal zeggen!"

Toen herinnerde Meg zich het schoonste van alle gezangen, en zeide het eerste en het laatste couplet zonder een oogenblik te haperen, op:

""Verlaat mij niet, snel valt de avondstonde, De duisternis groeit aan; o Heer, verlaat mij niet. Als andre hulp ontbreekt, en alle bijstand vliedt, Helper der hulploozen, mijn God, verlaat mij niet!

Houd Gij Uw kruisbeeld voor mijn brekend oog, Schijn door de duisternis, en richt mijn oog ten hemel! De dageraad breekt aan, en 't ijdele aardrijk vliedt In leven en in dood, o Heer, verlaat mij niet!"

"O, en Judy, liefste, wij vergeten, dat moeder in den hemel is, Judy je zult niet alleen zijn! Herinner je je moeders oogen niet, mijn kleine Judy?"

Judy werd kalm, en steeds kalmer. Zij sloot de oogen, zoodat zij de toenemende duisternis niet bespeuren kon.

Megs armen waren om haar heen geslagen, Megs wang was tegen haar voorhoofd gevlijd, Nell hield hare handen vast, Baby hare voeten, Bunby's lippen waren op hare lokken. Zoo gingen zij met haar recht op de Groote Vallei af, waar zelfs geen licht is voor aarzelende kindervoeten.

De schaduwen waren koud, en legden zich kil om hunne harten; zij konden den wind van de onbekende wateren op hunne voorhoofden voelen; maar alleen zij, die op het punt stond naar genen oever over te steken, hoorde het zachte geklots der golven.

Juist toen het water hare voeten bespoelde vertoonde zich eene gestalte in de deur.

"Judy!" riep eene smartelijke stem, en Pip duwde hen op zijde en viel naast haar neer.

"Judy, Judy, Judy!"

Het licht flikkerde nog eens op in hare oogen. Zij kuste hem eenmaal, tweemaal met hare bleeke lippen; zij gaf hem hare beide handen, en haar laatsten glimlach.

Toen streek de wind over hen allen, en, met eene plotselinge rilling, ging zij heen.

HOOFDSTUK XXII.

HET LAATSTE HOOFDSTUK.

"Zij scheen voor 't verdergaan des tijds Een wezen, niet bestand."

"Zij heeft nu geen gevoel, geen kracht, Zij hoort, noch ziet nu meer; Maar wordt nu door de aardsche kracht Al draaiende in 't rond gebracht Met boom en rots en steen."

Zij gingen weer naar huis, zes kinderen, en Esther, die voortaan ernstiger zou zijn, daar zij den prijs, die voor het leven van haar kleinen, aangebeden zoon betaald was, nimmer zou kunnen vergeten. De lucht van Yarrahappini scheen als een zware last op hen te drukken.

Toen dus de kapitein, die ijlings uit Sydney vertrokken was om zijn arm klein meisje nog voor het laatst te zien, vraagde of zij liever naar huis zouden willen gaan, antwoordden zij allen: "Ja!"

Er was een groen grasveld op den top van een heuvel achter het woonhuis, en een groep acacia's, nu donkergroen, maar teeder getint en bevallig in het voorjaar.

Daar legden zij kleine Judy neer. Om het grasperk liet Mr. Hassal hooge, witte palen zetten; het grafje bevond zich aan den kant der boomen.

De plek geleek op een klein kerkhof in een kinderland, waar er maar één gestorven was.

Of op een mooi groen veld, met een klein bed.

Meg was verheugd, dat de verhevenheid naar het oosten gekeerd was; de zon zonk achter haar weg--zoolang zij leefde kon zij niet meer naar de oranje en gele en purperen tinten zien, die bij zonsondergang den hemel kunnen kleuren. Maar ver in het oosten steeg de zon in stille majesteit op, en het licht kwam langzaam naar den heuveltop in teeder rose en trillend blauw en lichtend grijs, maar nooit in harde, gele vlammen, die heete tranen in de oogen doen springen.

Toen zij Judy's rustplaats op den laatsten dag vaarwel zeiden, werd deze kalm en liefelijk door den maan beschenen.

Allen plukten eenige halmpjes van de versche zoden, en gingen toen heen. Niemand schreide, de kalme witheid der maan, de bleeke, stralende sterren, de matte wind, die door de takken ruischte, hielden hunne tranen terug tot zij het hek achter zich gesloten en haar op den stillen heuveltop alleen gelaten hadden.

Zij gingen terug naar Misrule, een ieder om den levensdraad weer op te nemen, en het weefsel voort te zetten, waaraan, God zij dank, moet worden gewerkt, want anders zouden dagelijks de harten breken.

Meg was ouder geworden; zij zou nooit meer zóó jong zijn als zij was, voor die roode zonsondergang zijn beeld in haar hart grifde.

In hare oogen was een dieper licht gekomen; zulke tranen, als zij geweend had, verhelderen het oog, tot het leven eene duidelijker, meer omvattende beteekenis krijgt.

Nellie en zij gingen den eersten Zondag na hunne terugkomst naar de kerk. Aldith zat een paar banken verder, wuft als altijd, gekleed in een kleurig toiletje, en coquet glimlachend naar de bank der Courtney's kijkend, en naar de Graham's, die vlak achter dezen zaten.

Wat was Meg van haar vervreemd! Het scheen jaren geleden, dat zij al hare aandacht aan den laatsten smaak voor hoeden gewijd had, aan den snit van eene robe cloche en de beste methode om de handen blank te maken. Jaren geleden, dat zij schuchtere pogingen had gedaan om zich met flirten te vermaken. Jaren geleden, bijna, dat zij op Yarrahappini het blauwe lint gegeven had, dat een grooteren invloed had dan zij ooit vermoedde.

Alan keek naar haar van uit zijne bank--naar de kleine gestalte in het treurige zwart der rouw, naar de vlecht, die het glanzende haar samenvatte, maar welker eind niet meer gekruld was, naar den zwaarmoedigen trek om de jonge lippen, den ernst der blauwe oogen. Hij kon het zich bijna niet voorstellen, dat dit hetzelfde onnadenkende meisje was, die den brief geschreven had, en door de duisternis was komen sluipen om zijn weinig galanten jongeren broeder te ontmoeten. Hij nam hare hand in de zijne, toen de kerk uit was; zijne grijze oogen, die plotseling vochtig werden, vulden door hun warmen blik de enkele woorden van deelneming aan, die hij stamelend uitsprak.

"Laten wij altijd vrienden blijven, Miss Meg!" zeide hij, toen zij bij het hek van Misrule afscheid namen.

"Gaarne!" antwoordde Meg.

En deze hartelijke, oprechte vriendschap werd van schoone beteekenis in hun beider leven, zij steunde Meg en maakte den jongen man zachter.

Pip werd weer vroolijk en opgeruimd als vroeger, zooals het ook den jongen met het gevoeligste hart gaan zal, dank zij zijne jeugd; maar somtijds kreeg hij plotseling een aanval van zwaarmoedigheid, en dan verdween hij, er zich niet om bekommerende, of een spel cricket of voetbal in vollen gang was, of wel hij stond van tafel op, als het rumoer het hevigst was.

Bunby vertoonde aan de wereld een even morsig gezicht als vroeger, en handen die zelfs nog smeriger waren, want in hem had zich in den laatsten tijd eene neiging tot het machinevak geopenbaard, en in zijn vrijen tijd maakte hij drukpersen--of wat daarvoor moest doorgaan--en vreeswekkende en wonderbaarlijke machines, van een oude kachel en eenige potten en roestige pannen, die hij voor het lot weggeworpen te worden, gered had.

Maar hij vertelde nu niet meer zooveel leugentjes, de ondergaande zon had zelfs in zijn jong hart een straal geworpen, en wanneer hij op het punt was te zeggen: "Ik niet, ik ben het niet geweest, het was niet mijne schuld!" dan verrees een rijkdom van donkere krullen voor zijn oog, juist zooals hij ze dien avond had uitgespreid gezien, toen hij zijne blikken er niet van af had durven wenden.

Hare beenen waren op het oogenblik een der hoofdonderwerpen van Baby's gedachten, want zij was juist van korte kousjes tot lange gepromoveerd, en allen, die zich deze gebeurtenis in hun eigen leven herinneren, zullen begrijpen hoe gewichtig zij voor haar was.

Nell scheen iederen dag mooier te worden. Pip had de handen vol met zijne pogingen om haar voor inbeelding te behoeden; wanneer broederlijke op- en aanmerkingen iets kunnen baten, dan moet zij wel altijd even nederig van zich zelf gedacht hebben, als wanneer zij vuurrood haar en een hemelwaarts strevenden neus gehad had.

Esther zeide, dat zij wenschte ergens een paar jaren te kunnen koopen, een ernstig uiterlijk en groote hoeveelheden waardigheid--dan zou er eenige kans zijn, dat Misrule eindelijk bij zijn deftigen doopnaam "Rivierzicht" genoemd werd.

Maar vreemd genoeg scheen niemand met dien wensch in te stemmen.

De kapitein rookte nooit meer zijn sigaar in de veranda op zijde van het huis; het slecht onderhouden grasveld deed hem altijd denken aan eene kleine gestalte in een rose japonnetje met een gedeukten hoed, die in het blakerende zonlicht stond te maaien. Judy's dood deed hem zijne zes overblijvende kinderen dierbaarder zijn dan ooit, maar hun zijne genegenheid op hartelijker wijze toonen dan vroeger--daartoe kon hij toch niet komen.

De Generaal werd iederen dag aardiger en liever. Het is geene overdrijving, wanneer ik zeg, dat zij allen dit kleine wezentje in zijne koninklijke jonkheid aanbaden, want het leven was hem tweemaal geschonken geworden, en de tweede maal was het Judy's gave, en daarom onschatbaar.

Mijne pen heeft zich moeielijk en langzaam bewogen onder het schrijven van deze twee laatste hoofdstukken; zij weigert licht en vrij over het papier te glijden, en dus zal ik haar, uit vrees u anders treurig te stemmen, ter zijde leggen.

Een ander maal, als dit u welkom zou zijn, zal ik u gaarne van mijne kleine Australiërs verder vertellen, een gering aantal jaren overspringend.

Tot dien tijd, vaarwel en tot weerziens!

AANTEEKENING

[1] Naam van de vrouw van Punch (Jan Klaassen).