Schetsen uit Napels en Omgeving De Aarde en haar Volken, 1909 by Groot, G. J. de

SCHETSEN UIT NAPELS EN OMGEVING.

Door Dr. G. J. de Groot.

Het wordt den reiziger, die na een spoortreinrit van een uur of vijf in den "treno direttissimo" uit het trotsche en rustige Rome komt, vreemd te moede als hij het station te Napels is binnengereden. Nog nauwelijks staat de trein stil of een leger van blauwkielen (facchini) bestormt letterlijk de aankomende reizigers. Men vraagt u niet, of ge van hun hulp gediend zijt; zonder veel praatjes te maken nemen zij u de bagage uit de handen en brengen u naar den uitgang. Ge behoeft ook hier niet lang naar een rijtuigje te zoeken, want van alle kanten schreeuwen de koetsiers hun "Volete" (wilt gij?). Deze koetsiers, het zijn niet de welgedane Hollandsche met hun glimmenden hoogen hoed. Kleine magere mannetjes met een versleten deukhoed of met een panama op naar de laatste mode, ge vindt ze in alle trappen van welstand. De rijtuigjes zijn klein evenals de Napolitaansche paardjes. Ge zijt aanvankelijk wel een beetje huiverig om in deze karretjes plaats te nemen, daar zij er meestal zeer onzindelijk uitzien. Iedereen maakt er echter gebruik van. Van de eenvoudige volksmenschen, de werklieden met gereedschappen tot de jeunesse dorée, en het rijtuigje kan ternauwernood hun aantal bevatten. Voor eenige soldi moet de koetsier soms 3 of 4 passagiers rondrijden, bijeengepakt en op elkaars knie zittend. Het nemen van een rijtuigje vereischt eenige studie, wil men niet afgezet worden, althans niet meer betalen dan de Napolitaan. Ge roept een koetsier aan: "Voor 6 soldi naar de Via Roma." Deze komt aanrijden en zegt met een allerbeminnelijksten glimlach: "Goed, Excellentie." Nauwelijks zijt ge gezeten, de koetsier heeft zijn "Avanti" laten hooren, of ge tikt hem nog eens op den schouder. "Goed verstaan, koetsier, voor 6 soldi, alles inbegrepen?" Het stereotype antwoord is, dat hij u voor 8 soldi er zal brengen. "Houd dan maar stil!" roept ge en doet alsof ge het rijtuig wilt verlaten. Maar eer het zoover is, vindt hij 6 soldi reeds in orde. In den regel geeft ge hem bij het afrekenen er een paar meer, als "maccaroni" of "buona mano." Kibbelpartijen als boven hebben geregeld plaats. Het spreekwoord: "patto netto, lunga amicitia" (duidelijke overeenkomst, lange vriendschap) is hier goed op zijn plaats. Ook wat betreft de lange vriendschap, want maanden later zal een koetsier, die u eens gereden heeft, u nog steeds groeten.

Een rijtuig kost bijna evenveel als een ritje met de electrische tram. Het eerste is veel veiliger. De tramwagens schijnen uit het oudste en meest versleten materiaal, dat ge u kunt denken, opgebouwd. Toch vindt men er plaatsen 1e klasse, die zich van de 2e klasse onderscheiden door vuile kussens van ruw doek. De bestuurder voorop, in zijn witte pakje, heeft een grooten blauwen bril op tegen het felle zonlicht. Ondanks het verbod van spreken, blijkt hij zeer spraakzaam te zijn. Hij keert zich herhaaldelijk om, laat de rem los, want hij heeft zijne handen noodig voor zijn gebarentaal; ondertusschen sukkelt de tram met een kalm gangetje voort. Dikwijls gebeurt het dan, dat hij ongemerkt een wagen genaderd is. Een plotseling remmen doet de reizigers tegen hun overburen aanvliegen. Reken nooit op een bepaalden tijd ergens met de tram te zullen komen. Het is iets zeer gewoons, dat men een 10 minuten op één of anderen wissel moet wachten. De bestuurder gaat zitten en valt in slaap. Op enkele wissels is dit wachten zóó geregeld, dat een komiek met een hoogen hoed op er een daggeldje verdient. Hij stapt de tram binnen en houdt het gezelschap er aangenaam bezig met verzen opdreunen, die voortdurend op dezelfde klanken eindigen. Ook wordt ge wel vergast op een duo met guitaar- en mandolinebegeleiding, of er komen marskramers hun waren aanprijzen; bedelkinderen wisschen het stof van uw schoenen. Eindelijk komt de tram van de tegenovergestelde zijde aan, snel worden de koperstukken ingezameld en voort gaat het weer voor zoolang het duurt.

Eigenaardig, zoo dikwijls men in de tram gecontroleerd wordt; misschien is het noodig. De conducteur is tegenover den reiziger wantrouwig. Geeft ge hem een geldstuk, hij zal het van alle kanten bekijken en vindt hij er iets verdachts aan, ge ontvangt het weer terug. Nergens moet men wel zóó naar zijn geld zien als in Napels. Valsche 2-soldistukken, 20-centesimi, liren, 5-lire-biljetten zijn er in massa in omloop. Wanneer men in een winkel een bankbiljetje van 5 liren (dat iets grooter is dan een tramkaartje,) in betaling geeft, dan wordt het betast en zelfs besnuffeld. Nimmer zijn zij boos, als het valsch blijkt te zijn, althans als zij het er voor houden; zij geven het u eenvoudigweg weer terug. Anders is het aan rijksinstellingen. De kassier knipt het geld, hetzij papier of zilver, te uwen koste in stukken. Telkens tracht de Napolitaan u met zijn valsch geld gelukkig te maken. In een der musea moest ik geld terugontvangen. De custos gaf mij een valsch lirestuk. Eenigszins wrevelig stelde ik het hem weer ter hand met de opmerking, dat dit bij ons in Holland nooit voorkwam. Listig wist hij het gesprek af te leiden. "Holland! Wat een prachtige paarden komen daarvandaan. Toen ik bij de cavalerie diende, had ik een Hollandsch paard, maar het was het beste, dat ik ooit zag."

Nu ik het over geld heb, wil ik er nog een weinig op doorgaan. Een Napolitaan stelt al zijn verwachtingen op de loterij. Het valt u op, wanneer ge door de straten van Napels wandelt, hoevele colporteurs er hunne zaken drijven. Een eenvoudige winkel, wij zouden het een pakhuis noemen, draagt tot opschrift: "Banco lotto". Tusschen deze 2 woorden het Italiaansche wapen. Aan de deurstijlen hangen allerlei nummers, die de colporteur u aanbeveelt. Zoo staat er bij voorbeeld: "Gij zult rijk worden als ge de nummers 6, 49 zet." Want dit is het bijzondere, men mag zijn nummers zelf kiezen van 1 tot 90. Ge hebt van een bepaald getal gedroomd, (de Napolitaan droomt steeds van getallen, houdt er zelfs een droomboek op na), zet hierop uw geld en het brengt u geluk, want een hoogere macht heeft het u ingegeven. Aldus denken zij erover. Woorden of namen zetten zij in getallen om, teneinde hiermee hun geluk te beproeven. Tijdens mijn verblijf werd een kok door den bliksem getroffen, toen hij 's morgens in een rijtuigje van zijn werk terugkeerde. Denzelfden dag nog stonden aan vele banco-lotto's als aanbevelenswaardige nummers aangeprezen de leeftijd van den ongelukkige, het rijtuignummer, het huisnummer van zijn woning. Het getal 6 was een tweetal jaren het geluksnummer voor Napels. Ieder speelde hierop, daar het gedurende die jaren niet getrokken was en noodzakelijk bij een volgende trekking moest uitkomen.

Het geduld van den lottospeler wordt niet lang op de proef gesteld. Iederen Zaterdag is het trekking. Eenige malen woonde ik deze bij. Wij begeven ons naar een der smalle steegjes van het oude Napels bij de kerk Santa Chiara. Op een binnenplaatsje van een groot somber huis staan voor een balkon een paar honderd menschen dicht opeen te wachten. Tusschen het publiek loopen luidschreeuwende waterverkoopers rond met hun poreuze kruiken en manden met citroenen. Op het balkon staat een soort molen van ijzergaas naast een groene tafel. Precies op den vastgestelden tijd komt een commissie van 5 heeren rondom de tafel zitten. Een klein jongetje, in het wit gekleed, is bij hen en schijnt een belangrijk persoontje, want het publiek roept het lieve en smeekende woordjes toe.

Een beambte met uniformpet roept nº 1 af en laat het briefje met het nummer zien; geeft het aan de commissieleden achter de groene tafel. Het passeert hun handen, wordt in een metalen kogel gesloten en in den molen geworpen. Een zelfde lot ondergaat het briefje met nº 2 en zoo vervolgens tot nº 90.

Na iedere 10 nummers wordt de molen een paar maal rondgedraaid, totdat de voorzitter met een bel klingelt. Zijn alle 90 nummers goed dooreengemengd dan wordt onder ademlooze stilte het jongetje geblinddoekt. Nog eens draait de molen en daarna haalt de kleine man er een bol uit. Het nummer wordt afgeroepen. Dit zelfde gebeurt 5-maal, waarna de trekking is afgeloopen. Na ieder nummer gaan er tal van kreten uit het publiek op. De één juicht, een ander balt de vuisten tegen het ventje in het wit. Maar dit is spoedig verdwenen, om met zijn makkers te gaan spelen. Als een loopend vuurtje verspreidt zich de uitslag der trekking door de stad. Bij uw terugkeer in de hoofdstraten zijn reeds overal de nummers aangeplakt en het publiek staat ze nieuwsgierig te bestudeeren. Sommigen hebben een 10-tal loterijbriefjes in de hand om hunne nummers te vergelijken. Velen staan weer geduldig voor de bank te wachten om nieuwe loten te koopen.

Men kan op verschillende wijzen spelen. Uit de vele combinaties wil ik er één als voorbeeld nemen. Ge neemt een lot waarop ge b.v. uw geluksnummers 6, 17, 19, 68, laat schrijven en betaalt al naar uw beurs het toelaat, of (wat nog meer gebeurt) niet toelaat. Men kan voor enkele soldi inzetten of voor hooger, 5, 10 lire, naar ge wilt. Zijn nu onder de 5 getrokken nummers er 2, die met uw geluksnummers overeenkomen, dan ontvangt ge 10-maal uw inzet; zijn er 3 nummers goed geraden, dan 250-maal, en komen alle 4 uw getallen onder de getrokken nummers voor, dan 30.000-maal. Wie een paar keer in het lotto meegespeeld heeft, zal tot de ervaring komen, dat slechts zelden 1 nummer overeenkomt, laat staan 2 of meer. Maar de Napolitaan neemt iedere week een groot aantal briefjes, dikwijls alle met verschillende nummers en besteedt daaraan een groot deel van zijn wekelijksch inkomen.

Daartegenover staat, dat hij zelden of nooit sterken drank gebruikt. Bij het middagmaal drinkt hij zijn lichten landwijn van 20 centesimi per liter. De kinderen worden soms buiten de stad gestuurd om dezen daar te halen, omdat hij er goedkooper is. Bij de stads-douanen gekomen nemen zij (de kinderen) een flinken slok, om de hoeveelheid beneden de belastbare te brengen. Douanen ziet ge overal aan de kaden langs de Golf; op iedere rotspunt bijna staan zij met hun karabijn, speurend naar elk barkje dat nadert.

Ik ben met vervoermiddelen begonnen, ik wil er mee eindigen. Wat men in Napels mist, dat zijn de fietsen, handkarren en kinderwagens. Dit hangt voor al samen met den amphitheatersgewijzen bouw der stad. De straatjes zijn er te steil voor. De kooplui dragen er hun waren in groote manden op het hoofd. De melkverkoopers leiden hun koeien en geiten bij kudden door de straten. De zuigeling wordt gedragen door een min, die keurig uitgedost is met een vergulde kroon op het hoofd, waaraan lange zijden linten, en het kind ten aanschouwe van het wandelende publiek de borst geeft.

Feesten, vermakelijkheden.

De zomer te Napels staat in het teeken van de heiligendagen. Bijna iedere week zijn er een paar feesten in een bepaald stadsgedeelte ter eere van een heilige. De kerken zijn dan van buiten versierd met prachtige vuurroode gordijnen, waaraan gouden franje bengelt. De straatjes in den omtrek illumineeren. Veel geld hiervoor brengt zelfs de arme bevolking bijeen. Die illuminatie wordt allerhandigst opgesteld, in weinige uren. Zij bestaat uit een reeks van bogen achter elkaar, met vetpotjes van verschillende kleur. De bogen zijn dikwijls zeer smaakvol. Een model wordt met krijt op de straat geteekend en het ijzerdraad wordt hier naar gebogen. Zoodoende hebben alle dezelfde afmetingen en vorm. 's Avonds, wanneer de lichtjes aangestoken zijn, is het effect tooverachtig in die smalle klimmende straatjes met huizen van 5 en 6 verdiepingen. Het feest eindigt in den regel met een reusachtig vuurwerk. De kostbaarste stukken worden afgestoken. Nu wordt het 's zomers in Napels bijna zelden goed donker; maar wat hindert het? De Napolitaan kan toch niet wachten tot den avond, en daarom wordt het vuurwerk reeds afgestoken als de zon nog aan den hemel staat. Het geknal brengt allen in verrukking. Bijna iederen avond hoort men ergens in de stad de luide ontploffingen en het is vreemd als het eens een avond rustig blijft.

Het publiek weet zich overigens zeer goed te vermaken. De schouwburgen zijn haast altijd vol en het gebeurt niet zelden, dat men er een vergeefsche reis heen maakt, daar alles uitverkocht is, vooral wanneer er een drama van de camorra [1] wordt opgevoerd met vele moorden. Zelfs de duurste plaatsen zijn bezet. Dit "duur" is wel betrekkelijk. In de zijstraatjes van de Via Roma staan schouwburgen waar men voor 1 lire op de eerste rangen zit, een consumptie inbegrepen. Die vertering bestaat uit granita (ijskoffie of ijslimonade). De schouwburgdirecties zijn ondernemend. Zij geven 2 maal dezelfde voorstelling op één avond, om half 8 en om 10 uur.

Wij gingen eens des avonds een voorstelling bijwonen in een volkstheater en namen om 10 uur een biljet. Nog eenige menschen stonden te wachten, daar de eerste voorstelling nog niet was afgeloopen. Toen de toeloop een weinig grooter werd, gaf de eigenaar, die in galacostuum aan de deur stond, eenvoudig last, de voorstelling te doen eindigen en terstond zakte het scherm. Groot tumult en gefluit in de zaal. Geroep van: "A basso l'impressario! Wij zijn bestolen! Zwijnen!" enz. Maar bij schreeuwen bleef het en het wachtende publiek kon naar binnen gaan.

Komt ge voor het eerst in een volkstheater, dan wordt het u angstig te moede. Iedereen meent, dat hij tot het tooneelgezelschap behoort en acteert ijverig mee, schreeuwt tegen de tooneelspelers, als zij iets niet naar hun zin doen, kortom--het is er steeds een helsch lawaai. Een zangeres heeft b.v. tot aller tevredenheid een lied gezongen (ik heb zelden zulke slechte stemmen gehoord als te Napels) of zij moet een extra-nummer geven. Geschreeuw van: "Cavalleria rusticana! No, la Mattiche! No, Tarantelluccia!" Er vormen zich partijen in de verschillende loges en het geschreeuw wordt oorverdoovend. De zangeres komt terug en de muziek laat de eerste maten hooren van Tarantelluccia. Heftig protest van de Cavalleria- en Mattiche-partij. Geschreeuw van: "Basta, basta!"

De zangeres houdt voet bij stuk en oogst na afloop het succes van alle partijen in.

In de variëteitenschouwburgen zijn er 3 soorten van avonden. Allereerst de gewone avonden, waar iedereen komt. Een paar malen in de maand echter is er een serata bianca [2]. De artisten treden op in lange witte kleeren. Dit is voor de kinderen. Ten slotte de serata nera [3], welke alleen voor heeren toegankelijk is. Bij deze gelegenheid is de schouwburg tot de nok gevuld.

De programma's worden veelal op waaiers gedrukt. Deze zijn 's zomersavonds bijna noodzakelijk. Wel draaien aan de plafonds groote vleugels rond, wel staan overal de vensters wijd open, zoodat de vleermuizen u om de ooren en over het tooneel fladderen, maar het blijft er warm en benauwd.

Wat muziek betreft, de typisch Italiaansche liederen worden graag gehoord en meestal met gevoel gezongen, al hapert er dikwijls wat aan de stem. De Napolitanen zingen overigens meer met de handen dan met den mond. Alles gaat met hartstochtelijke gebaren gepaard. Ook al wordt de zang bij de openbare concerten op de pleinen niet gehoord, het publiek kijkt met aandacht naar de gebaren. Muziek van Duitsche meesters wordt er over 't algemeen slecht gespeeld. Ik hoorde er een Symphonie van Beethoven uitvoeren, maar ze was bijna niet te herkennen.

Een belangrijk vermaak voor het Napolitaansche publiek is wel het baden. Het seizoen begint pas tegen het einde van Juni, als het een 30 à 35 °C. in de schaduw is. Maar zijn de houten badhuizen weer opgeslagen, dan zijn ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat overvol, en maken de menschen queue bij den ingang onder toezicht van een politieagent. Heele gezinnen begeven zich naar de baden van Santa Lucia; wie wat meer tijd en geld heeft neemt de tram naar Bagnoli en Pozzuoli waar het water belangrijk zuiverder is. Het is weer eigenaardig, dat de baden op Vrijdag, den ongeluksdag, veel minder bezocht worden. Bij de tramhalten staan de badknechts met goudgegalonneerde petten de badgasten op te wachten en dringen zich, hunne installatie met klem aanprijzende, bij u op. Nu zijn de badhuizen over het algemeen zeer primitief. Een eindje in zee aan een steiger is een platform met een rij houten huisjes links en rechts. Zelden sluit de deur der badkamertjes behoorlijk. Bij den ingang krijgt ge behalve een badkostuum een groot laken, dat u als mantel zal dienen. Die badmantel behoort er bij. De gasten blijven dikwijls een paar uur in het bad. Van tijd tot tijd houden zij elkaar op het strand, in hun mantel gewikkeld, gezelschap. Wanneer ge ze dan ziet staan, hun witte toga omgeslagen (probeer het zelf eens zoo, als ge kunt) dan denkt ge in den klassieken tijd teruggekeerd te zijn.

Ondertusschen speelt een pianist allerlei deuntjes, of een zanger in een rood jasje laat zijn "canzone" hooren. Een buffet ontbreekt er evenmin.

In 't algemeen geeft zoo'n warm zeebad geen verkoeling. Het water is bovendien vol met kleine kwalletjes, die u op de geniepigste manier de huid branden.

Langs de kaden van de Villa Nazionale baden de straatjongens den geheelen dag. Zij zijn door de zon gebruind en hebben in den regel niet veel meer aan, dan een amulet aan een kettinkje om den hals. Zoodra ge nadert, roepen zij u toe: "Signore, un soldo al mare [4]." Ik zou haast zeggen, voor de meeste kinderen behoort het bedelen tot de vermakelijkheden. Het is hun een instinkt geworden. Als zij den vreemdeling bespeuren, loopen zij op hem toe en geven hem door gebaren te kennen wat zij wenschen, hetzij zij met opgestoken vinger om een soldo vragen, hetzij ze met de vingers voor de lippen een sigaret bedelen.

Het maken van pleiziertochtjes met groote zeebooten komt meer en meer in zwang. Iederen Zondag wanneer het goed weer is, d. w. z. als de kleffe, vochtigwarme Scirocco niet waait, kan men voor weinige liren naar Capri, Ischia of Amalfi varen. Met grooten omhaal van woorden wordt dit overal in de stad aangekondigd. "Schitterende tocht in de Golf, allen naar Capri! al varende langs de heerlijke kust van Sorrento, kunt ge de Fariglioni bewonderen! Een uitgelezen orkest zal zich doen hooren!" En werkelijk is zoo'n tochtje schitterend. Jammer dat al die Napolitanen aan boord het u steeds zoo lastig maken, voortdurend schreeuwen, u twintigmaal voorbijloopen en u aanstooten of op de voeten trappen. Want rustig op hun vouwstoeltje blijven zitten--het is hun een onmogelijkheid.

Nola.

Het feest der leliën "La festa dei Gigli."

Eenige dagen vóór den 21sten Juni kondigden de aanplakbiljetten aan, dat er dien Zondag extra treinen zouden loopen naar Nola, waar het Leliënfeest zou gevierd worden. Een Napolitaansch vriend had mij aangeraden dit vooral te gaan zien. 's Morgens vroeg begaf ik mij naar het station van het locaalspoortje Napels-Nola-Baiano, op het Corso Garibaldi. Aan het loket vroeg ik een biljet 2e klasse, maar ik kreeg ten antwoord, dat er slechts 1e en 3e klassen waren. "Dan maar 1e klasse." Ook die was er niet, zoodat na dit gesprek eindelijk bleek, dat er alleen 3e klasse voorradig was. De trein bestond uit wagens, die op veevervoer berekend schenen. Ingestapt kwam ik tegenover een boerenvrouw met haar man te zitten; de laatste had een grooten waaier bij zich, waarmede hij zich koelte toewuifde. Iets verder deelde een vader aan zijn vijf kinderen risten van koekjes, aan een touwtje geregen, rond. De meeste vrouwen op haar Zondags dragen groote gouden ketenen, die u aan de zware ankerkettingen der schepen doen denken. Ik vroeg aan mijn overbuurman in den trein, of de ketting zijner vrouw van goud was. Zeer gevleid door die vraag, nam hij dien van haar hals en gaf hem mij in handen: "Tutto oro, signore" [5]. Later vernam ik, dat die halstooi het familiestuk is en een klein kapitaal vertegenwoordigt.

In den trein ontbraken weer niet de mandolinespelers. Zij maakten goede zaken. Het is ook een aardig gehoor, die vroolijke muziek, terwijl de trein u door de heerlijke dreven van het vruchtbare Campanië voert. Het koren en de mais zijn bijna rijp. In de goudgele velden staan bovendien nog allerlei vruchtboomen, met vijgen, citroenen of mispels beladen, terwijl de wingerden in guirlanden met de jonge druiventrossen dicht boven de aren hangen. Geen plekje is onbeplant, het veld geeft zijn rijkdom in lagen boven elkaar. Een heerlijke stemming brengen die velden over u. Ge denkt aan de oude bucolische zangen, ge verwacht ieder oogenblik een satyr of een amortje tusschen de guirlanden te zien springen.

Eer we het bemerken zijn wij Nola genaderd. In de verte ligt het als een wit nest tegen de uitloopers van de Apennijnen. Dichterbij gekomen zien wij hooge slanke torens boven de huizen uitsteken, een vreemd verschijnsel in Zuid-Italië.

In het stadje aangekomen, begeven wij ons naar het marktpleintje. De huizen zijn er vuil; op de vier hoeken staan oud-romeinsche beelden zonder ooren of neus. Reeds een talrijke menigte is er bijeen. Hier speelt het voornaamste bedrijf van het feest, dat gegeven wordt ter eere van San Paolino, den uitvinder der torenklokken, bisschop van Nola in de 8e eeuw ongeveer. Hij zou vele weldaden aan de stad bewezen hebben, o. a. een aantal Nolanen, die door de Saracenen gevankelijk waren weggevoerd, werden uit hun handen bevrijd door zijn bemiddeling. Zelf bracht hij ze per schip naar hun woonplaats terug en werd met groote vreugde ontvangen, terwijl het volk leliën voor hem strooide. Ieder jaar wordt dit feest herdacht, niet op een bepaalden datum, maar op een Zondag in de 2e helft van Juni. De leliën veranderden echter in den loop der eeuwen in torenhooge bloemstukken en ten slotte in kerktorens, die echter nog leliën genoemd worden.

In het geheel worden er 8 gebouwd, alle even hoog, een van 25 à 30 M. en, zooals ik reeds zeide, waren zij ver boven de huizen reeds zichtbaar, toen wij de stad naderden. De torens zijn gebouwd uit balken, die echter geheel aan het oog onttrokken zijn door stuc, waarin prachtige en smaakvol beschilderde reliefs. Op de spits staat een heiligenbeeld. Iedere toren behoort aan een corporatie of gilde. Het attribuut hangt ter halver hoogte, hetzij een jas, of een schoen, een brood, een kaas, een stuk vleesch enz. Op den ondersten ommegang zit een orkest. Het geheel rust op een balken onderstel van manshoogte. Behalve de 8 torens is er nog een groot schip, door woeste, geschilderde golven opgezweept. Op de voorplecht staat een beeldje van San Paolino en op den achtersteven een man met roetzwart gezicht, als moor verkleed. Langzamerhand zijn de torens uit de verschillende straten, die naar het marktplein voeren, aan komen wandelen, als reuzenvoetgangers, ieder door een 60 paar beenen gedragen. Want het balken onderstel rust op de schouders van de leden van het gilde. De voorzitter loopt voorop, in de hand een lange staaf met bloemen en linten omwonden. Hij dirigeert het orkest op den toren en de beenen eronder bewegen zich alle op de maat. Zijn het schip en de 8 torens bijeen, dan begint de dans der "leliën." De 8 orkesten spelen ieder voor zich een marsch. Nu eens ziet ge de reuzentorens op elkander toeschrijden, dan weer maken zij een sierlijke wending en wandelen naar de tegenovergestelde zijden van het plein. Het is u als een nachtmerrie, wanneer ge ze recht op u af ziet komen, en ge spoedt u weg om ze te ontvluchten. Het veiligst zijn de bewoners op hun balkons. In de meest opgewekte stemming slaan zij het schouwspel gade. Het is alsof de muziek, of liever het lawaai hen bedwelmd en in een roes gebracht heeft. Het schip beweegt zich als ten prooi aan een golvende menschenmassa.

Tegen twaalf uur 's middags is het feest in vollen gang, de torens beschrijven hun prachtigste figuren. Plotseling beginnen de kerkklokken te luiden. De deuren van de hoofdkerk gaan open en onder priestergezang komt een processie naar buiten. Tal van mannen in lange staatsiekleederen dragen brandende kaarsen, hun bloote hoofd door de felle zon beschenen. De rij wordt gesloten door een zilveren heiligenbeeld van San Paolino. Het is een half mansbeeld tot aan de dijen, het zilver is door de jaren zwart geworden. Nu regent het eensklaps van alle balkons der huizen handenvol groene erwten en suikerboontjes; als hagel klettert het neer op het zilveren beeld. Het lawaai van de muziek en het gejuich van het volk zijn thans oorverdoovend en er komt eerst eenige verademing als de processie het plein verlaten heeft. De torens blijven op de markt achter. Deze maken den volgenden dag een optocht door de stad. Ook de opgeschoten jongens hebben torens gemaakt van een 5 M. hoogte en zelfs de orkestjes ontbreken niet. Zij dragen niet weinig ertoe bij, het leven nog grooter te maken. Overal in het stadje worden er prenten verkocht voor 1 soldo, waarop de geschiedenis van San Paolino in kleuren en geuren is afgebeeld. De zee is er geel en dezelfde kleur zet zich over de gezichten van bisschop en Mooren voort. In 't verschiet de Vesuvius met vuurroode kleur en de lucht daarboven is donker violet getint,--maar in het zuiden komt het er op een kleur meer of minder niet aan.

Amalfi, Ravello.

"Tutti ad Amalfi!" Allen naar Amalfi! stond het in de straten van Napels aangeplakt. Voor slechts 2 lire (3 l. gereserveerd) zou de "elegantissimo" stoomboot ons des Zondags naar Amalfi brengen. Deze gelegenheid is niet te versmaden, daar het stadje van Napels uit overigens zeer moeilijk te bereiken is. 's Morgens om 8 uur gingen wij aan boord, na een plaats van 2 lire genomen te hebben. Een orkest was er reeds bezig de instrumenten te stemmen. Op de gereserveerde plaatsen zaten eenige Napolitaansche vrienden, die ons hartelijk uitlachten, dat wij ons zoo angstvallig aan onze 2-lire-plaats hielden. Zij hadden ook slechts een dergelijk biljet genomen en waren maar dadelijk doorgestapt naar de 1e klasse. Zoo gaat het hier meer. Op sommige locaaltreintjes (vooral in den drukken tijd) neemt de vreemdeling een biljet 1e klasse, de Napolitaan stelt zich met een kaartje "derde" tevreden, maar reist toch "eerste". De conducteur noodigt u soms uit, om maar in de hoogste klasse te gaan zitten, en hij weet ook wel waarom.

Het schip lag gemeerd aan de "Immacolatella" bij een poort, waarop de "Onbevlekte Ontvangenis" staat gebeeldhouwd, de maagd Maria met rozen aan haar voeten. Aan de loopbrug, die tot het schip toegang geeft, verdringen zich kooplieden met allerlei eetwaren, koekjes en gebakjes aan stokjes geregen, met groene watermeloenen, rooskleurig van inhoud, met flesschen wijn door sierlijk mandewerk omvlochten.

Terwijl het orkest een flinke marsch inzet, vaart het schip langzaam en statig uit de haven. Ge kunt u geen schooner gezicht voorstellen, dan dat langzaam terugwijkende Napels. Aanvankelijk ziet ge slechts de huizen langs de kade, de gevels bont met waschgoed en gekleurde lappen behangen. Niet lang daarna rijzen de achtergelegen huizen omhoog, daarboven weer de groote paleizen tegen de hellingen, omzoomd door smaragdgroene wijngaarden en het geheel gekroond door het kasteel San Elmo en het klooster San Martino. De blauwe watervlakte wordt steeds grooter tusschen het schip en de stad; de huizengroepen zijn nog slechts als groote witte vlekken zichtbaar. Steeds wijder schijnt de golf; het is alsof het land de armen uitbreidt. In het verschiet ligt de noordelijke kaap van de Golf, de oude Capo Miseno, een uitgestorven vulkaan, okergeel gekleurd met groene kruin. Vergilius bezingt deze als het graf van den trompetter van Aeneas, Misenus genaamd, en van verre gelijkt het ook wel een reusachtige tombe. In het verlengde van deze kaap liggen de eilanden Procida en Ischia; het laatste rijst als een reusachtige kegel met zijn Monte Epemeo (ook een vulkaan) uit zee op.

Terwijl wij het in een lichten nevel verdwijnende Napels bewonderen verheft zich rechts van ons de Vesuvius. Hij is thans volkomen rustig, geen rookwolkje stijgt er uit den krater op. De kegel heeft een rose kleur, die naar beneden in een grijsbruine overgaat. Slechts aan den voet is de vulkaan bewoond. In een breeden gordel van wijngaarden en tuinen liggen de dichtbevolkte dorpen Resina, Torre del Greco, Torre Annunziata, Bosco Trecase enz. Een klein eindje klimmen zij tegen den berg op aan de kust, maar dan begint de woestenij van lava en asch. De versche lavastroom van April 1906 hangt als een breed zwart rouwfloers naar Bosco Trecase af. Geen plant is daar gespaard gebleven. Enkele huizen komen slechts met het dak uit de gestolde steenmassa te voorschijn.

Aan boord is het publiek in een vroolijke stemming gekomen. De provisiemanden zijn geopend, alle mondwerktuigen zijn in beweging. Op het dek ligt het afval van allerlei vruchten. Stel u gerust, weldra is het ingedroogd en vormt een harde koek op het dek.

Nu viel er een zonderlinge gebeurtenis voor. Bij het verlaten van de haven hadden twee roeiers ongemerkt hun boot aan den achtersteven bevestigd, en languit in hun barca, zich aan een dolce far niente overgevend, lieten zij zich voortsleepen in de richting van Castellamare. Wij waren reeds halverwege gekomen, daar bemerkt de kapitein het. Hij geeft een matroos last om de boot los te doen maken. De matroos schreeuwt het den roeiers toe, maar met een minachtend gebaar weigeren zij. Van het schip is de sleeptros in de laagte niet te bereiken. Maar de kapitein weet raad. Een haak aan een takel bevestigd wordt om de sleeptros geslagen en de laatste met het stoomwindas omhoog geheschen. Heftig protest van de roeiers, gebaren en bedreigingen van halsafsnijden. Geen der matrozen durfde het touw lossnijden. De kapitein schuimbekt van woede, zweert bij hoog en laag. Eindelijk snijdt hij zelf met een flinke jaap het touw door. In weinige oogenblikken zijn de dreigende roeiers uit het gezicht verdwenen. Het incident is blijkbaar spoedig door den kapitein vergeten, want kort daarna zien wij hem in zijn goudgegalonneerde uniform bezig op de commandobrug het publiek te vermaken met voordrachten en potsen, waarvoor hij telkens met schaterend gelach beloond wordt.

Langzamerhand zijn wij de zuidkust der Golf genaderd met haar bloeiende dorpen hoog op de steile oevers gelegen. Beneden aan de smalle stranden, die als het ware in nissen van de rotsen ingesloten zijn, in donkere schaduw beschut tegen de voormiddagzon, is reeds iedereen aan het baden in het diepblauwe water. Als zeehonden liggen de badgasten op de rotsklippen en koesteren zich in de warme zon. Het laatste dorp, dat wij in de Golf voorbij varen is Massa, vreedzaam en rustig gelegen in een klein amphitheater van rotsen. Recht voor ons uit ligt het eiland Capri met het majestueuse profiel van een slapende sfinx, met de Faraglioni als twee wachten een eind in zee vooruitgeschoven.

Wij zwaaien nu om de zuidelijke kaap van de Golf van Napels heen, en als door een tooverslag is het panorama veranderd als wij de Golf van Salerno binnenvaren. Hooge, steile rotswanden rijzen uit zee op met hoekig profiel. Als een wit lint slingert zich langs de rotsen de weg van Sorrento naar Salerno. De dorpen zijn hier schaarscher. Terwijl wij tusschen de twee platte rotsen varen, de Sireneneilanden (Galli) naderen wij Positano. De huizen van het stadje liggen tegen de steile wanden van een nauw dal aan weerszijden opgestapeld. Hier en daar op een steile piek staan de ruïnen van een ouden Normandischen wachttoren, opgericht tegen de Saracenen. Ondanks den hoogen ouderdom zijn de bouwwerken nog goed bewaard gebleven, soms nog bewoond en als seinstation voor de marine ingericht. In de verte duikt Amalfi op, eertijds een haven, die Venetië en Genua naar de kroon stak, thans een stil stadje van ± 7000 inwoners, die in de maccaroni- en zeepfabricatie of in de papierindustrie hun bestaan vinden. Aan de landingsplaats aangekomen werpt het schip het anker uit. Tal van roeibooten omstuwen ons, want evenals bijna overal hier in den omtrek, moet men debarkeeren, daar het schip niet aan een kade aanlegt.

Aan het strand (Marina) aangekomen, worden tal van handen uitgestoken, om ons bij het uitstappen behulpzaam te zijn. De bewoners zijn naar de Marina gestroomd, om het thans ongewone schouwspel van het aanleggen van een groot stoomschip te zien. Alles ademt hier eenzaamheid en rust. De huizen staan te droomen, met hun gesloten zonneblinden en zware kleeden voor den ingang. Onregelmatig zijn zij opeen gestapeld. Hier en daar een witte toren met blinkende gebakken tegels bedekt. Het geheele stadsgezicht met zijn heldere tinten doet u denken aan een kunststuk van porcelein.

Bijna recht boven Amalfi ligt heel in de hoogte het oude Sarraceensche stadje Ravello, het eigenlijke doel van ons uitstapje. Spoedig hadden wij met een koetsier geaccordeerd en snel werden wij door zijn twee vlugge paardjes voortgetrokken. Eerst ging het langs de steile kustoevers van Atrani, langs een sierlijken slanken toren en na eenige scherpe bochten door een nauw dal naar boven. Welk een natuurweelde hier! De lucht is doortrokken van den geur van vruchten. Gezwollen vijgen hangen over den weg, reusachtige citroenen, amandelen. Klaterende watervallen, die ge bij Napels vergeefs zoekt. Achter ons de onmetelijke blauwe zee. Alles is hier stil en rustig; nu en dan slechts het getjirp van een onzichtbare cicade. Halverwege eenige papiermolens langs de beek, bijna geheel in het groen verborgen. Nog een paar bochten in den weg--en wij zijn boven op het verlaten pleintje van Ravello aangekomen. Voor een osteria zit de waard te slapen. Een paar kinderen spelen met groote steenen kogels. Terwijl wij den koetsier naar de osteria sturen, om op onze gezondheid een glas wijn te drinken, verlaten wij het rijtuig en gaan te voet eens rondkijken. Hier en daar gaat de straat onder hooge Moorsche bogen door, overblijfsels van paleizen. Het stadje, dat vroeger 30000 inwoners had, telt er thans slechts 1500. Weldra staan wij voor de elfde-eeuwsche kathedraal met haar bronzen deuren, die van 1179 dagteekenen. Alles is gesloten, doch na eenig kloppen doet een werkman ons open. Eenige andere werklieden waren er aan den arbeid (het was Zondag 2 uur nam.). Dadelijk bij het binnentreden wordt ons oog geboeid door een prachtigen preekstoel, rustend op 6 zware mozaïekzuilen, die getorst worden door steenen leeuwen, een voortreffelijk kunstgewrocht. Tegenover den kansel een mozaïek, Jonas door een visch verslonden, uiterst naïef van voorstelling, als door een schooljongen gemaakt.

Al onze indrukken worden echter overtroffen door het onvergetelijke uur, doorgebracht in het Moorsche paleis Ruffalo uit de 12e eeuw. Heerlijke palmen omgeven het oude bouwwerk, en rose oleanders, wier groene bladeren onder de bloemenweelde begraven zijn. Langs een zuilengalerij gaande, zien wij in de laagte een fantastisch binnenplaatsje, waar de bloemen elkaar overstelpen. Het is een sprookje uit de 1001 nacht. Waar blijft gij, Aladijn met uw wonderlamp? Hebt ge hier uw schatten gevonden?

Nu komen wij op het terras; het panorama is hier overweldigend. Diep beneden ons de onmetelijke zee, in den namiddag violet getint. Een rand van blank schuim omzoomt de kust. De witte weg naar Salerno slingert zich tusschen groene wijngaarden en verliest zich in de verte. Rechts in het verschiet het eiland Capri als met goudpoeder bestrooid, als een eiland der gelukzaligen. Het is haast bovenaardsch, onstoffelijk. Achter ons weer hooger rotsen met zigzagprofiel, kaal, door de heete zon geblakerd, blinkend als kopererts. Op dit terras schreef Richard Wagner 26 Mei 1880: "Klingsor's toovertuin is gevonden!" Maar wij moeten verder en met weemoed verlaten wij dit aardsche paradijs. Na een half uurtje zijn wij weer beneden in Amalfi. Wij laten de stoomboot echter zonder ons vertrekken; weldra is hij uit het gezicht verdwenen met haar levendige en vroolijke passagiers.

Wanneer de vliegmachines wat algemeener zijn, zal Napels een idealen toestand bieden. De daken toch zijn plat en geven ver boven het gekrioel (de Italiaan noemt dit "il formicolaio" naar de mieren) in de nauwe steegjes een veilige landingsplaats. Het is reeds of vele huiseigenaars er rekening mede hebben gehouden. Wanneer ge b.v. langs het Corso Vittorio Emanuele wandelt, dan reiken aan uw ééne hand de huizen 5 à 6 verdiepingen hoog, aan de andere hand hebt ge over de daken heen een ruim uitzicht op de zee vol witte zeiltjes. De toegang van de laaggelegen huizen is op het dak, hier is de portiersloge. Wie er de eerste verdieping bewoont moet het meest trappen klimmen. Het dak is een veelgezochte uitspanningsplaats en tegen den avond ziet gij tal van Napolitanen hier de frissche avondlucht genieten in stille bewondering voor de heerlijke stad aan hun voeten. Veel rust gunt een Napolitaan zich overigens niet. Het klinkt als een paradox in het land van "siesta" en "dolce far niente." Maar als er iemand hard werkt, dan is het de Napolitaansche arbeider. De vreemdeling, die hier slechts enkele dagen vertoeft, angstig om alles nauwkeurig op te nemen, zal in den regel een verkeerden indruk krijgen van den ijver der bevolking, wanneer hij de visschers in het heete middagzonnetje langs de kaden in diepe rust ziet liggen. Vergeet echter niet, dat zij den geheelen nacht op zee zwaar en moeilijk werk hebben verricht. Wie zich den tijd gunt om door de nauwe straten der volksbuurten te wandelen 's avonds om een uur of elf, vindt allen druk aan den arbeid bij het licht van armoedige petroleumlampjes, aan kleine tafeltjes voor hun deur. Het geheele gezin werkt dikwijls mee en zingt in koor de een of andere volkswijs in mineur. Het is alsof een tooneelregisseur hen gerangschikt heeft tot die schilderachtige groepjes.

Op alle uren van den dag kunt ge hier van het volksleven in al zijn bontheid genieten. De deuren der huizen staan wijd open, zoodat gij terstond in de donkere binnenkamers kijkt. Veel ruimte is hier niet en zelfs bij dag is het er duister, slechts een klein hoekje van het vertrek soms verlicht door een lampje onder een madonnabeeldje. Het voornaamste meubel is een reusachtig bed, dat er bijzonder helder uitziet in tegenstelling met de rest. Hierin slaapt ongeveer het geheele gezin.

In den vroegen morgen wordt het toilet op straat gemaakt. De ééne buurvrouw helpt de andere aan het opmaken van het haar. De ravenzwarte vlechten worden om het hoofd gewonden en behoorlijk met vet glimmend gemaakt. De heer des huizes heeft een spiegeltje buiten den deurpost gehangen en draait zijn knevel in een fraaie krul, nog voordat hij zijn bovenkleederen heeft aangetrokken. Maar niemand slaat er acht op, of ergert er zich aan.

Vooral van de schoenen wordt veel werk gemaakt. Een paar sierlijk gemodelleerde glimmende schoenen maken den trots van den Napolitaan uit. Bijna op iederen hoek der straten staan schoenpoetsers en in sommige restaurants loopen er rond met den naam van het café in gouden letters op hun pet. Zoolang uw schoenen niet als spiegels blinken trachten de schoenpoetsers uw aandacht te trekken door luid hameren met hun borstels op hun bak, die met stukjes spiegelglas en koperen spijkertjes zoo mooi mogelijk is gemaakt. De inhoud van hun bak gelijkt een chemisch laboratorium. Ge vindt er flesschen met bruine was, in twee of drie tinten, zwarte was, pijpaarde voor de witte schoenen en tal van borstels en lappen in verschillende graden van zachtheid. De bewerking die uw schoenen ondergaan kunt ge nauwelijks volgen; maar wanneer de laatste glans met een fluweelen lap is aangebracht, wanneer de strikken in de schoenveters nog eens verbeterd zijn, dan weet ge dat alles afgeloopen is. Ge moet echter niet op enkele minuten zien.

Meestal komt er een giornaliere u zijn kranten aanbieden. De inhoud van een Napolitaansche krant is wel een soldo waard. Zijt ge op sensaties, op moordgeschiedenissen, liefdesdrama's belust, gij vindt ze er in helle kleuren beschreven, iederen dag weer nieuwe.

Gij kunt er lezen, dat de "gentilissima marchesa X" het leven heeft geschonken aan een "bellissimo bambino." Dat de "contessa Y" een schitterende avondpartij heeft gegeven, en wie er alzoo kwamen en hoe zij gekleed waren. Buitengewoon interessant zijn de "Corrispondenze private." Minnende harten storten zich uit in advertenties van 2 tot 15 regels, à 10 centesimi het woord. Ik knip er een paar uit, voor de vuist weg:

"Mijn bestaan. Gij hebt mij gelukkig gemaakt. Mijn angst is genezen, alle twijfel opgeheven. Ik gevoel, dat ge mij werkelijk bemint. Vrees niet, ik zal mij edelmoedig tevreden stellen en mij zoo noodig opofferen. Ik druk je aan mijn hart en kus je als een bezetene."

"Overbuur. Je schoone oogen zeggen mij, dat wij elkaar begrepen hebben; ik bezweer je, mij aan te duiden, hoe wij kunnen correspondeeren. Alberto, br. fr. nummer van je woonhuis."

"Dievegge. Je hebt mijn hart gestolen, je laat mij aan de grootste wanhoop ten prooi. Had-je mij dan vergeten, toen mijn amulet zoek was? Bemin mij allerstandvastigst, trouw en onmetelijk. Zal ik Zondag de sterren weerzien? Voorzeker. Bemin mij, denk aan mij. Ik kus je."

"23 April. Steeds treurig, bekommerd om je stilzwijgen, mijn eenig goed. Vele hartstochtelijke liefkoozingen." enz.

De uitdrukkingen "ziek, stervend van liefde, neergesmakt van droefenis" zijn er schering en inslag. Een enkele maal een paar regels van de redactie aan een inzender, dat zijn advertentie te gepeperd was. Booze tongen beweren, dat de redactie dikwijls zelf een aantal dergelijke correspondenties erbij verzint ter opluistering van haar blad.

De schriftelijke behandeling van zaken onder het eenvoudige volk geschiedt nog veel door de requesten- en briefschrijvers, waarvan er een aantal achter hun tafeltje zitten onder de zuilengalerij van het reusachtige Theater S. Carlo. Zij schijnen hierin een goed bestaan te vinden, te oordeelen naar hun lang niet schamele kleeding. De klanten zijn dikwijls jonge vrouwen; met haar ééne arm op het tafeltje geleund fluisteren zij den requesten-schrijver de woorden toe, die hij met groote krullen op het papier zet.

De grootere huizen, "palazzi", in het nieuwe stadsgedeelte op en aan den voet van den Vomero geven toegang door een groote poort, die op de binnenplaats van het huis uitkomt. Links en rechts gaan marmeren trappen (scale nobili) naar de verschillende verdiepingen, door tal van families bewoond. Achter deze trappen loopen nog ruwsteenen trapjes in een afzonderlijke gang naar de minder nobele hoogste vertrekken. In de poort zit de portier, zich van zijne waardigheid ten volle bewust. De bewoners trachten hem te vrind te houden, want hij kan het hun lastig genoeg maken. Zoo wordt de groote poort al naar de regelen van het huis b.v. om 1 uur gesloten. Wie later komt, al is het maar 5 minuten, moet den portier 1/2 lire of meer betalen. Vandaar dat ge de schouwburgbezoekers tegen 1 uur dikwijls ziet rennen om op tijd binnen te zijn. Nu sluit de portier ook weleens om half één. Wanneer ge dan om kwart voor 1 toegang vraagt en hem niet op doet merken, dat het nog vóór den tijd is, dan komt hij den volgenden morgen zijn belooning opeischen. Krijgt hij geen fooien genoeg, dan zal hij den bewoners allerlei klachten overbrengen van hun buren; dat het kind te hard geschreeuwd heeft, of dat de meid water van het balcon heeft geworpen enz. Dergelijke geschiedenissen stellen het gemoedelijke van de afzonderlijke Hollandsche woningen duidelijk in het licht. Het spreekt vanzelf, dat die onaangenaamheden geen regel zijn, maar toch....

De portier van een adellijk huis b.v. op de Pizzofalcone draagt een livrei en houdt gedurende het bezoekuur een lange staaf in de hand met zilveren bol, als een tamboer-majoor. Omtrent de talrijkheid van adellijke bewoners krijgt men aanvankelijk een verkeerden indruk. Hier toch zetten velen het predicaat "don" voor hun naam, b.v. don Carlo, don Michele enz. Maar het is hier een titel van burgers, die men nog niet ten volle "signore" kan noemen.

Stille buurten zooals de Pizzofalcone, die in het Castel del Ovo uitloopt, zijn in Napels zeldzaam. Overal zweepgeknal, klokkengelui, balken van ezels, bellengerinkel van geiten en koeien, hanengekraai, schreeuwen van kooplieden. Ezels en muildieren zijn er zeer veel. De vele wonden, waarmede zij soms bedekt zijn, geven u terstond te kennen, dat de Napolitaan niet veel gevoel heeft voor dieren. Onbarmhartig beukt hij ze en het is vergeefsche moeite hem deze wreedheid onder oogen te brengen; door een grappig gezegde zal hij den dierenbeschermer bij de omstanders belachelijk maken. Er komt wel eenige verbetering. Sedert kort kan men bij slecht geplaveide of sterk hellende straten een man zien in de uniform van een politieagent, met een pet, waarop "protezione animali" (dierenbescherming). Hij beoordeelt, of het aantal personen in een rijtuigje te groot is en gelast de overtollige passagiers uit te stappen en een eindweegs ernaast te wandelen.

Van dieren gesproken: de muggen (zanzare) kunnen de slaapkamers nogal onveilig maken, wanneer ge bij brandende lamp de vensters geopend houdt. Het vinnigst zijn de "papataci" (letterlijk: zwijgende zuigers, _Phlebotomus papatasi_), aldus genoemd, daar zij onhoorbaar aanvliegen en u ongemerkt eenige druppels bloed stelen. Zij zijn uiterst klein en in nuchteren toestand geheel doorschijnend, zoodat gij ze nauwelijks op het behangselpapier kunt vinden. Hebt ge ze ontdekt, dan zijn ze zeer moeilijk te vangen of te dooden, daar zij door onverwachte zijsprongen u herhaaldelijk ontsnappen. Bij microscopisch onderzoek hebben hun steekwerktuigen het uiterlijk van een verzameling chirurgische instrumenten, buitengewoon krachtig in vergelijking met die der gewone steekmuggen. In een enkelen nacht kunnen zij uw aangezicht en armen leelijk toetakelen.

Er is nog een andere mug, de malariamug (Anopheles) die niet zoozeer de stad, als wel de omstreken teistert, vnl. de Phlegreische velden achter den Posilippo. Dat de malaria een lang niet zeldzame ziekte in Italië is, bemerkt ge reeds gedurende een spoortreinreis. Aan de stations prijzen groote reclameborden met een reusachtige malariamug erop in relief, een aantal middelen aan onder den naam van "Esamoeba" (d.i. amoeben en hier malariaparasiet verdrijvend) "Esanofele" (Anopheles werend).

In vlakke streken, de Romeinsche Campagna, de moerasvlakten bij Paestum, zijn de vensters der eenzame huisjes afgesloten door fijn gaas, om de muggen te weren, die door hun steek een aantal parasieten, de oorzaak van de malaria, in het bloed van den mensch brengen. In Napels ziet men groote reclameborden, waarop de ontleedkunde van de mug sterk vergroot is voorgesteld met de ontwikkelingstoestanden van de malariaparasiet naar platen uit het werk van Grassi, één der groote malaria-onderzoekers. Op de sigarettenpakjes van de regie staat de chinine als middel tegen de ziekte aanbevolen met de mededeeling, waar het volk haar (de chinine) voor geringen prijs kan verkrijgen.

In het hoog gelegen Napels heeft men weinig kans, door de malaria-mug geïnfecteerd te worden.

Wanneer een kind ziek is, wordt in enkele gevallen de dokter geraadpleegd, maar er zijn afdoender maatregelen. De kleine krijgt een miniatuur-pij aan van de Franciscaner-orde, want dan zal S. Franciscus het beter opmerken onder de vele zieke kindertjes. Na de beterschap wordt het kind soms aan zijn congregatie gewijd; het wandelt mee in de processies en torst evenals de mannen een zware kaars, soms door de kleine handjes verbrokkeld. Oplettend kijkt het naar zijn groote metgezellen, en wordt met zacht geweld op zijn plaats gebracht, als de speelschheid het verlokt, die te verlaten om zijn liefdevol toekijkende familie handjes te geven.

Bij dergelijke processies kunt ge alles nauwkeurig opnemen, zonder dat iemand uw blik te profaan zal vinden; integendeel, de deelnemers zijn er ten hoogste mee vereerd.

Een mijner vrienden wilde een kiekje nemen van het heiligenbeeld van St. Antonius v. Padua, dat in processie werd rondgedragen. Alle pogingen, om dit ongemerkt te verrichten, mislukten--dra hadden de dragers van het beeld hem met zijn camera bespeurd. Maar het hinderde niets; blijde, dat hun beeld zóó door een vreemdeling op prijs werd gesteld, hielden zij halt, maakten eenige ruimte en de opname kon rustig geschieden. Daarna renden zij met hun schutspatroon verder, om het voorste gedeelte van den optocht weer in te halen.

Het doen van geloften is hier bijzonder in zwang.

Wanneer een Napolitaansche vrouw ziek is, belooft zij aan haar beschermheilige, _zichzelf_ een nieuwe japon te bestellen, zoodra zij hersteld is. Moeilijk kan haar man haar dan later weigeren naar de modiste te gaan, want het is toch nu haar heilige plicht. Is de ziekte ernstig, dan doet soms de heele buurt mede, tal van buurvrouwen gaan zich ook nieuwe japonnen beloven. Houdt gij van een grasgroen wandelcostuum met gele linten, dan moet ge de gelofte doen aan St. Anna. Wie verzot is op een witte japon, met zwarte omslagen wende zich tot de Madonna del Carmine; voor een zwarte japon kieze men zich de Madonna Addolorata als beschermheilige. De genezing wordt ook wel verkregen door aan S. Ciro, den patroon van Portici te beloven, op zijn eerstvolgenden naamdag daarheen een uitstapje te maken. Manlief gaat dan ook maar mee, al is hij minder geloovig, want het vuurwerk en de muziek zijn er zoo mooi... [6]

_Het Zoölogisch Station_. Juist in het midden der Villa Nazionale, het heerlijke park langs den zeeoever in het westen van Napels staat een groot wit gebouw, dat op de Golf uitziet met ruime loggia's in Pompeiaansch rood. Het is bijna geheel verscholen tusschen palmen, oleanders, eucalyptusboomen en steeneiken (lecci) met hun rotsachtige schors. In Napels staat dit "paleis der dierkunde" bekend als Acquario, een benaming die slechts voor een deel van het geheel geldt. In 1874 door dr. Anton Dohrn gesticht, was de instelling betrekkelijk klein gehuisvest, maar met den reusachtigen groei der wetenschap breidde ook het station zich uit, zoodat er thans links en rechts van het oorspronkelijke gebouw twee uitgestrekte vleugels, onderling verbonden door galerijen en loopbruggen, zijn bijgekomen.

Voor den niet-dierkundigen reiziger is slechts het eigenlijke aquarium van belang. Wij gaan op de binnenplaats een donkere koele zaal binnen, waar de muren grootendeels uit spiegelglas bestaan. Daarachter ziet ge de dieren- en plantenwereld van de Golf in al haar verscheidenheid, levend in het lichtgroene bijna phosphoresceerende water met zilverwitte luchtbellen. Zeesterren in schitterende steenroode en violette kleuren kruipen met hun duizenden voetjes traag langs het glas, nu en dan een arm omkrullend, zeekomkommers liggen bewegingloos op den rotsachtigen bodem. Verderop gaande ziet ge inktvisschen in verschillende soorten, metaalachtig van huid waarover nu en dan plotseling donkere vlekken heenstrijken als de schaduw van een wolk over het weiland. Eén der grootere soorten, de Octopus of Achtarmige Inktvisch gelijkt met zijn lange slangvormige armen op een afzichtelijken Medusa-kop. De Napolitaan is er echter niet bang voor; het vleesch is voor hem een lekkernij. Vooral in de volksbuurten wordt de inktvisch onder den naam van Calamajo (= inktpot) gekookt in stukken te koop aangeboden. De visschers in hun barca vangen hem 's avonds, door hem met fakkels te lokken; zoodra hij binnen hun bereik is gekomen, pikken zij hem op. In waterkruiken, aan een lang touw gebonden, en gedurende eenigen tijd in zee neergelaten, vestigt de inktvisch soms zijn verblijf en moet dit met den dood bekoopen, wanneer de kruiken later opgehaald worden.

Maar gaan wij verder. In een andere afdeeling zien wij de veelkleurige visschen bont dooreen zwerven, happend naar nauwelijks zichtbare schaaldiertjes of plukkend aan groote lappen zeewier. Reuzenkreeften met lange sprieten en tal van pooten marcheeren met plotselinge rukjes over den bodem of pluizen met hun vinnige scharen de een of andere tritonslak uit elkaar.

Aan loenskijkende haaien geen gebrek. Het is een lust de vlugge en sierlijke bewegingen van deze bij uitstek goede zwemmers te zien.

In een ander bekken heerscht een diepe rust, het is alsof wij een perk van vreemdsoortige bloemen zien, lange buizen, waaruit veelkleurige straalsgewijze armpjes ontluiken. Het zijn kokerwormen, die kalm de voorbijzwevende prooi afwachten. Zoo ge een enkele beweging in het water maakt, is het schouwspel als door een tooverslag veranderd. Weg zijn de schitterende kleuren en ge ziet slechts een woestenij van grauwwitte kalkbuizen, waarbinnen de bewoners zich teruggetrokken hebben.

Wij zullen niet wachten tot de vangarmen zich weer uitgestoken hebben, maar loopen door naar het bassin van de zoogenaamde glasdieren, heerlijke kunstvormen der natuur, in doorschijnendheid soms wedijverend met Venetiaansch kristal. Een Venusgordel zweeft voorbij met parelmoerkleurige trilhaartjes, gevolgd door een keten van Salpen, wier hart men door den lichaamswand ziet kloppen; een opaalkleurige kwal sleept, zich rhythmisch samentrekkend, haar fijne neteldraden zwierig achter zich aan. De uiterst teere bewoners van deze afdeeling moeten helaas dikwijls door nieuwe vervangen worden, daar zij spoedig beschadigd worden of sterven.

Thans hebben wij slechts een klein gedeelte gezien van het eigenlijke zoölogisch station, want op de bovenverdiepingen zijn de talrijke laboratoriën. In het midden is de bibliotheek, één der volledigste op dierkundig gebied in de geheele wereld. De wanden zijn versierd met schoone fresco's van Von Marees, Italiaansche landschappen en zeegezichten met bronskleurige visschers in hun zwaar bedrijf.

Van alle landen komen de dierkundigen hier de rijke fauna van de Golf bestudeeren, de zeedieren van het zuidelijke klimaat, van zand- en rotsbodem, van diepzee en strand.

De Nederlandsche regeering beschikt hier over een werktafel, die zij van tijd tot tijd met boven allen lof verheven mildheid aan een dierkundige ter beschikking stelt.

Maar genoeg hierover. Wij kunnen echter nog geen afscheid van het Aquarium nemen zonder een bezoek gebracht te hebben aan de osteria van Vicenzo Bifulco in de Via del Molo, een der nauwe trapsteegjes der Via Roma. Het is bijna een krot, waar tal van werklieden achter een glas wijn de politiek zitten te bespreken. Het binnentreden van vreemdelingen baart allerminst opzien; de oude Vicenzo weet wel dat zijn zaak in Baedeker met een sterretje wordt vermeld. De wijn kost er bijna niets en is er voortreffelijk. Maar het vreemdelingenboek trekt het meest onze belangstelling, want de inhoud is zeer merkwaardig. Ge leest er ontboezemingen en handteekeningen van groote dierkundigen tusschen de zotste parodieën op de wetenschap, afbeeldingen van de zonderlingste diervormen, die in gegist druivensap kunnen ontstaan, maar nergens op onze planeet te vinden zijn. En al bladerend lezen wij met instemming een variatie op de eerste regels der Divina Comedia:

Midden op den weg onzes levens Bevond ik mij....... in een goede herberg.

_De Golf van Pozzuoli_. Dwars door den hoogen bergrug, die in den Capo Posilippo uitloopt vormt een tunnel (de Grotta nuova) de verbinding tusschen de beide Golven, die van Napels en Pozzuoli. Een breede verkeersweg voor wagens tusschen het tramspoor en een voetpad wordt schamel verlicht door enkele electrische booglampen. Het wagengeratel weerklinkt zóó intens onder het gewelf, dat men elkaar nauwelijks kan verstaan. Aan het uiteinde van den tunnel ligt het gehucht Fuorigrotta ("buiten de grot") in denzelfden stijl of liever even stijlloos gebouwd als Napels. Het is alsof de huizen van de stad Napels tegen den Posilippo opgedrongen, door de grot heen naar buiten zijn gepuild, om een rustiger bestaan te leiden aan de Golf van Pozzuoli. Stil is het hier nog niet; men struikelt er bijna over de kinderen, daar de meeste gezinnen er een 6 à 8 tellen. Maar geen nood, zooals hun ouders hen hier overal vertroetelen, hen op armen en schouders dragen, hen voortdurend kussen, zelfs als ze ondeugend zijn, zoo ziet men het weinig elders; en een schotel maccaroni is er nog wel voor ieder kind. Zelfs vindt men te Napels in kinderrijke gezinnen nog dikwijls aangenomen kinderen. En in de laatste rampvolle dagen van Calabrië en Messina zijn weer voorbeelden te over, hoe zelfs arme soldaten zich het lot van de ouderlooze kinderen aantrekken. Soms als een kind in een Napolitaansch gezin sterft, wordt in het vondelingenhuis door de ouders een plaatsvervanger gezocht, die onder den naam van figlio(a) della Madonna zijn pleegouders, zooals zij gelooven, geluk zal aanbrengen.

's Morgens vroeg komen de oudere meisjes uit Fuorigrotta naar de stad om in de fabrieken te werken. De Villa Nazionale biedt dan een bijzonderen aanblik met al die vroolijke groepjes. Zie ze daar gaan in druk gesprek, blootshoofds, een enkele bloem soms in de blouse gestoken, in hagelwitte zindelijke japonnetjes, en coquet den waaier bewegend. Vele dragen haar badcostuum in een matje gerold bij zich om, vóór zij aan den arbeid gaan, eerst nog een poosje bij Santa Lucia te zwemmen.

Van Fuorigrotta voert een lange stoffige weg door de Phlegreïsche Velden naar Bagnoli en verder langs de klippen naar Pozzuoli, een verkleinde uitgave van Napels. Maar hier staat alle arbeid, alle handel stil. De armoede viert hier hoogtij. Alles, groot en klein, dringt zich aan den vreemdeling op, om hem als gids te dienen. In koor roepen zij u de bezienswaardigheden toe, zij houden u gezelschap terwijl ge door de straten dwaalt, kortom ge geniet hier plotseling een ongewenschte populariteit. Een opgeschoten jongen op bloote voeten onder ons gevolg had het hoogste woord: "La Solfatara, l'Anfiteatro, il Serapeo" hij zou ons er voor 2 lire heen geleiden. Maar ziende, dat hij geen succes had, begon hij zelf af te dingen, 1 lire, 1/2 lire, ten slotte voor 2 soldi. Toen wij hem eindelijk vroegen, ons voor dien prijs bij een guardia municipale [7] te brengen, was hij als weggeblazen.

Er valt niets rustig te bekijken. Want al jaagt de custos uw gevolg weg, het is slechts om zelf des te ongestoorder om "maccaroni" te vragen.

Het Serapeum is de bouwval van een oude markthal, de custode beschrijft het echter als een tempel van Serapis. Drie zuilen trekken er terstond uw aandacht, en niet zonder reden. Zij staan met de basis in het water en op manshoogte, bij allen op de zelfde plaats boven de wateroppervlakte, vertoonen zij de bekende ronde gaten van boorschelpen, m.a.w. er is een tijd geweest, dat dit gedeelte der zuilen zich vroeger onder den zeespiegel bevond. De vulkanische bodem rijst en daalt er nog steeds, al zijn de verschillen thans slechts gering. Geregeld wordt dit van staatswege gemeten. Rondom den bouwval zijn kleine huisjes ingericht tot kostelooze zwavelbaden voor het volk. Wij bevinden ons hier midden in een streek, waar het vulkanisme menschelijkerwijs gesproken in zijn laatste stadium is. Vooral de Solfatara geeft daarvan getuigenis, een vulkaan in zijn laatste stuiptrekkingen. Wie het heerlijke panorama van het klooster Camaldoli gadeslaat, zal Pozzuoli omringd zien van een groote menigte kraters, ronde gaten, waarvan de bodem en wanden thans met liefelijke wijngaarden begroeid zijn. Zóó moet de Vesuvius er uitgezien hebben vóór de uitbarsting die Pompeï verwoestte.

Onder al die kraters is de Solfatara de eenige, die er doodsch en dor uitziet; de wanden zijn geel gekleurd door zwavel en asch. Van Pozzuoli uit bereikt men haar na een half uurtje wandelens bergopwaarts tusschen de wingerden. Na onze lire geofferd te hebben treden wij binnen. Tal van "geautoriseerde" gidsen dringen zich weer aan ons op. Zij beloven ons belangwekkende proeven te vertoonen en voorspellen ons groote gevaren zonder hun geleide. Dit alles doet ons besluiten, ons de medewerking van een gids te verzekeren, na eenig gekibbel over den prijs.

De bodem van den krater, waarover wij loopen is klaarblijkelijk van gestolde lava. Sommige gedeelten, waar nieuwe gaten zijn ontstaan, worden omgeven door bosjes verdroogde planten en doen u, ondanks de hitte, denken aan de wakken van onze Hollandsche ijsvlakten. De bodem klinkt er hol, wanneer gij een grooten steen neerwerpt. Uit de gaten (fumaroli) stijgen fluitend allerlei gassen op. Met een fakkel steekt de gids deze in brand en tot op grooten afstand om u heen bollen thans zware witte rookwolken omhoog; slechts zoolang de brandbare voorraad gassen strekt. Aan den rand van de Solfatara is een opening, de bocca grande [8] waar de gassen met zulk een kracht doorbreken, dat de fijne asch een borrelend geluid maakt als van kokend water. Wanneer de Vesuvius in werking is, houdt dit op, om weer te beginnen als de Vesuvius tot kalmte is gekomen; wel een bewijs, dat beide vulkanen onder den grond met elkaar in verbinding staan. De gids raapt tal van veelkleurige steenen op en radbraakt een menigte scheikundige benamingen, voor iedere kleur een andere. Ik geloof, als het radium tot hem doorgedrongen was, dat hij het u hier zou aanwijzen. Als aandenken wikkelt hij u een paar steenen in een stukje krantenpapier met de verzekering dat het arsenicum is, een hoeveelheid groot genoeg om geheel Napels te vergiftigen.

Hier wordt de van ouds beroemde Pozzolaansche aarde gewonnen, een cement, dat de oude Romeinsche bouwwerken zoo goed voor ons bewaard heeft. Ook thans nog wordt deze zwartgrijze bouwstof in Napels veel gebruikt.

Het Amphitheater is voortreffelijk bewaard. Het gebouw heeft den vorm van een ellips, wier langste as ruim 190 M. lang is en de kortste as ± 144 M. Vooral treffen ons de groote onderaardsche ruimten, die hun licht ontvangen door groote vierkante gaten in de Arena. In de hallen onder de schuinoploopende zitplaatsen zijn groote stallen. Eén dezer is in een kapel herschapen gewijd aan St. Januarius (S. Gennaro) die hier den marteldood vond en wiens bloed nog ieder jaar te Napels aan de kook raakt.

In de Arena hadden onder keizer Nero beroemde gladiatorengevechten plaats, waarbij Nero zelf in het strijdperk trad. De grootste attractie van het theater moeten wel de zeegevechten geweest zijn, als de Arena door lange buizen met water gevuld werd. Maar steeds weer nieuw en vol bekoring is het uitzicht, boven van de zitplaatsen, over de golf van Baia en kaap Miseno. Dat men hier nog oog kon hebben voor barbaarsche gevechten te midden van dit natuurschoon!

_Paestum_. Voor een bezoek naar Paestum, het Posidonia der Ouden, nemen wij den trein die om 8 uur 's morgens uit Napels vertrekt. Dicht langs den zeeoever, door diepe kloven van de lavastroomen aan den voet van den Vesuvius, langs Pompeï, en dan door het nauwe groene dal van Cava dei Tirreni naar Salerno. Al is het een treno direttissimo, toch gaan wij niet snel. Het is merkwaardig, in hoeveel schakeeringen het tempo van den trein is omschreven. Van treno direttissimo, neemt de snelheid af tot treno diretto, dan accelerato (versneld) tot eindelijk den treno omnibus, die als een slak voortkruipt, en in de meening verkeert, dat ge aan ieder klein huisje langs den weg het middagmaal gebruiken zult en iederen boom en hekje nauwkeurig wilt opnemen.

Bij Salerno heeft de trein juist het dal verlaten. Plotseling wordt nu de kust vlak, het gebergte is ver op den achtergrond teruggeweken. Nu gaat het gedurende 1 1/2 uur door een eenzame verlaten vlakte; hier en daar een eucalyptusboom met hangende bladeren, een moeras, een geel maisveld, vlakten met grijs-groene Affodillen (het voedsel der afgestorvenen in de onderwereld [9]) en stekelige Acanthus, wier bladeren het prachtig motief vormden voor de Corinthische kapiteelen. In de eenzaamheid verschijnen soms plotseling groote kudden van zwarte buffels met hoogen, bultigen rug. Slechts zelden een armoedig huisje, de vensters afgesloten door dun muskietengaas; boven de deur twee koehoorns ter afwering van het booze oog en--groote goden!--van dieven.

Eindelijk zijn wij in Paestum; het station bestaat slechts uit een klein huisje, ook weer door gaas aan alle kanten afgesloten. Eenige honderden schreden, en wij treden door de Sirenenpoort den stadsmuur binnen, die opgebouwd is uit vierkante steenblokken zonder kalk. Maar wij vinden binnen deze muren geen levendig verkeer, geen wagengeratel, geen kooplui die er hun waren aanprijzen. In de 6e eeuw v. Chr. was hier een bloeiende stad. Maar langzaam kwam de moordende malaria haar muren binnengeslopen. De bevolking trok zich meer en meer in het verre gebergte terug en thans staat er nog een enkel arm boerderijtje, welks bewoners ternauwernood aan de gevreesde koortsen ontkomen.

Van de vroegere grootheid zijn er nog enkele getuigen, drie statige tempels; de grootste is de tempel van Neptunus (Poseidon), daarnaast de Basilika en op eenigen afstand de Cerestempel. Over hen zijn 25 eeuwen heengegaan, de eeuwen van Romeinschen bloei, van ontstaan van het Christendom, van den riddertijd, van de groote revoluties en veldslagen. Gij gevoelt u hier in een gewijde sfeer en met eerbied nadert ge den trotschen Neptunustempel, na het Parthenon te Athene het schoonste Grieksche bouwwerk. Een goudgele soort kalksteen vormt de grondstof. Uit reusachtige blokken zijn de zuilen opgebouwd, slank van vorm, van onderen breed, van boven smal. Op de platte Dorische kapiteelen rusten de daklijsten en vóór en achter een driehoekig fries. Kijkt ge in den tempel naar boven, dan ziet ge als dak den helderblauwen hemel. Van het geheel gaat een onbeschrijfelijke bekoring en stemming uit. Bij onze nadering vliegt een zwerm raven, in hun rust gestoord, onder luid gekras weg en is weldra verdwenen. Hier en daar kronkelt zich een slangetje of hagedisje met ritselend geluid tusschen de geschroeide planten om zich snel te verschuilen. Voor den tempel ligt de basis van een altaar. Ge ziet in uw verbeelding het volk er voor verzameld; de priesters in lange slepende gewaden brengen een offerande en de zwarte rook kronkelt langs den tempelgevel omhoog ter eere van Poseidon, den zeegod, die in de nabijheid is.

Maar thans niets meer van dat alles. Een paar boerenkindertjes zijn genaderd, armoedig gekleed. Ge kunt de malarialijdertjes onder hen aanwijzen, met hun blauw-witte gelaatstint en hun koude rillingen in de gloeiende zon. "Wel kleine meid, waar is je vader?"--"In Amerika, signore."--"En je moeder?"--"Moeder ligt langen tijd te bed met koorts."--"En wie werkt er nu voor den kost?"--"Mijn broer van 15 jaar, maar hij heeft ook de koorts." Het kind zelf droeg polsmofjes als voorbehoedmiddel tegen de ziekte. Maar vroolijk en opgeruimd waren ze toch allen, die jongens en meisjes van 5 tot 13 jaar.

Nadat zij ons een weinig door den meegebrachten mondvoorraad hadden heengeholpen steeg hun vroolijkheid tot uitgelatenheid. Ongevraagd begon een kleine broekeman de tarentella te dansen, eerst een beetje ingehouden, maar daarna zich met volle aandacht inspannend. De golvende bewegingen van het lenige ventje, het knippen met de vingers boven het hoofd, riepen voor mijn gedachten het bronzen beeldje van den dansenden faun uit Pompeï; zou een zijner voorouders dit den onbekenden kunstenaar geïnspireerd hebben? Heerlijk land, waar nog steeds de modellen van kunstwerken uit de oudheid te vinden zijn, een blinde bedelaar met den kop van een Homerus, een jonge vrouw met het strenge profiel van Pallas Athene onder een helm van blonde haren, een boer met den ruigen puntbaard en de grove trekken van een satyr, een visschersjongen met de voeten van den Apollo van Belvedere, een marskramer het evenbeeld van den Seneca uit het Nationaal-museum.

Wij moeten thans Paestum verlaten, want hoe betooverend het schouwspel ook moge zijn, als de zon achter de stille tempels in zee wegduikt,--dan is het er gevaarlijk in de schemering, wanneer de malariamuggen op roof uitgaan en u dreigend om de ooren gonzen.

De reis gaat terug met een treno omnibus. In een klein stadje stapt een escorte zwaar geboeide gevangenen in (het was Zondag) onder geleide van eenige carabinieri. Ternauwernood kunnen de eerste bij hun boeien nog den mondvoorraad dragen, bestaande uit een flesch wijn, een stuk brood, een tros druiven en wat vijgen, alles in een doek tot een bundeltje geknoopt.

Na 5 uur sporens komen wij te Napels terug, diep onder den indruk van het geziene en onder een laag stof, die ons zwarte kringen om neus en oogen teekent.

AANTEEKENINGEN

[1] Geheim misdadig genootschap.

[2] Witte avond.

[3] Zwarte avond.

[4] Mijnheer, gooi een stuiver in zee.

[5] Geheel goud, mijnheer.

[6] Grant, Stories of Naples and the Camorra.

[7] Politieagent.

[8] Groote mond.

[9] Homerus.