De Belgische omwenteling by Colenbrander, H. T. (Herman Theodoor)

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; superscript tekst als {superscript}. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: met/zonder | | accent, met/zonder koppelteken. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van | | dit e-boek op http://www.gutenberg.org/ | | | | | +----------------------------------------------------------------+

DE BELGISCHE OMWENTELING

DE BELGISCHE OMWENTELING

DOOR

Dr. H. T. COLENBRANDER

(Met gebruikmaking van onuitgegeven bronnen)

[drukkersmerk: ALLES KOMT TEREGT]

'S-GRAVENHAGE MARTINUS NIJHOFF 1905

TYP. ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.

_België en Nederland hebben te veel gemeen, dan dat, bij het feest ginder, de gedachten van hier niet over den Moerdijk zouden vliegen._

_Ik heb de mijne niet weerhouden. Zij keerden van heden tot verleden terug. Tot wat ons vereenigt, en wat ons scheidt._

_Zich daarover een klaar oordeel te vormen, past den Hollander als den Belg. En nimmer zal het licht van één kant kunnen komen. Ik waag het er op, mijn zienswijze publiek te maken. Moge slechts mijn geschrift kunnen doen gelooven, dat zij niet zonder studie is gevormd._

C.

INLEIDING.

Nimmer zal ik den indruk vergeten, dien, jaren geleden, het eerste bezoek aan België op mij achterliet.

In dien kring van studiegenooten der Gentsche hoogeschool, aan dien disch waar scherts de—Nederlandsche!—taal kruidde, onder het luisteren naar die zangstem die aanhief van „die nachtegael die sanc een liet,” zangstem die aan den schrijver van „De Nederduitsche geschriften van Marnix van St. Aldegonde” behoorde,—was de Leidsche student in den vreemde?

Wij van onze Leidsche tafel plachten toen een hoog woord te voeren—hooger dan ons toekwam, meen ik natuurlijk thans betamelijkerwijs—over kunst en literatuur. Hoe geleidelijk konden wij daarmee voortgaan te Gent. _Zij_ hadden Couperus en van Deyssel gelezen, _wij_ Buysse's pas verschenen „Recht van den Sterkste”.

Maar de reis ging verder België in, en wij bemerkten meer en meer hetgeen ons reeds te Gent niet verborgen was gebleven: dat „'t Zal wel gaan” een kleine minderheid vertegenwoordigde. Brussel, zijn schouwburgen en eethuizen waren Fransch. De dagbladpers, Fransch, en wat meer zegt, aan al wat Parijs betrof een onevenredige plaats inruimend, als ware Brussel geen centrum, maar provincie.

Wat viel er, buiten den kleinen kring van „'t Zal”, in België als Nederlandsch op? De taal der aflaatbeloften, waarmede de kerkwanden als overdekt waren, de schreeuwende aanprijzingen der wonderdoende kracht van dezen en gindschen heilige, patronen tegen buik- en kiespijn, de rijke sorteering in katholieke stuiversliteratuur achter de ongewasschen vensterglazen van boekwinkels van den vierden rang. De Belgische samenleving scheen van boven verfranscht en van onderen verroomscht. En welk een Roomschheid! In geen katholieke kerk in het Noorden—gloednieuwe gebouwen voor het meerendeel—verwacht of vindt men zóó gestelde aanplakbrieven.

Nederlandsch was er voor de opmerkingsgaaf van ons alledaagsche reizigers ook nog iets anders. Er moesten blijkbaar zoo iets als wetten bestaan ter bescherming van de rechten onzer taal in dit tusschenland. Allerlei mededeelingen aan het publiek, van heel of half ambtelijk karakter, waren in beide talen gesteld. Maar ons overstapje heette een „overeenstemmingskaart,” en, op de terugreis, konden wij aan den ingang van het Leopoldspark te Antwerpen de waarschuwing lezen: „verboden hier paarden in te sleepen.” Wij waren echter niet te paard. Doch stel u, ruiter-landgenoot, gerust. Komt gij ooit op uw bruin voor het hek, de andere helft van het bord, met zijn „défense d'entraîner des chevaux”, zal u de bedoeling volkomen duidelijk maken.

Een land van veel beloften en meer teleurstellingen;—met dezen indruk keerden wij naar huis.

* * * * *

Wij kenden echter België niet. Welke wartaal is niet, door eenweeksreizigers, over ons eigen Holland uitgeslagen?

Als wij later België bezochten, waren het andere zaken die wij zien wilden. En of die er zijn! Wat ben ik aan u, primitievenzaal van het Antwerpsch museum, verplicht; wat aan u, betooverde Brugsche grachten! Aan u allen, steden van het Vlaamsche land! De Hollander, die werk maakt van de geschiedenis van zijn eigen volk, kan u niet genoeg bezoeken. Uit Vlaanderen, of door Vlaanderen, is een groot deel van onze beschaving tot ons gekomen, en die zien wil, vindt in dit land van her- en doorkomst nog heden daarvan de sporen. En België is daarbij geen dood land, maar een dat in zijn heden ons in veel opzichten tot voorbeeld strekt. Zijn optreden op het wereldtooneel kan ons dikwijls beschamen. De kloekheid en het goed gevolg, waarmede dit volk zijn materieele belangen weet voor te staan in verre landen, blijven bij ons niet onopgemerkt; wij, die ons geboren kooplieden noemen, mogen de Belgen hun consulaatwezen benijden. De haven van Antwerpen leidt een zoo krachtig leven als één der onze, terwijl onze nijverheid bij de hunne niet in vergelijking komt. En dit bloeiend stoffelijk leven wordt geadeld door nieuwe werken van het oude kunstgenie. Zoo onze Israëls naam heeft, hoe staart de wereld bewonderend op Meunier! Hoe dun blijkt ook, bij beter kennismaking, het Fransche vernis over het Belgische karakter gespreid. Rodenbach en Maeterlinck, zij mogen dan naar Parijs zijn gegaan, zijn geen Franschen en schrijven niet als Franschen. En dan stegen, juist in de laatste jaren, uit de diepten van het Vlaamsche volksgemoed klanken voor ons op van zegevierende schoonheid. Jaren lang, onverstaan en ongeëerd, had daar in een hoek van West-Vlaanderen Guido Gezelle gedicht. Wie kende tien jaren geleden zijn naam? En thans mogen wij ons schier afvragen, of onze gansche, rinkelende „beweging van '80” iets heeft voortgebracht, dat niet door het werk van dezen eenzame wordt overschenen. Een eenzame? Bloem en dier, zon en kind kenden hem. En aan de zijne verwant is de loutere ziel van dien anderen grooten Vlaming, Edgar Tinel.

Wij Hollanders moeten weten wat dit wonderbare land is. Leeren wij de Belgen, zij ons niet kennen, licht zullen wij, bij de eerstvolgende nauwe aanraking, elkander kwaad doen in plaats van goed.

Er moet wel veel tusschen ons zijn, dat het ons zooveel moeite kost, elkander te vinden. Zóóveel punten waarop verstandhouding mogelijk schijnt, en toch nog zoo weinig vruchtdragende samenwerking. Ieder van ons blijft, in zich gesloten, zoo klein;—hoe zou het onzen gedachtenkring verruimen, indien wij ons aanwennen wilden, van weerszijden wat aanhoudender en wat scherper over de grens te zien. Het komt, bij eenig nadenken, toch waarlijk ongehoord voor, dat bij ons de aardrijkskunde van België, en ginder die van Nederland, onderwezen worden als die van een geheel vreemd land. Met de geschiedenis is het alleen in zooverre beter, dat de lotgevallen van het eene deel in de vijftiende en zestiende eeuw, en in de periode van '15 tot '30, niet verhaald kunnen worden zonder eenige vermelding van die der andere helft. Doch hoe staat het bij ons met de kennis van België's geschiedenis sedert den val van Antwerpen tot het Weener Congres, of van België's geschiedenis sedert 1830?

Ik zou het een goed denkbeeld, en mij dunkt uitvoerbaar achten, aan een Noordnederlandsche hoogeschool een leerstoel voor Zuidnederlandsche geschiedenis, aan een Zuidnederlandsche een leerstoel voor de geschiedenis van het Noorden op te richten. En mochten dan de titularissen vooral de geschiedenis na 1830 niet vergeten. Hun werkzaamheid zou kunnen en moeten opwekken tot kennismaking met het levende zusterland.

Doch ik kwam hier tot een praktisch voorstel, en dit is voorshands mijn doel niet. Ik wil, naar aanleiding van dit onafhankelijkheidsfeest, mij verdiepen in ons gezamenlijk verleden. De vroegere vereeniging, onder de Bourgondiërs, zal ik niet voorbijgaan, doch mij bepaaldelijk met de latere onder Willem I bemoeien. Met de oorzaken der scheiding, en met de omwenteling zelf, die nog altijd zoo verschillend en veelal met zoo weinig kennis van zaken beoordeeld wordt. Daarna zal ik trachten uit te drukken wat naar mijne meening ieder van ons thans is, en onderstellenderwijs spreken over hetgeen wij voor elkander zouden kunnen worden.

EERSTE HOOFDSTUK.

België en Nederland vóór de Vereeniging.

België vormt, ondanks zijn tweetaligheid, in veel hooger mate een eenheid dan men het zich dikwijls voorstelt. Om die eenheid te begrijpen moet men de geschiedenis van België raadplegen.

De oudste geschiedenis van België, waar die te vinden? Langen tijd heeft men haar inderdaad niet weten voor te stellen, en de oudste geschiedenis der Belgische gewesten voor geschiedenis van België gegeven. Tot Pirenne het meesterlijk boek schreef, waarvan de voltooiing voor Noord en Zuid beide van zooveel gewicht zijn kan. Een goede geschiedenis van België toch zal ons helpen, onze eigene beter te verstaan.

België geeft moeilijkheden genoeg. Half Waalsch, half Dietsch; half leen der Fransche kroon, half Rijksleen. Een horizontale linguistische, een vertikale politieke scheidslijn. En toch moet dit België een nationale geschiedenis hebben gehad, aangezien het eene natie is geworden.

De naam wijst tot Caesar's tijden terug. Toen waren de Belgen de noordelijkste Kelten op het vasteland, ongeveer van de Marne en de Moezel tot het eiland der Bataven wonend. Hun geheele gebied werd ingelijfd in het Romeinsche rijk; het vormde er het uiterste grensland van, dat het eerst weder verloren is gegaan. Ten gevolge der aanhoudende oorlogen met de volken van over den Rijn raakte het Noorden van het tegenwoordige België, tot den grooten heerweg van Keulen over Maastricht en Tongeren naar Doornik en Boulogne, nagenoeg geheel ontvolkt en werd door Germanen ingenomen. Ten Zuiden van de lijn Maastricht–Boulogne handhaafde zich de Keltoromeinsche bevolking in zoodanige dichtheid, dat de ook hier als enkele individuen, niet meer als volksmassa gevestigde Germanen, de taal der Keltoromeinen overnamen. Deze taalgrens in België, ontstaan omstreeks het jaar 430, heeft zich tot den huidigen dag zeer weinig verschoven.

Gelijk de taal, was ook de godsdienst van het laat-Romeinsche rijk uit het Noorden van België verdwenen. Niettegenstaande de bekeering van hun koning Clovis, bleven de Salische Franken heidensch in het land waar zij de eigenlijke bevolking van uitmaakten: aan den benedenloop van Schelde en Maas. Deze streken moesten later voor het Christendom worden teruggewonnen. Het is betrekkelijk laat geschied: de stichting van de eerste kerk, op de plaats waar later Gent verrees, door St. Amand is van 610, en dit was eerst het begin. De christianiseering van het geheele gebied van het huidige België was eerst omstreeks een eeuw later voltooid. Een feit van niet te onderschatten beteekenis nu voor de vorming der Belgische nationaliteit is het geweest, dat in het Germaansche Noorden geen zelfstandig bisdom ontstond. De noordelijkste bisdommen, welke voor den val van het Romeinsche rijk bestaan hadden, reconstitueerden zich eenvoudig en namen elk hun moot van het inmiddels Germaansch geworden Noorden terug: Tongeren (Maastricht, Luik) het land tot de Dijle, Kamerijk (Atrecht) dat tusschen Dijle en Schelde, Noyon (Doornik) dat van de Schelde tot het Zwin en de Noordzee, Terwaan het dal van de Yser. M. a. w. de bisdommen, die in hun traditiën teruggingen tot den Romeinschen tijd, zochten de grenzen op der oude Romeinsche provinciën en _civitates_: Tongeren besloeg het gebied van de gewezen _civitas_ der Tungri en ressorteerde, als weleer die _civitas_, onder de provincie _Germania inferior_, m. a. w. onder Keulen;—Kamerijk, Noyon[1] en Terwaan vertegenwoordigden elk een van drie vroeger bestaan hebbende _civitates_ der provincie _Belgica secunda_ (die der Nervii, Menapii en Morini) en ressorteerden onder het aartsbisdom dier provincie: Reims. De kerkelijke indeeling weerspiegelde dus, tot 1559 toe, die van den Romeinschen tijd, hoewel de oude stammen, wier grenzen de Romeinsche indeeling gevolgd had, lang verdwenen waren. Nu lagen al deze vier bisschopszetels bezuiden de taalgrens: m. a. w. de hoofdsteden van de aanvankelijke beschaving der gezamenlijke Zuidnederlanders lagen in Franschsprekend gebied. Dáár verrezen hun kathedraalkerken, dáár werd hun geestelijkheid opgevoed, dáár bevonden zich de grootste abdijen[2]. Elke diocees, van uit Waalsch gebied bestuurd, had zoowel Dietschers als Walen onder hare geloovigen. Hierdoor werden de Dietsche Belgen als uit de Germaansche volkerengemeenschap afgescheiden en met hun aangezicht naar het Zuiden getrokken, of liever, zij werden in die laatste houding, welke zij op het oogenblik der christianisatie, als uit het Noorden gekomen veroveraars, uit den aard der zaak innamen, voor goed in de geschiedenis vastgelegd. Geheel anders is het uitgangspunt der geestelijke ontwikkeling van het Noorden geweest. Daar ontbrak de mogelijkheid, bij overleveringen uit den Romeinschen tijd aan te knoopen, en vormde Utrecht een locaal en tegelijkertijd nationaal middelpunt.

[1] In 1146 werd Doornik afgescheiden uit Noyon. In 1093 was Atrecht afgescheiden uit Kamerijk. De oude bisschopszetel van Tongeren was eerst overgebracht naar Maastricht en sedert het begin der 8ste eeuw gevestigd te Luik.

[2] Pirenne I, 19.

Wij hebben hier met een inderdaad gewichtig verschil tusschen de ontwikkeling van Noord en Zuid te doen, een verschil dat uit oude, grootendeels aardrijkskundige oorzaken is te verklaren.

De 's-Heerenbergsche, Veluwsche en Nijmeegsche hoogten vervullen in de geschiedenis van Groot-Nederland een belangrijke rol. Zij noodzaken Maas en Rijn die richting naar het Westen te nemen, die beider delta doet samenvallen met die der Schelde, en aldus het geheel van Noord-Nederland tegen het Zuiden door breede wateren afsluit. Hadden Maas en Rijn hun oorspronkelijke richting behouden, ware alzoo de Maas bij Emmerik in den Rijn, de Rijn, zonder delta te vormen, bij het Vlie in zee geloopen, er zou wel geen afzonderlijke Noordnederlandsche geschiedenis bestaan hebben. Groot-Nederland zou ten tijde van Caesar Keltisch zijn geweest, en na hem Romeinsch. De natuur heeft echter deze streken tot verbrokkeling en verscheidenheid voorbeschikt. De Germanen, die ten tijde der Merovingers het grootste deel van de gezamenlijke bevolking der latere zeventien provinciën uitmaakten, waren deels op oud-Romeisch, deels op oud-Germaansch gebied gezeten, en een groot stroomstelsel scheidde beide helften vaneen. Terwijl de noordelijke helft zich geheel als Germaansch gebied ontwikkelen kon, zag het Zuiden zich door de historie tot taak gesteld, uit verschillende bevolkings- en beschavings-elementen een harmonie op te bouwen.

Dit Zuiden, land van overgang tusschen de Romaansche en de Germaansche nationaliteit, werd het tegelijk tusschen twee politieke werelden. De Neustrisch-Austrasische grens, die meer naar het Zuiden in hoofdzaak met de taalgrens samenviel, sneed deze laatste in België rechthoekig, zoodat de diocesen van Kamerijk, Noyon en Terwaan, m. a. w. België bewesten de Dijle, aan Neustrië bleven. Een grens die herleefde na Karel den Groote, met deze wijziging, dat ditmaal het land tusschen Dijle en Schelde aan Lotharingen kwam, zoodat alleen Vlaanderen en Artois tot het Westfrankische rijk bleven behooren. Maar ook deze tweede, naar het Westen verlegde, staatkundige grens sneed de onveranderd gebleven taalgrens rechthoekig. Zoowel de Vlaamsche als de Lotharingische helft van België hadden dus een gemengd Waalsch-Dietsche bevolking. Van de territoriale staten, die in de middeleeuwen op Belgischen bodem ontstonden, waren de gewichtigste: Vlaanderen, Brabant, Luik, alle in hetzelfde geval.

Ware nu België gebleven in de positie die het ten tijde der Romeinen innam: van uitersten voorpost eener beschaving die in het Zuiden haar middelpunt had, van grensland dus tegen een noordoostelijk barbarendom, de zuidelijke beschavingselementen zouden het land geheel aan zich onderworpen en de ingedrongen bevolking van Dietschen stam onvermijdelijk opnieuw geromaniseerd hebben. Doch dit is verhinderd door de Karolingen, die de grens van Europa van den Rijn naar de Elbe hebben verlegd. Van grensland tegen de barbaren werd België overgangsland tusschen twee beschavingsgebieden. Zijn cultuur is hierdoor tegelijk een zeer bizondere en een zeer Europeesche geworden. Hadde het onverbrokkeld voortbestaan van het rijk van Karel den Groote tot de mogelijkheden behoord, het land van Keulen tot Luik zou een centrale positie hebben ingenomen: de blijkbare voorkeur van Karel voor Aken wijst daarheen, en reeds begon tijdens zijn regeering de Luiksche school een Europeesche vermaardheid te verkrijgen. Het vreemdelingenverkeer, de handelsbeweging namen in deze voor korten tijd nog als half barbaarsch geldende streken zeer snel toe. De oude heerweg van het zeestrand naar Keulen wemelde van volk uit alle oorden der Christenheid. Het Friesche laken werd een wereldartikel. Naar die van Dorestat zijn de oudste munten van Zweden en van Polen gevolgd. Een bloei die dien der zestiende eeuw als voorspelt, wanneer, onder Karel V, een gedeelte der politieke voorwaarden, die onder Karel den Groote de snelle ontwikkeling dezer landen mogelijk maakten, weder vervuld zijn. Hoe kort dan ook deze eerste tijd van opbloei geduurd moge hebben, hij blijft een teeken tot welke rol aardrijkskundige ligging en bevolkingsmenging deze landen als aanwezen. Het Karolingisch, universeel karakter dezer oud-Nederlandsche beschaving is, hoe ook verduisterd, nimmer geheel te gronde gegaan[3].

[3] Zeer fraai bij Pirenne, I, 32 en daarvoor.

De eerstvolgende tijd was nagenoeg geheel de negatie van den Karolingischen. De Noormannen verwoestten de beschaving, de eenheid des rijks ging verloren, de groote trek van Karels tijd schijnt geheel uit de geschiedenis te verdwijnen. Het is de geboorte der territoriale staten, die thans om onze aandacht vraagt.

In het Westfrankische deel van België ontstaat één machtige leenstaat: Vlaanderen. Het is een groote dwaling, op den naam „Vlaamsche beweging” af, dezen staat als een oorspronkelijk Dietschen te beschouwen. Hij was tweetalig: van het Zwin tot de Canche (bezuiden Boulogne) uitgestrekt, is het zeer de vraag, of hij oorspronkelijk meer Dietsche dan Waalsche bevolking geteld heeft, en het Waalsche Zuiden was eeuwen lang het hooger ontwikkelde deel. In Lotharingen, waar de proefneming met een het gansche gebied omvattend hertogdom mislukt (navolging van de groote Duitsche hertogdommen, maar niet als deze in de historie geworteld), is het woord aan de bisschoppen en aan de locale wereldlijke dynasten. Aanvankelijk is de Duitsche staatkundige invloed op het tot Duitschland gerekende deel oneindig sterker, dan die der Capetingers op Vlaanderen, en geniet dus deze laatste staat een veel grooter zelfstandigheid, dan de naburen van over de Schelde. Later zijn deze verhoudingen omgekeerd. Het Duitsche koningschap krimpt in tot een naam, het Fransche wordt een krachtige werkelijkheid. Brabant, Luik, Henegouwen, Holland ontwikkelen zich in een vrijheid, die slechts door de verhouding van nabuurschap waarin zij tot elkander en tot Vlaanderen staan, is beperkt: Vlaanderen staat bloot aan de volle macht van den Franschen koning.

Het is in de dertiende eeuw, van den slag bij Bouvines tot dien der Gulden Sporen, dat deze zich het krachtigst gelden laat. Artois wordt van het graafschap afgerukt. In gansch België, ook in de helft die in naam tot het Duitsche Rijk behoort, heeft het huis Capet zijn betrekkingen. Het wordt op een inlijving toegelegd, en Philips IV de Schoone komt dit doel zeer nabij. In het jaar 1300 scheen de wereld Vlaanderens ondergang te beleven. Het land, in zichzelf ten heftigste verdeeld, viel zonder eer en haast zonder strijd. De graaf gaf zich gevangen, zijn leen werd aan de kroon vervallen verklaard en door een luitenant des konings bestuurd. Tegelijkertijd erfde het met Frankrijk eng verbonden huis van Avesnes, dat in Henegouwen regeerde, Holland en Zeeland. Uitbreiding van Frankrijk noordwaarts tot den Rijn scheen in de naaste toekomst te wachten.

Doch dit was buiten de Vlaamsche poorters gerekend, die in den Sporenslag Vlaanderen en daarmede België hebben gered. Om over den graaf te zegevieren, had Philips een verbond moeten sluiten met de stedelijke aristocratie. De Fransche overwinning deed zich derhalve in de Vlaamsche steden, die in den loop der dertiende eeuw het krachtigste element in den staat waren geworden, als een gebeurtenis voor van maatschappelijke strekking, waartegen de arbeidende bevolking zich verhief. Philips de Schoone schijnt, bij zijn bezoek aan Gent in 1301, het gevaar van deze verhouding te hebben ingezien, doch een verbond met de stedelijke democratie streed tegen de gansche overlevering der koninklijk-Fransche staatskunst. De verblinding van den koninklijken stadhouder deed het overige. Een opstand verdrijft hem uit het land, de graaf wordt teruggeroepen; bij Kortrijk verslaat het Vlaamsche volk den Franschen adel. Een woedende krijg volgt, die niet ten onrechte bij de oorlogen der Fransche omwenteling is vergeleken, waarin eveneens een volksmassa, met opofferingen waartoe geen gevestigde regeering in staat is een nieuwe vechtwijze toepassend, in den aan een verouderde organisatie vasthoudenden tegenstander tegelijk een maatschappelijke macht uit het eigen land overwint. Slechts Waalsch-Vlaanderen bleef in het bezit des konings; de rest van het graafschap herwon zijn onafhankelijk bestaan.

Het was tegelijk de mogelijkheid eener zelfstandige Belgische beschaving, die bij Kortrijk werd gered. Het universeel karakter, dat België van den Karolingischen tijd af eigen was, had zich, verzwakt, toch nog altijd gehandhaafd, en bij de groote Europeesche onderneming der middeneeuwen, de kruistochten, had het land van zijn nut voor Europa een schitterende proef kunnen afleggen. Het is voorzeker geen toeval, dat Lotharingische edelen bij de tochten naar het Heilige Land zulk een groote rol gespeeld hebben. Godfried van Bouillon, de tijdgenoot vermeldt het uitdrukkelijk, werd aan het hoofd van den eersten kruistocht gesteld, omdat hij opgevoed was aan de grens der Romaansche en der Duitsche volken, en beider talen sprak. Onder bisschop Notker (972–1008) en nog lang daarna was Luik het middelpunt der Europeesche geleerdheid. Beroemde bisschoppen van Salzburg, van Verdun, van Utrecht hebben daar hun vorming gehad; vermaarde onderwijskrachten der Luiksche school hebben college gegeven te Mainz, te Brescia, te Parijs. Een van de eerste schrijvers en wellicht de beste geschiedschrijver der 11{de} eeuw is een Belg: Sigebert van Gembloux. De kloosterhervorming van Cluny, en de _treuga Dei_, zijn door België heen aan Duitschland bekend geworden. In omgekeerde richting drong de stijl der groote Romaansche bouwwerken aan den Rijn door Lotharingen, waar Sint-Servaas en Onze Lieve Vrouw van Maastricht, Onze Lieve Vrouw van Roermond, drie Luiksche kerken tot deze periode behooren, tot Doornik door, en werd daar onder plaatselijke en zuidelijke invloeden tot een gewijzigd Rijnsch-Romaanschen stijl, die weder een groote verbreiding in Noord-Frankrijk heeft gehad.

Deze bedrijvigheid echter van Lotharingen hing ten nauwste samen met den bloei en de kracht van het Oostfrankische, Duitsche, Rijk, waarin zich de Karolingische traditie veel zuiverder scheen te handhaven dan in het aan de feodaliteit vervallen Westfrankische. Het waren met name de bisschoppen die in Lotharingen het keizerlijk gezag en tevens het daarbij behoorend ideaal van op het universeele gerichte beschaving vertegenwoordigden. Doch de toekomst behoorde niet aan dit nieuwe, op oud-Rome geïnspireerde universalisme, zij behoorde aan de nationaliteiten, die thans bezig waren zich, in haar ware karakter nog weinig opgemerkt, uit de wereld der feodaliteit te kristalliseeren. Ook in Lotharingen was, als in Duitschland over het geheel, ten leste de feodaliteit meester geworden, en in den strijd tegen haar en tegen de Kerk ging het oude keizerlijk gezags- en beschavingsideaal nagenoeg geheel te gronde. De bisschoppen worden, in stede van keizerlijke ministers, feodale heeren, uit den omliggenden adel voortgekomen en van gelijke beweging als hij;—de hertogstitel van de wereldlijke vertegenwoordigers der keizerlijke macht in Neder-Lotharingen wordt een twistappel tusschen twee inheemsche gravenhuizen, en verliest ten slotte elke beteekenis dan die van ornament. Daarentegen komt in Frankrijk de eerste modern-Europeesche natie op, en in het Fransche koningschap de eerste moderne centralisatie van staatkundige macht. De 12{de} eeuw reeds ziet den overwegend Duitschen invloed in België door een overwegend Franschen vervangen; in de 13{de} eeuw heerscht de Fransche invloed schier onbeperkt. De Lotharingische feodale heeren vergeten dat zij tot het Rijk behooren; de Keizer is hun een legende, de nabijzijnde koning van Frankrijk een geduchte werkelijkheid. De staatkundige grenslijn die België van Noord naar Zuid deelde had geen beteekenis meer. Of de andere grens, die van West naar Oost, de taalgrens, zich zou kunnen handhaven? Het Vlaamsche hof van Philips van den Elzas en van de Dampierre's is geheel verfranscht, Fransch is de taal van de ridderlijke beschaving die uit het Zuiden doordringt en de Belgische aristocratie geheel aan zich onderwerpt. Sint-Omaars ging in de 13{de} eeuw voor het Dietsche taalgebied verloren, tijdelijk zelfs Yperen. Onder het patriciaat van Gent en Brugge nam het Fransch over de hand toe, eveneens aan het hertogelijk hof van Brabant. Nieuwe monniksorden, uit het Zuiden gekomen, werken aan de verbreiding van het Fransch mede. De rol van Luik als wetenschappelijk centrum is uitgespeeld. Het licht komt van Parijs. België zou geheel gefranciseerd zijn geworden, indien niet de gunstige geographische ligging intusschen ook de Dietsche bevolking tot grooter activiteit gewekt en daarmede haar weerstandsvermogen verhoogd had.

Na de invallen der Noormannen, die, met Dorestat, Witlam en Sluis, den oud-Nederlandschen handel verwoestten, was aanvankelijk de landbouw het eenig middel van bestaan geweest. Doch het kon niet anders, of een land gelegen als België moest den Europeeschen handel, zoodra hij weder ontstond, tot zich trekken. Voor de opkomst van Brugge in het bijzonder werd de verovering van Engeland door de Normandiërs van veel gewicht, die door een groote emigratie van het vasteland naar het eiland gevolgd werd. Brugge, door zijn ligging daartoe aangewezen, werd de plaats vanwaar de wijnen, de Schelde af uit Frankrijk, den Rijn af uit Duitschland gekomen, naar Engeland werden overgescheept. Uitvoer van producten des lands, als Doorniksche gehouwen steen, Vlaamsch linnen en laken, was spoedig het gevolg. Het laken vooral, waarvan de bereiding sedert de dagen der Morini in het wolrijke Vlaanderen inheemsch was, werd spoedig weder een artikel voor de Europeesche markt, zoozeer, dat men aan den voorraad eigen wol niet genoeg had, en deze uit naburige landen, ook over zee, moest worden aangevuld. Naast de klasse der kooplieden scheidde zich uit de massa der bevolking een afzonderlijke klasse van wolwevers af, die zich ophoopten op zoodanige plaatsen waar zij hun product het snelst en voordeeligst van de hand konden zetten. Ook andere locale industrieën, als de metaalbewerking van Hoei en Dinant, werden door de gunstige voorwaarden, welke de nabijheid der groote handelscentra aanbood, tot ontwikkeling gebracht. Langer heeft het geduurd, eer ook het tusschen de waterwegen in gelegen Brabant in deze beweging werd opgenomen; het bleef tot in de 12{de} eeuw bij uitsluiting een land van akkerbouw. Toen echter eenmaal het verkeer van den Rijn naar Brugge zulk een omvang had aangenomen dat het aan den waterweg niet meer genoeg had, maar zich bovendien van den overlandweg (Keulen–Maastricht–Leuven–Brussel–Aalst–Gent) begon te bedienen, brak ook voor Brabant een nieuwe tijd aan. Het verkeer van Keulen naar Brugge overland ging weldra het verkeer langs den waterweg verre te boven, een feit dat gelijkelijk den snellen aanwas der Brabantsche steden en van Gent, en het verval van Tiel en het achterblijven van Holland verklaart.

De groote vlucht die de lakennijverheid nam, bepaalde zich aanvankelijk volstrekt niet tot het Dietsche gedeelte van Vlaanderen. De lakens van Atrecht, van Rijsel, van Douai waren even beroemd als die van Yperen of Gent, en behalve naar Brugge, werden de producten der nijverheid ook in groote hoeveelheden naar de jaarmarkten van de Champagne uitgevoerd, voor welken handel de zuidelijke fabriekssteden het gunstigst lagen. Doch gaandeweg verliepen deze jaarmarkten en kwamen de vreemde kooplieden uitsluitend te Brugge zich van lakens voorzien. Er had zich namelijk een directe scheepvaart zoowel van Noord- als van Zuid-Europa naar de Brugsche haven ontwikkeld, die meer en meer het karakter verkreeg van een wereld-entrepôt. De oorspronkelijke eigen scheepvaart verviel, maar daarentegen werden de handelsoperatiën zoozeer te Brugge geconcentreerd, dat de naastbijgelegen fabriekssteden de verder afgelegene overvleugelden. Eindelijk werd, door de inlijving van Waalsch-Vlaanderen bij Frankrijk, de nijverheid der Waalsche steden zoowel van haar uitvoerhaven als van haar grondstof, de Engelsche wol, verstoken. In het Dietsche Noorden bloeide zij voortaan des te meer.

Natuurlijk is deze toenemende bloei van Dietsch-Vlaanderen van invloed geweest op het behoud en de ontwikkeling der Dietsche taal. De kleine klasse der „ledichgangers” mocht verfranschen, de groote massa der nijvere bevolking bleef Dietsch. Hoe zou het anders? Het was geen ingevoerde, het was een overoude, ter plaatse zelf ontstane nijverheid waarmede zij haar brood verdiende. De taal, met de maatschappelijke ontwikkeling medegegroeid, voldeed aan de eischen van leven en bedrijf; er was geen tijd, geen noodzaak om een vreemde cultuur aan te nemen. Een geheel burgerlijk, geheel wereldlijk beschavingsideaal nam het hart in. Het vervult den eersten dichter dien deze maatschappij voortgebracht heeft.

Al heeft een sot op thoeft gescoren Ene breede crune toten oren Hines te vroeder niet een saet.

En elders, in den _Eersten Martijn_, het thema:

Edelheit begint noch heden.

Na zijn overwinning van 1302 neemt de Vlaamsche burgerman de geheele breedte van het tooneel in, of tracht het althans te doen. De Gentsche republiek verduistert het graafschap, Artevelde den landsheer. Maar het zijn slechts gemeentebelangen, die hem bewegen. Zoodra zijn dictatuur gevestigd en hij voor het landsbestuur aansprakelijk geworden is, heeft hij niets dringenders te verrichten dan ten bate van Gent de lakenweverij van Dendermonde te vernietigen. Onder den kreet van „heer ende wet” staan die van Oudenaarde tegen hem op. Niet eenmaal in de eigen stad weet hij zijn gezag te handhaven: de wevers, met wier hulp hij machtig geworden is, bezorgen hem, in de persoon van hun deken, een mededinger. Met Eduard III meent hij te handelen als met een gelijke, maar Gent is oneindig meer afhankelijk van den invoer der Engelsche wol, dan Engeland van den vrijen afzet van slechts één van haar producten. De val van Artevelde bewijst, dat het Vlaamsch-burgerlijk belang zichzelven in de wereld niet voldoende kon beschermen. De toekomst was aan de eenige waarlijk representatieve macht: aan den landsheer.

Is voor de nieuwere historische kritiek de heldenfiguur, die de romantiek van Artevelde gemaakt heeft, niet bestaanbaar gebleken, zeer heeft zij den roem verhoogd van den veelgesmaden Lodewijk van Male. Geen held doopt zij hem, maar een zeer helderziend en zeer bekwaam vorst, voorlooper der Bourgondiërs. De economische belangen van het land vinden in hem een zoo goed verdediger, dat hij de stedelijke aristocratie, vroeger de grootste vijandin der grafelijke macht, voor zich wint; in ruil verzekert hij haar bewind tegen de aanslagen van den arbeidenden stand. De naijver der steden tegen elkander neemt, althans bij de regeerende klasse, sterk af. Tegenover de gedurig zwaarder wordende mededinging der Engelsche nijverheid hebben de Vlaamsche steden behoefte aan den steun der landsheerlijke macht. Onder 's vorsten bescherming wordt de lakenindustrie ook in een aantal dorpen gevestigd; de wol- en lakenhandelaars, die voor een goed deel de stedelijke aristocratie uitmaken, ondervinden daar geen nadeel van, wel de arbeidende klasse in de groote steden. Naast de „drie leden van Vlaanderen”, Gent, Brugge, en Yperen, doet Lodewijk van Male als vierde vertegenwoordigend lid het zuiver landbouwende Vrije van Brugge opnemen. In zijn „audiencie” schept hij een centraal orgaan voor regeering en rechtspraak, gelijk later de Bourgondiërs zouden doen in andere provinciën. En al is deze instelling van Franschen oorsprong, zij werkt er in de toepassing niet minder nationaal om. De leden van het college zijn landskinderen; van de 690 acten, in het eerste deel van het _Cartulaire de Louis de Male_ gedrukt, zijn er 9 in het Latijn, 264 in het Fransch en 417 in het Vlaamsch. Gelijkelijk steun zoekend bij de gegoede burgers, den adel en den landbouwenden stand, is zijn staatkunde vooral op het bedwingen der arbeidersklasse gericht, wier politieke invloed gebleken was de maatschappij als geheel niet te kunnen leiden. Een laatste geweldige opstand beslist tusschen de monarchie en het stands- en stadsparticularisme; de algemeene deelneming van Europa bewijst, hoe groot gewicht ook voor anderen de afloop van dezen strijd werd geacht te zullen hebben. Het is minder een stad dan wel een enkele klasse van haar bevolking die den strijd voert. Te Brugge vereenigen zich allen tegen het eene weversambacht, dat daar bij lange na zoo talrijk niet is als te Gent, en brengen de stad onder de gehoorzaamheid van den graaf terug. Nu wordt het gansch Vlaanderen tegen de Gentsche wevers. Zij houden Gent twee jaar lang en verrassen zelfs weder Brugge, waar op de gegoede burgers een bloedige wraak genomen wordt. Op Dendermonde en Oudenaarde na, maakt Gent zich meester van het geheele graafschap; de landsheer moet een Fransch leger te hulp roepen, om zijn stad te kunnen overwinnen. Bij Roosebeke ontmoeten de legers elkander, maar de geest van Kortrijk was niet vaardig meer over de Vlamingen. Een groot deel van hun gepreste krijgsmacht diende de Gentenaars onwillig, en verliet hen bij het aangaan van den slag, die in een nederlaag der witte kaproenen eindigde. Maar de stad zelf hield zich overeind, nog drie jaar lang, en Lodewijk van Male stierf eer hij haar ten onder gebracht had. Zijn schoonzoon en opvolger, Philips de Stoute van Bourgondië, zag zich tot onderhandelen genoopt, wilde hij niet met zijn graafschap een oorlog beërven. Tot den prijs eener volledige amnestie en van bevestiging der stadsprivilegiën onderwierp zich Gent op den 18{den} December 1385. Met dien datum eindigen voor Vlaanderen de middeleeuwen, die voor gansch België ten einde spoedden.

* * * * *

Lodewijk van Male was, behalve op bevestiging van zijn gezag in het graafschap, ten zeerste op versterking zijner huismacht uit geweest, doch hij had geen zoons, en werkte dus voor anderen. Hij had, ten nadeele van de zuster zijner vrouw, de hertogin van Brabant, zijn gebied met Mechelen en Antwerpen vergroot, en beheerschte dus den geheelen loop der Schelde. Voorts was zijn doel om Artois, door Philips August, en Waalsch-Vlaanderen, door Philips den Schoone aan Vlaanderen ontrukt, weder met zijn graafschap te vereenigen. Het eerste middel dat hij hiertoe bij de hand greep, was de verloving van zijn eenige dochter Margaretha met Philips van Rouvre, hertog en graaf van Bourgondië, graaf van Artois. Een huwelijk dat twee van de drie groote dynastieën, die in Frankrijk nog nevens de koninklijke bestonden: die van Vlaanderen, Bourgondië en Bretagne, vereenigen moest, en wel juist de twee wier landen zich het best er toe leenden om de basis uit te maken van een geduchte, tusschen Frankrijk en Duitschland ingeschoven territoriale macht. Maar vijf jaar na de verloving stierf Philips van Rouvre. Artois en het graafschap Bourgondië vielen aan diens moei, de moeder van Lodewijk van Male ten deel; het hertogdom Bourgondië kwam aan de Fransche kroon. Koning Jan beleende er zijn derden zoon mede, Philips den Stoute. Diens broeder, koning Karel V, bevorderde, om Vlaanderen buiten verbond met zijn Engelschen vijand te houden, zelf het huwelijk van Philips met de dochter van Lodewijk van Male, en gaf zelfs bij deze gelegenheid Rijsel, Douai en Orchies aan Vlaanderen terug (1369). In 1384, bij den dood van Lodewijk van Male, zag dus Philips Vlaanderen met Mechelen en Antwerpen, Artois, Nevers, Réthel, Bourgondië en het graafschap Bourgondië in zijn bezit vereenigd. Oom van Karel VI van Frankrijk en diens invloedrijkste raadsman, kon hij over de gansche hulpmiddelen van het koninkrijk ter bevordering zijner bizondere oogmerken beschikken. Hij had daarmede een reusachtigen voorsprong op de beide andere huizen die hem het bezit der Nederlanden wellicht zouden kunnen betwisten: het Beiersche en het Luxemburgsche.

Ongetwijfeld heeft Karel V, toen hij den jongeren tak van zijn huis den weg naar het Noorden wees, gemeend zoodoende het „Vlaamsche gevaar” het best te zullen bezweren. Philips de Stoute heeft zich dan ook nog wel degelijk Franschman gevoeld, maar sedert de Bourgondiërs in de Nederlanden grooter gezag verkregen, konden zij bezwaarlijk Franschman blijven: daartoe waren de Nederlanden te zeer een wereld op zich zelf. Al dadelijk was Philips, door zijn bezit van Rijks-Vlaanderen en van Franche Comté, leenman van het Rijk zoo goed als van de Fransche kroon; hij was ook erfgenaam van al de betrekkingen en belangen van het Vlaamsche graafschap, die voor een groot deel over de Henegouwsche, Brabantsche, Hollandsche grens wezen. Nauwelijks een jaar na den dood van Lodewijk van Male gelukte hem een meesterlijke zet, waarbij de belangen der Fransche kroon weder evenzeer schenen te zijn gebaat, als de persoonlijke belangen van Philips zelf. Engeland bereidde, om in Holland een vergoeding te vinden voor wat het in Vlaanderen op het vasteland verloren had, een huwelijk voor van den zoon van hertog Albrecht van Beieren met de dochter van den hertog van Lancaster. Het gold nu, het huis Wittelsbach, door aanbieding van grooter voordeelen, aan de Fransche zijde te trekken. Hiertoe werden drie huwelijken tegelijk voorgeslagen: van Jan (zonder Vrees), zoon van Philips den Stoute, met Margaretha, dochter van Albrecht; van Margaretha, dochter van Philips, met Albrechts zoon Willem; eindelijk van Elisabeth (Isabeau) van Beieren met den jongen koning van Frankrijk, Karel VI, zelf. Deze huwelijken kwamen alle drie in 1385 tot stand. Zij bezorgden het huis Bourgondië een overwegenden invloed in de Beiersche bezittingen en in de gansche Nederlanden. In 1390 stond de oude hertogin van Brabant, Johanna (met verscheuring van een vroeger verdrag, dat de opvolging toegezegd had aan het geslacht van haar thans overleden Luxemburgschen gemaal) haar hertogdom, onder beding van vruchtgebruik en uitoefening der heerschappij tot haar dood voor zichzelve, aan Philips, echtgenoot van hare nicht Margaretha van Vlaanderen, af. Hiermede werd niet slechts de val van het Luxemburgsche huis in de Nederlanden bezegeld, maar ook de feitelijk sinds lang bestaande vervreemding der oud-Lotharingische Nederlanden van het Duitsche Rijk. Johanna toch had over haar hertogdom beschikt als over allodiaal goed. Deze beschikking werd genomen met goedvinden van de Staten van Brabant, tegenover welke Philips dezelfde tegemoetkomende houding aannam als in 1385 tegenover de stad Gent. Had hij toen alle privilegiën bevestigd en toegezegd dat de Fransche kanselarij zich in brieven aan de stad van de Vlaamsche taal zou bedienen, thans had hij de hereeniging van Antwerpen en Mechelen met Brabant beloofd, en tevens dat Brabant zijn bijzonderen vorst zou behouden. Zijn tweede zoon Antonie zou in Brabant en Limburg regeeren. Deze is Johanna van Brabant opgevolgd bij haar dood in 1406.

Niettegenstaande den schijn, die hem als den bewusten grondlegger eener Nederlandsche macht kan doen voorkomen, is Philips de Stoute echter bovenal Fransch prins van den bloede geweest. Zijn hoofddoel was, zich en zijn nakomelingen het overwicht te verschaffen over de factie van zijn neef, den hertog van Orleans, en zijn vergrooting in de Nederlanden was hem een middel om dit doel te bereiken. Gewoonlijk verbleef hij òf aan het Fransche koningshof, òf in het verre Bourgondië. Vlaamsch heeft hij niet gekend. Maar zijn werk, het moge aaneenhangen van huwelijken en onderhandelingen tusschen vorsten, was niet ondernomen zonder rekening te houden met de neigingen der bevolking zelve. Geen oogenblik heeft, na Johanna's dood, Brabant er over gedacht, aan de reclamatiën van Ruprecht van de Palts, die het hertogdom aan het Rijk vervallen verklaarde, gehoor te verleenen. En meer dan reclameeren kon de Duitsche Keizer niet.

Philips' groote tegenstander, de hertog van Orleans, trachtte hem na te volgen en ook in de Nederlanden vasten voet te verkrijgen. Hij sloeg het oog op Luxemburg en op Gelder; pogingen, die mede Jan zonder Vrees er toe zullen gedreven hebben hem te doen vermoorden (1407). Twee jaar later sneed het huwelijk van Antonie van Bourgondië met Elisabeth van Görlitz, hertogin van Luxemburg, aan hernieuwing van dergelijke pogingen den pas af. Gelijk deze echt de Luxemburgsche, moest die van Antonie's zoon Jan met Jacoba van Beieren (1418) de Beiersche erfenis in de Nederlanden aan het Bourgondische huis verzekeren. Een jaar na dit laatste huwelijk had een gebeurtenis plaats, die in de positie van het huis van Bourgondië een groote verandering te weeg bracht: de moord van Jan zonder Vrees op de brug bij Montereau.

De misdaad, waaraan Jan zich in 1407 had schuldig gemaakt, had hem het gouvernement van het koninkrijk niet in handen geleverd. In 1411 was de hevige burgeroorlog der Bourguignons en Armagnacs uitgebroken, waarin beide partijen Engeland op hun hand zochten te krijgen, en waarin de dauphijn, zoon van Karel VI, de zijde der Armagnacs hield. Het was na een mondgesprek met den dauphijn, dat Jan zonder Vrees werd vermoord. Voortaan is de Bourgondische macht zonder terughouding aan de koninklijk-Fransche vijandig; de dubbelzinnige verhouding, waartoe Philips de Stoute den grond gelegd had, heeft tot een geweldige ontknooping geleid, die geen verzoening meer toelaat. Aanstonds verbindt zich Jans opvolger openlijk met den landsvijand; bij het verdrag van Troyes erkent hij Hendrik V van Engeland als koning van Frankrijk. Hij breekt met de houding van vazal; weldra zal hij voor zijn gezanten rang eischen onmiddellijk na dien der koningen.

De Fransche geschiedschrijving stelt in den regel het gansche gedrag van Philips den Goede als een gevolg van wraakzucht over den moord zijns vaders voor. De moord was evenwel niet meer dan de laatste aanleiding tot een beslissing, die toch niet uit zou hebben kunnen blijven. De jonge Philips was reeds meer te Gent dan te Parijs opgevoed; aanhoudend meer vorderden de Nederlandsche zaken, waarmede de Bourgondiërs zich zoo diep hadden ingelaten, de aandacht van een geheelen mensch. Bij den dood van Hendrik V weigert Philips de waardigheid van regent van Frankrijk, die hij aan den hertog van Bedford overlaat (1422). Terwijl Engelschen en Franschen hun zaak uitvechten, verwerft Philips zich Henegouwen, Holland en Zeeland (regeering in 1428, titel in 1433), Brabant en Limburg (1430, dood van Philips van St. Pol, tweeden en laatsten zoon van Antonie van Bourgondië). In 1421 had hij de opvolging in Namen gekocht, dat hem acht jaar later dan ook toeviel; te Utrecht was zijn invloed overwegend; in Gelder had hij een partij; over de bisdommen Kamerijk en Doornik beschikte hij naar welgevallen. In Luxemburg nam de oude hertogin Elisabeth hem voor momber aan (1441); na haar dood in 1451 volgt hijzelf op. Buiten het Bourgondisch gezag blijven voorshands nog alleen de noordoostelijkste Nederlanden. De grondslag voor een nieuwen Europeeschen staat, met Brussel tot hoofdstad, schijnt gelegd. In 1435 sluit Philips vrede met Karel VII, maar als met een buitenlandsche macht. Hij zal den koning voor de Fransche leenen die hij bezit of bij het verdrag verkrijgt, geen hulde behoeven te doen, en de door den koning uitgeschreven belastingen zullen niet geheven worden in de landen van Philips. Deze afval van het verdrag van Troyes berokkent hem een oorlog met Engeland, dat wel Calais tegen hem behoudt, maar geen vasten voet in Philips' eigen bezittingen weet te verkrijgen. In 1439 wordt de vrede gesloten. In 1440 eindelijk begint de regeering van een Keizer, die, anders dan de Luxemburger Sigismund, tegen de usurpatie der Nederlandsche rijksleenen door Bourgondië zich niet langer met machtelooze protesten verzet. Europa heeft, uitdrukkelijk of feitelijk, de nieuwe macht erkend. In 1447 onderhandelt Philips met Frederik III over de oprichting van een koninkrijk. De zaak gelukt niet, maar ieder weet dat de hertog van Bourgondië in aanzien menig koning der Christenheid overtreft.

Terwijl Bourgondië zich aldus zelfstandig maakt, wordt de staatkunde der Fransche kroon in de eerste plaats anti-Bourgondisch. Doch zij wordt verlamd door de oneenigheid tusschen Karel VII en zijn zoon Lodewijk, die de vlucht neemt naar zijn Bourgondischen verwant, en daar 's konings dood verbeidt. Het schijnt een oogenblik of de vroegere dubbelzinnige toestand nog eenmaal zal kunnen intreden, wanneer met Lodewijk XI een creatuur van den hertog van Bourgondië den Franschen troon bestijgen zal. Doch Lodewijk, eenmaal koning, heeft dergelijke verwachtingen te schande gemaakt. Valois en Bourgondië vertegenwoordigden voortaan onherroepelijk verschillende landen met verschillende belangen.

De Bourgondische bezittingen waren rijk genoeg, om Karel den Stoute in staat te stellen zich tegenover Frankrijk te handhaven, en zelfs om naar de Rijkszijde zijn gebied verder uit te breiden. Het gedeelte zijner rustelooze werkzaamheid, dat, als de bemoeiingen in Luik en in Gelder, als de uitvoering van het program zijns vaders kan worden beschouwd, heeft dan ook zeker zijn val niet veroorzaakt. Maar Karel ging, in dolzinnige haast, de grenzen eener aan een opkomende dynastie geoorloofde eerzucht ver te buiten. De Bourgondiërs konden twee dingen doen. Zij konden hun Nederlandsche bezittingen afronden; zij konden ook, door het toe te leggen op de verwerving van Lotharingen, Bourgondië met de Nederlanden in onmiddellijke verbinding zoeken te brengen. Het eerste doel was volkomen bereikbaar, het tweede reeds uitermate moeilijk, en het was zeer de vraag, of op die wijze een levensvatbare staat kon ontstaan: Frankrijk drong, met Ile de France en de Champagne, provinciën die het onmogelijk was ooit aan de Fransche kroon te ontnemen, te ver naar het Oosten in. Een dergelijke groot-Bourgondische staat, gezwegen er van, dat hij bezwaarlijk ooit de belichaming eener nationaliteit zou zijn geworden, zou naar te veel zijden tegelijk defensief hebben moeten optreden, en in zijn smalle verbindingslid steeds een zeer kwetsbare plek hebben gehouden. Om dit verbindingslid een behoorlijke breedte te geven, bleef niets over dan het veroveren der Rijngrens van Bazel tot Kleef, een pogen dat half Duitschland tegen den Bourgondiër in de wapenen zou brengen, zooals de geschiedenis van het beleg van Nuis kwam bewijzen. De plannen echter van Karel den Stoute gingen echter nog boven dit groot-Bourgondisch program uit. Beurtelings stelde hij zich voor de Fransche monarchie in zes of zeven kleine staten op te lossen, de Habsburgers tot zijne cliënten en zichzelf tot Keizer te maken, zijn nog niet eenmaal bestaand rijk uit te breiden tot de Middellandsche Zee, ja zelfs voet te vatten in Italië. Op zijn dood is een geweldige reactie gevolgd, die te nauwernood de voornaamste resultaten van het werk van zijn vader in wezen liet.

Wèl moest een schepping aan wezenlijke behoeften beantwoorden, die zich staande hield onder zoo ongunstige omstandigheden als de regeering van Maria en Maximiliaan opleverde. In één opzicht werd zij zelfs zeer versterkt: het terugvallen van het hertogdom Bourgondië aan de Fransche kroon, nekslag aan de groot-Bourgondische gedachte, bepaalde de krachten van het huis, voor eenigen tijd althans, tot zijn taak in de Nederlanden, die scherp belijnd, en die uitvoerbaar was.

Philips de Goede reeds, de _conditor Belgii_, had verwonderlijk veel bereikt. Eigenlijk niet verwonderlijk, als men bedenkt hoe reeds de veertiende eeuw op Nederlandschen bodem de leer van Philips van Leyden, en de practijk van Lodewijk van Male had voortgebracht. Het gemeene recht won veld op de privilegiën, die opgehouden hadden noodzakelijk en dus aangevangen hadden schadelijk te zijn. De gesloten klassen der middeleeuwsche maatschappij houden zich niet meer in stand. De geleerdheid is niet meer het deel der geestelijkheid alleen, de adel is niet meer de militaire kaste bij uitnemendheid, de voorrechten, aan steden en corporatiën verleend, zijn niet meer de eenige waarborgen der vreedzame verrichting van bepaalde maatschappelijke functiën. De vorst wordt de natuurlijke toevlucht van allen die geen deel hebben aan de privilegiën, en evenzeer van allen die er deel aan hebben, want geen geprivilegieerde of hij wordt door eens anders privilegie in zijn belangen geschaad en in zijn vrijheid beperkt. De betrekkingen van allen met allen zijn te levendig geworden, dan dat de oude scheidsmuren overeind kunnen blijven staan, en de vorst is de eenige die de bouwvallen kan opruimen.

Zeer duidelijk is nu, in elk der gewesten die in het bezit der Bourgondiërs geraken, een versnelde ontwikkeling in de reeds overal ingeslagen richting naar egalisatie, centralisatie, monarchie. Daarnevens worden de eerste grondslagen gelegd eener algemeen-Nederlandsche regeering en vertegenwoordiging.

Van de hervorming der instellingen eener bepaalde provincie levert Vlaanderen een sprekend beeld. De „audiencie” van Lodewijk van Male hield zes of zeven zittingen per jaar, en was een omgaand hof. De raad die Philips de Stoute in 1386 te Rijsel instelt (voor Vlaanderen met Antwerpen en Mechelen inbegrepen, Rijsel, Douai en Orchies, Artois, Nevers en Réthel) zit elken dag en is gebonden aan een bepaalde plaats. De leden moeten afzien van elke andere betrekking of bezigheid, leven uitsluitend van hun wedde, mogen niet het burgerrecht behouden eener bizondere stad of het lidmaatschap eener bepaalde corporatie: zij vormen het eerste volkomen uit de maatschappij geïsoleerde ambtenaren-college dat de Nederlanden gekend hebben. De raad is behalve regeeringsraad en gerechtshof tevens rekenkamer; hij waakt over de rechten en bezittingen van den heer, die inderdaad zijn, en met elk jaar meer worden, de rechten en bezittingen van het publiek. De raad sprak Fransch. Hiertegen, en tegen de omstandigheid dat het graafschap geen afzonderlijk ressort meer vormde, maar met andere gewesten aan eenzelfde college onderworpen was geworden, brachten de Vlamingen aanhoudend klachten in. Jan zonder Vrees splitste daarom het college in een rekenkamer, die te Rijsel bleef, en in een gerechtshof, dat te Oudenaarde gevestigd werd (1405) en twee jaar later te Gent, waar het, met korte tusschenpoozen in de 15{de} eeuw[4], tot de Fransche omwenteling toe is gebleven (de Raad van Vlaanderen). Onderwijl werd het gebied der rekenkamer te Rijsel nog met Namen en Henegouwen vergroot. Zij bleef zich bij uitsluiting van het Fransch bedienen. Voor den Raad van Vlaanderen werd aanstonds in 1405 ten aanzien der taal een andere regeling getroffen, waarbij werd voortgebouwd op de regelen bij de Audiencie van Lodewijk van Male in gebruik, waar de rechters gewoon waren geweest hun vonnissen te vellen in de taal die partijen gebruikt hadden. „Toutes enquestes quy se feront par lesdicts conseillers ou autres commis de par eulx, où les escriptures des parties sont en flameng, se feront en flameng.” Voorts werd bepaald „qu' à l'huys ouvert chascune des parties et poursuyvans puyssent parler à tel langage qu'ilz veuillent, et qu'on leur responde en langage flameng. Et s'ilz sont en débatz, le Flameng aura l'option de playder en flameng s'il luy plaist”[5]. Dit taalbesluit van Jan zonder Vrees is van kracht geweest zoolang de Raad van Vlaanderen gestaan heeft: tot de Fransche omwenteling toe. Het is dan ook zeer verkeerd, in de Bourgondische vorsten voorvechters te zien van het gebruik der Fransche taal. Zij eerbiedigden te dezen aanzien de bestaande toestanden. In België gold de taalgrens voor het lagere volk, maar waren de hoogere standen feitelijk tweetalig geworden, lang voor de komst van den eersten Bourgondiër in de Nederlanden. Benoorden den Moerdijk, waar het Fransch niet doorgedrongen was, hebben zij ook niet de geringste poging gedaan om het in te voeren. Nauwelijks minder verbreid dan de kennis van het Fransch in Vlaamsch-, was die van het Vlaamsch in Waalsch-België. Philips de Goede en Karel de Stoute konden Vlaamsch spreken; zij wisten te goed, zegt de kroniekschrijver Molinet, „que leur puissance estoit trop plus flamande que wallonne.” Froissart kende Vlaamsch. Een groote menigte Fransche uitdrukkingen drongen in het Vlaamsch, een niet minder groote menigte Vlaamsche woorden drongen in het Luikerwaalsch door. Sedert het verval van de jaarmarkten in de Champagne was het gebruik van het Vlaamsch in den handel zeer toegenomen, en dank zij de verbetering van het onderwijs nam in de 15{de} eeuw het officieel gebruik der landstaal in het binnenlandsch bestuur der Dietsche streken geheel en al de overhand op Latijn en Fransch beide. Van weerszijden der taalgrens noodigde men elkander uit tot het vogelschieten en tot de landjuweelen. Het onderscheid in taal verdeelde België in geenen deele in twee vijandige kampen. Waar echter het Vlaamsch zich bedreigd voelde, wist het zich te verdedigen, als in 1477 tegenover Vrouw Maria, na het drijven van Karel den Stoute, den eenigen vorst die de wijze gematigdheid van zijn huis ten opzichte der taalkwestie niet volkomen gehandhaafd, en in Vlaamsch land ambtenaren aangesteld heeft, die de taal der bevolking niet verstonden, volstrekt niet uit stelselmatige vijandschap tegen het Vlaamsch evenwel, maar als een gevolg zijner ook in andere opzichten niets ontziende willekeur.

[4] In 1439 voor een jaar te Kortrijk; van 1447 tot 1451 te Dendermonde, van 1451 tot 1463 te Yperen.

[5] Placcaerten van Vlaenderen, I, 241, 242.

De voor Vlaanderen ontworpen binnenlandsche bestuursinrichting werd, naar 's lands gelegenheid verbrabantscht of verhollandscht, elders nagevolgd. In 1406 werden te Vilvoorde een Rekenkamer en een Raad van Brabant opgericht. Het eerste lichaam is blijven bestaan en zag later Luxemburg aan zijn gebied toegevoegd[6], tegen den Raad evenwel kwam het land in verzet, en in 1422 kwam een geheel ander college tot stand, dat niet uit vorstelijke ambtenaren, maar uit gedelegeerden van adel en steden bestond. Eerst Philips de Goede heeft na 1430 het plan van zijn oom Antonie weer kunnen opnemen, en een Hof van Brabant ingesteld naar het model van den Raad van Vlaanderen. In Holland dagteekent het Hof uit denzelfden tijd. In de economisch en staatkundig minder ontwikkelde gewesten, als Henegouwen en Luxemburg, werd met eenvoudiger, minder kostbare inrichtingen volstaan, die evenwel dezelfde strekking tot egalisatie en centralisatie hadden.

[6] Van 1463 tot 1477 ook Holland en Zeeland. De Haagsche Rekenkamer, in 1446 opgericht, werd bij art. 22 van het Groot-Privilegie hersteld.

Al deze inrichtingen, de meer samengestelde en de meer eenvoudige, hebben zich spoedig geacclimatiseerd, en den storm van 1477 zeer wel doorstaan. Zij hebben aan de administratie der afzonderlijke gewesten een strenger monarchaal karakter gegeven, zonder evenwel ergens de organen der volksvertegenwoordiging te vernietigen of te verminken. Alom hebben de Staten des lands het recht behouden de bede te bewilligen, en haar rol is in beteekenis toegenomen naarmate de vorsten vaker in de gelegenheid kwamen die bewilliging in te roepen.

Veel langzamer en behoedzamer dan de hervorming van het provinciaal bestuur, is de schepping van een algemeen landsbestuur in zijn werk gegaan. De Bourgondiërs konden hierbij niet voortbouwen op reeds gelegde grondslagen: van eene bovengewestelijke bestuursinrichting kon eerst sprake wezen, nadat de veelheid der dynastieën voor een eenheid had plaats gemaakt. Gelijk het vorstenhuis zelf, komen de instellingen der centrale regeering uit den vreemde. Zij kunnen niet aan Nederlanders in handen gegeven worden, omdat er in dezen zuiver staatkundigen zin nog geen Nederlanders zijn, doch slechts Vlamingen of Brabanders. Bourgondiërs en Picardiërs leverden het personeel, en het Fransch was bij uitsluiting de taal der bovengewestelijke regeering.

Toen Philips de Stoute Vlaanderen en Artois erfde, was hij sedert twintig jaren hertog van Bourgondië geweest, en had als alle vorsten, zijn raad gehad, waarvan de leden hem omringden en bijstonden in de regeering. Maar Philips, toentertijd een man van groot gezag bij zijn neef koning Karel VI, bepaalde zijn aandacht niet tot het hertogdom. Hij verbleef meest te Parijs, en zoo veranderde de oorspronkelijk locaal-Bourgondische raad van karakter en werd een orgaan der uitgebreider staatkundige werkzaamheid van zijn heer. De eerste in rang behoudt den titel van kanselier van Bourgondië, maar onder hem staan lieden van uitgelezen bekwaamheid en van velerhande herkomst, edelen, geestelijken, leden van den derden stand. Een nieuwe vassaliteit, waarbij de wedde in de plaats gekomen is van het leen, en staatkundige diensten in de plaats van den krijgsdienst[7]: de Croy's, Lalaing's, Hugonet's, Humbercourt's, Hagenbach's komen uit hun rijen voort. De meester weet hun trouw koninklijk te beloonen en straft hun ontrouw zonder genade. Sommigen van hen houden zich gestadig in zijn nabijheid, anderen gaan in zending uit, besturen een provincie, bevelen in een vesting. De gansche regeering, voor zoover zij buiten het terrein ligt dat door de bezworen privilegiën wordt bestreken, gaat door hun handen: buitenlandsche zaken, gewestelijk opperbestuur, rechtszaken aan den vorst voorbehouden, gratiën en remissiën, domeinbestuur, zorg voor leger en vloot. In al deze zaken geldt het souverein bevel van den vorst, „ainsi nous plaist-il et voulons estre faict”. Tot midden onder de regeering van Philips den Goede heeft deze „Groote Raad” geen vaststaand ledental en geen vaste residentie gehad. Een ordonnantie van 1446 bracht hierin verandering, en bepaalde tevens dat alle beslissingen van den vorst genomen zouden worden na advies en beraadslaging van den Grooten Raad, en dat alle requesten, mondelinge en schriftelijke, aan den Raad zouden worden gerenvoyeerd. Rechterlijke en bestuursfunctiën bleven echter nog in één lichaam vereenigd; in 1454 evenwel werd een afzonderlijke justitiekamer bij den Raad ingericht. Karel de Stoute splitste den Raad in tweeën: een politiek en een rechterlijk lichaam, welk laatste te Mechelen werd gevestigd en tevens beroepshof werd voor alle Nederlanden (1473). Dit was meer dan het particularisme der gewesten voorshands kon verdragen: in 1477 kwam de Groote Raad van Mechelen te vervallen, en werd eerst in 1504 door Philips den Schoone weder opgericht. Een andere hervorming van Karel den Stoute, de vervanging der rekenkamers van Rijsel en Brussel door één enkele kamer te Mechelen, werd eveneens in 1477 ongedaan gemaakt. Rijsel, Brussel en den Haag kregen hunne bizondere kamers terug.

[7] Pirenne II, 362.

De strenge administratie der financiën, door deze rekenkamers gewaarborgd, toonde waartoe bij eenheid in beheer de hulpmiddelen der Nederlanden reeds in staat waren. De inkomsten van Philips den Goede beliepen in 1455 het vierdubbele van die van de republiek Florence, het driedubbele van die van Napels, het dubbele van die van den Paus en van den hertog van Milaan, en bijna zooveel als die van de republiek Venetië. En deze inkomsten werden verkregen zonder de hulpmiddelen zelve ook maar eenigszins uit te putten.

Evenwel is het algemeen bestuur niet populair geweest: het was te zeer het bestuur van den vorst, te weinig dat van het land. Doch hierin bracht de vorstelijke staatkunde zelf een begin, of liever een mogelijkheid, van verandering. Als een middel om het particularisme der provinciën te gemakkelijker te breken, riep Philips de Staten zijner landen in gezamenlijke vergadering bijeen. Zesmaal zijn zij tusschen 1463 en 1477 zoo vergaderd geweest. De provinciën zagen aanvankelijk zulk een bijeenroeping zeer ongaarne: zij werden liever aangesproken „in den haren”, zooals tal van oude privilegiën het geboden. Doch gaandeweg kwamen zij tot het inzicht, dat de gezamenlijke vergadering hen ook sterken kon tegenover den landsheer. De laatste vergadering die onder Karel den Stoute gehouden is, die van Gent in 1476, verwierp de bede, en bij het Groot-Privilegie werd het recht bedongen dat de Staten-Generaal zouden mogen bijeenkomen zoo dikwijls zij zelf het verkozen, en dat geen oorlog zou worden ondernomen zonder hun bewilliging. Een recht dat niet constitutioneel geworden is, maar toch bewijst hoe grooten voortgang de eenheidsidee in de provinciën zelve had gemaakt, juist ten gevolge van het strenge absolutisme van Karel den Stoute, dat hen niet als afzonderlijke landen, maar als massa aan zijn wil had zoeken te onderwerpen. Het feit van 1477 bleef in de geschiedenis staan als een voorspook en waarschuwing. Zoodra het absolutisme antinationaal van strekking wordt, herleeft de unie-idee der afzonderlijke provinciën: zoo in 1558 bij gelegenheid der novennale bede, zoo in 1576 na Requesens' dood.

* * * * *

Is, in het Bourgondische tijdvak, Nederland als staat nog slechts in de eerste wording, Nederland als beschavingseenheid manifesteert zich reeds in onmiskenbare uitingen. Het karakter van tusschenland tusschen de Romaansche en de Germaansche wereld handhaaft zich hierbij en teekent zich gedurig weder in nieuwe lijnen af. Doch het is een tusschenland geworden in hoogere beteekenis dan vroeger, geen doorvoerstation als bij het overbrengen van den Rijnschen bouwstijl naar Doornik of van den Franschen ridderroman naar Duitschland, maar een land van zelfstandige voortbrenging. Op dezen gunstig gelegen bodem, reeds eeuwen lang in onmiddellijk verkeer met onderscheiden landen en beschavingen der Christenheid, is een volk ontstaan van buitengewone begaafdheid, dat elementen van Germaansche en van Romaansche kultuur weet te versmelten tot een eenheid die tegelijk voor gansch Europa verstaanbaar en onmiskenbaar Nederlandsch is. De Nederlandsche nationaliteit (in den ruimen zin genomen die Zuid en Noord omvat) ontsnapt aan alle annexatie, van Frankrijk of Duitschland uit ondernomen, aan de staatkundige niet alleen, maar ook en zelfs vooral aan de geestelijke. Vandaar dat de Duitsche geschiedschrijving, zoo dikwijls zij Noord-Nederland als Duitsch, de Fransche, zoo dikwijls zij België als Fransch beschavingsgebied opvat, van onze geschiedenis niet meer dan een karikatuur weten te leveren. Nederland is zichzelf, en tegelijkertijd bij uitnemendheid het land der open deur: geen bespottelijker en misdadiger, dan een Nederlandsch jingoïsme zou zijn. Wij nemen gaarne op, maar verwerken zelfstandig, en Europa is er te rijker om. Onze beschaving is ons eigenste bezit, onze staat slechts de noodschuur, die is opgericht om haar te kunnen behouden.

* * * * *

Opmerkelijk is, bij het beschouwen van de oorsprongen der Nederlandsche samenleving van den nieuweren tijd, de afwisselende rol, die aan de enkele gewesten in haar geschiedenis is toegevallen. Overweegt in de gansche oude en middeleeuwsche geschiedenis het belang van het Zuiden, dit belang is in de onderscheiden tijdperken niet gelijkelijk over de verschillende streken verdeeld geweest. In de Romeinsche periode is kennelijk de provincie _Germania inferior_, die onmiddellijk den invloed van het groote centrum Keulen ondergaat, de draagster der beschaving, en dit Oosten handhaaft zijn overwicht in de dagen van Karel den Groote en nog daarna, in den tijd van den grooten wetenschappelijken bloei van Luik. Vervolgens evenwel neemt merkbaar Vlaanderen de overhand, zoowel door de ontwikkeling van het handelsverkeer en van de nijverheid, als door zijn nauwere betrekking tot de nieuwe leidende beschavingsmacht, Frankrijk.

Op het hooge standpunt nu waarop wij Vlaanderen in de 13{de} en nog in de 14{de} eeuw aantreffen, heeft het zich als Bourgondische provincie niet kunnen handhaven. Zoodra de gewichtigste Nederlanden in één hand kwamen, maakte Vlaanderen's ligging het voor zetel van het algemeen bestuur minder geschikt. Afgezien nog van het zeer bizonder karakter van de ontwikkeling der Vlaamsche steden, was Brussel reeds om aardrijkskundige redenen de aangewezen residentie. Doch er waren nog veel krachtiger werkende oorzaken dan de verplaatsing van het hof, die Vlaanderens beteekenis deden afnemen. Zijn handel en nijverheid handhaafden zich niet op de oude hoogte.

Sedert Eduard III van de Vlaamsche troebelen van het midden der 14{de} eeuw gebruik had gemaakt, om een aanzienlijk aantal Vlaamsche wevers naar Engeland te lokken, was in het wolland zelf de lakennijverheid tot grooter volmaking gebracht, ja tegen het einde der eeuw reeds werd de Engelsche mededinging zoo scherp, dat men in Vlaanderen om bescherming riep. Het Zwin werd ontzegd aan schepen met Engelsche lakens aan boord, maar de maatregel had een niet bedoeld gevolg: de Hanze verliet Brugge voor Dordrecht, en om haar kantoor terug te bekomen moest men het verbod intrekken. De Engelsche wol werd zoo zeldzaam in Vlaanderen dat men er toe over moest gaan, de minder in tel zijnde Spaansche te gebruiken. Weldra kwam de Engelsche wol hooger in prijs, dan de gefabriceerde Engelsche lakens. Een der hoofdsteden van de Vlaamsche draperie, die namelijk welke buiten dit eene geen noemenswaardige middelen van bestaan had, Yperen, verviel in den loop der 15{de} eeuw geheel en al. Het werd een stad van bouwvallen en bedelaars. De lakennijverheid trok zich op het platteland terug, waar de loonen lager en het ambacht vrijer waren, en waar men zich toelegde op het vervaardigen van een goedkoop artikel voor den minderen man. Daarnevens ontstond, mede hoofdzakelijk op het platteland, een belangrijke linnennijverheid. In de 16{de} eeuw is het Vlaamsche linnen een voornaam uitvoerartikel voor de Europeesche markt geworden. Eveneens begon de tapijtweverij tot grooten bloei te komen. Maar dit alles vergoedde het verlies van de oude hoofdindustrie toch niet geheel; ook deelde Vlaanderen de linnenfabricage met Holland, de tapijtweverij met Brabant.

Ook in den handel nam men opkomst waar naast verval, maar het verval was dat van de Vlaamsche, de opkomst die van een buiten-Vlaamsche haven. Brugge spreidde in den Bourgondischen tijd een ongekende weelde ten toon, maar zijn beteekenis in het handelsverkeer nam af. Niet op eenmaal echter; zelfs waren er betrekkingen, als die met Spanje en Portugal, die in den loop der 15{de} eeuw drukker onderhouden werden dan ooit te voren. Doch Brugge had zijn opkomst te danken aan den daar gepleegden ruilhandel tusschen Noord- en Zuid-Europa, en de Hanze, die er Noord-Europa vertegenwoordigde, werd in de 15{de} eeuw door de Hollanders en de Engelschen overvleugeld. En evenals de Hanze zelf, was Brugge in den handel aartsconservatief; de jongere natiën, door de verouderde handelsgebruiken afgeschrikt, verlieten de stad voor het concurreerende Antwerpen. Sedert 1407 hebben de _Merchant Adventurers_ daar een huis, in 1442 vestigen zij er zich in massa. Nog eenigen tijd houdt Brugge beteekenis door de daar gevestigde agenturen der groote Italiaansche geldkantoren, maar eindelijk komt de genadeslag: de hopelooze verzanding van het Zwin. In 1494 staan er vier, vijfduizend huizen leeg; in het begin der 16{de} eeuw reeds is het verval der stad bijna zoo groot als dat van Yperen.

Doch wat Nederland in Brugge verloor, vond het in Antwerpen met winst terug. Deze haven was spoedig na de opneming van Brabant in het middeleeuwsche wereldverkeer[8] van eenige beteekenis geworden: zij was vooreerst de locale uitvoerhaven van een eigen Brabantsch achterland, maar trok ook alras een gedeelte van den handelsstroom tot zich, die zich overland van Keulen naar Brugge richtte. De tyrannie, die Dordrecht met zijn stapel- en Maasrecht op de Hollandsche rivieren oefende, belette het wereldverkeer op den natuurlijken uitweg van Duitschland naar zee zich recht te ontwikkelen: de functiën van het oude Dorestat waren door het middeleeuwsche Holland slechts voor een klein deel overgenomen. Zoo lag dus Antwerpen buitengemeen gunstig voor het Duitsche verkeer. De Duitsche kolonie was er van den aanvang af zeer aanzienlijk. Na een tijdelijk verval onder de heerschappij van Lodewijk van Male, die Antwerpen opofferde aan Brugge, bloeide de stad onder de Bourgondiërs weder zeer snel op. Tegelijkertijd had in de gesteldheid der Zeeuwsche vaarwaters een verandering plaats, welke de Westerschelde tot dien uitnemenden weg naar zee maakte, die zij tot heden is gebleven[9]. En Antwerpen wist, door moderne inrichtingen, den handel te lokken, terwijl Brugge, waar het gansche bedrijf van privilegiën aan elkander hing, dien afstootte. Dáár moest alle koop en verkoop geschieden door tusschenkomst van Brugsche makelaars; Antwerpen daarentegen huldigt de vrijheid. Het makelaarsbedrijf is geheel vrij, het burgerrecht wordt met groot gemak verkregen, de vreemdelingen zijn niet onderworpen aan allerlei dwingende en ondoeltreffende bepalingen, de waren behoeven niet in een bepaalde hal te worden opgeslagen. Te Antwerpen wordt, in 1460, de eerste koopmansbeurs geopend. Eindelijk komen alle vreemdelingen van Brugge naar haar over. De stad groeit aan van 3440 haardsteden in 1435, tot 6801 in 1494 en 8785 in 1526. Haar bloei verzekert aan Oost-Vlaanderen, dat door de Schelde gemeenschap met haar heeft, nog altijd zeker aandeel aan het wereldverkeer: het Vlaamsche linnen en het koren van Vlaanderen, Artois en Henegouwen nemen hun weg naar Gent en vandaar op Antwerpen. West-Vlaanderen daarentegen wordt een achterhoek.

[8] Zie bl. 17.

[9] Vroeger was de directe weg onbruikbaar, en moesten de schepen Walcheren om.

Met Brussel en Antwerpen, de vorstelijke residentie en de handelsmetropool, is Brabant het hart van den wordenden staat. Door Antwerpen bepaaldelijk staat het Zuiden ook met het Noorden in verkeer, met de nieuwe wereld die voorbestemd was in het leven der gezamenlijke Nederlanden zulk een belangrijke en geheel eigenaardige rol te vervullen.

Het Noorden vormde in dezen tijd nog minder een eenheid dan het Zuiden. Eigenlijk waren er drie verschillende werelden in op te merken: een Hollandsche, een Geldersche, en een Friesch-Groningsche, in het verre Noordoosten. Verreweg de belangrijkste was de Hollandsche wereld, maar dit was niet altijd zoo geweest.

De Karolingische beschaving had hier haar zetel gehad meer landwaarts in, niet in de onherbergzame moerassen aan de zeekust. Te Utrecht, ongeveer in het midden der noordelijke Nederlanden, en in de onmiddellijke nabijheid van de grootste handelsplaats, werd de bisschopszetel gevestigd, en na de Noreninvallen op zijn ruïnen hersteld. Omstreeks het jaar 1000 was Utrecht, op bescheidener schaal, een brandpunt van beschaving als Luik. En haar diocees was de eenige die zuiver Dietsch was; bij gunstige omstandigheden had de stad een groot middelpunt voor het gansche Noorden kunnen blijven. Doch zij had zeer te lijden gehad van de nederlaag der Duitsch-koninklijke politiek, wier agent de bisschop van Utrecht in dit afgelegenst deel van het afgelegen Neder-Lotharingen was geweest. Het bisdom Utrecht als groote wereldlijke macht kon zich evenmin staande houden als die andere kunstmatige schepping: het hertogdom Neder-Lotharingen zelf. De feodaliteit won den strijd aan alle kanten. De bisschop verloor het gezag over den benedenloop der groote rivieren; hij werd een binnenlandsch potentaat, wiens landen niet eenmaal aan één stuk lagen. Van de territoriale machten in opkomst die Utrecht omringden, wist gaandeweg Holland, dat daartoe het gunstigst lag, zich den overwegenden invloed in het bisdom te verwerven. Althans in zijn voornaamste stuk, het Nedersticht. Het land over den IJsel werd een nagenoeg aan zichzelf overgelaten uithoek, waar kleine economische machten zich aanmerkelijke staatkundige zelfstandigheid wisten te verwerven, als de drie IJselsteden en vooral de stad Groningen. Het platteland bleef in die streken in ontwikkeling zeer ten achter. In Friesland eindelijk had de bisschoppelijke autoriteit weinig meer dan in naam bestaan. Dit gewest, waar zich noch een landsheerlijke macht, noch een politiek machtige stad ontwikkelde, vormde in het middeleeuwsche Noord-Nederland een wereld op zichzelf, ingeschrompeld overblijfsel van het vermaarde Friesland uit den Karolingischen tijd, dat in zijn werkelijke beteekenis veeleer in Holland, dan in het gewest Friesland der latere middeleeuwen voortleeft.

De Friesche volksstam, oudtijds niet verder dan tot den Rijnmond wonend, had zich, naarmate de Salische Franken zuidwaarts drongen, over de landen langs de zeekust sterk uitgebreid, tot aan het Zwin en zelfs nog daarover. De naam „Fresia” duidde in den vroeg-middeleeuwschen tijd een gebied aan van het Zwin tot de Wezer. Willebrord arbeidt zoowel op Walcheren als te Vlaardingen of Heiloo „onder de Friezen”: Utrecht ligt „op de grens der Friezen”. Zij zijn het zeevarende volk van den Karolingischen tijd. In en bezuiden Kennemerland hebben zij voorzeker de kuststreek niet geheel verlaten gevonden, maar er zich met een achtergebleven Frankische bevolking vermengd: de taal van Holland is Frisofrankisch. Geheel Holland als geschiedkundig verschijnsel is alleen uit deze menging te verklaren. Holland is een door zuidelijken invloed getemperd en beschaafd Friesland. In taal en ingevoerde instellingen overweegt het Frankisch karakter, maar de Hollandsche mentaliteit is grootendeels Friesch. Aan Hollanders en Friezen is gemeen de trek naar de zee, die bij de Salische Vlamingen nagenoeg geheel ontbreekt;—Hollanders en Friezen zijn gelijkelijk toegankelijk gebleken voor het Calvinisme, dat onder de Frankische Nederlanders nergens goed wortel heeft kunnen schieten.

Het Hollandsche gravenhuis komt uit Kennemerland, op de grens der zuivere en der gemengde Friezen. Van groote historische beteekenis nu is het feit, dat het aan dit huis, dat eenerzijds met zijn aanspraken weldra tot in hedendaagsch Friesland zou reiken, gelukt is zich tevens aan de Merwede en in Zeeland vast te zetten. Holland werd meester van de groote rivieren, en tevens van de brug naar Vlaanderen; over Zeeland bewester Schelde oefende het zelfs geruimen tijd met Vlaanderen condominium uit, zoodat de aanraking met dit meest beschaafde van alle Nederlanden een zeer levendige was. Het kan niet verwonderen dat een zoo gelegen en onder zulke invloeden zich ontwikkelende macht de beteekenis van Utrecht weldra geheel overtrof. Holland en Utrecht behooren, in de kern hunner historische verschijning, tot twee verschillende tijdperken: Utrecht tot dat van het overwicht van het Lotharingische, Holland tot dat van het overwicht van het Vlaamsche deel der Nederlanden. Utrechts beteekenis hangt samen met den Duitschen invloed in de vroege middeleeuwen; Holland daarentegen is het gewest dat, door bemiddeling van Vlaanderen, in de latere middeleeuwen Fransche beschavingselementen in het Noorden invoert en tot den voor het Noorden passenden vorm verwerkt. Deze functie van Holland komt voor het eerst duidelijk aan het licht in de dertiende eeuw, om zich gedurig scherper af te teekenen. Sedert de dertiende eeuw kan men zeggen dat er een Hollandsche bizonderheid bestaat, die niet alleen noch Duitsch noch Fransch, maar evenzeer noch Vlaamsch noch Friesch is. De Henegouwsche graven eerbiedigen dat bizonder karakter ten volle; zij hebben uitmuntende Hollanders weten te zijn. De Beiersche vorsten raken in Holland zeer spoedig ontduitscht, en geheel onder zuidelijken, Vlaamsch-Bourgondischen invloed. De taal van hun hof is Fransch, als die van het Henegouwsche dat zij opvolgen. Het is de dwaasheid zelve, om in den strijd van Jacoba tegen Philips den doodsstrijd van het „Duitsche” Holland tegen de Waalsche overheersching te zien, zooals von Löher gedaan heeft. Jacoba, dochter van een Bourgondische moeder en volslagen gefranciseerden vader (die in Parijs zijn _hôtel de Hollande_ had zoo goed als Jan zonder Vrees zijn _hôtel d'Artois_), weduwe van een dauphijn, vrouw van een Bourgondiër, is juist gelijk aan Philips van Bourgondië zelven, minus het talent, de sekse, en het politiek overwicht die hem in staat stelden een beter vorst van Holland te wezen dan zij ooit zou zijn geworden. Hoe weinig Waalsch de overheersching van Philips van Bourgondië was, hebben wij reeds bij Vlaanderen gezien. Ten opzichte der taal veranderde in 1428 eenvoudig niets hoegenaamd: Holland had sinds 1299 Franschsprekende vorsten gehad, zonder dat, bij deze zuiver Dietsche bevolking, de landstaal hierdoor ook maar eenigermate bedreigd was geworden. En wat het „Duitsche” Holland betreft: Holland was in 1428 sinds lang niet meer Duitsch. Zijn schrijf- en spreektaal hadden zich gevormd en waren ten opzichte van het Duitsch wat zij nu nog zijn: een verwante, doch andere taal. „Die seind all de partibus inferioribus Rheni und de Brabancia und Flemming, der deutsch wir nicht versten muegen,” heet het in een Bazelschen tekst van 1435. Van de geheele voorstelling, dat wij hier een stuk Fransch-Duitsche worsteling bijwonen, blijft al zeer weinig over.

Terwijl Holland zichzelf bleef, trad het toch in 1428 tot de Zuidelijke Nederlanden in een nog nauwer betrekking dan te voren. Zijn historische rol van beschaver van het Noorden begon nu eerst recht. De Bourgondische invloed uit zich, in het nog niet onderworpen Noorden, als een Hollandsche invloed. Aan gene zijde van de oostelijke grens van Nederland bevindt zich geen zoodanig aantrekkingspunt als Holland: de landen die, in een halven cirkel, van Geertruidenberg tot het Vlie, Holland omringen, komen noodzakelijk met Holland in veel nauwer aanraking dan met welk ander van de Nederlandsche hoofdgewesten ook. Deze aantrekkingskracht van Holland, reeds vóór 1428 duidelijk waar te nemen, werd natuurlijk slechts te grooter sedert Holland als de vertegenwoordiger van een zoo reusachtige macht als de Bourgondische verscheen.

Het minst door bevolking en ligging voorbeschikt om in Hollands kielzog te moeten varen was het hertogdom Gelderland. Het naderde veel meer tot het normale type van den Nederduitschen territorialen staat dan Holland ooit gedaan had. Tot in de veertiende eeuw, ja eigenlijk tot het uitsterven van het Guliksche huis, is Gelderland meer naar Brabant, Limburg, Gulik, Kleef, Berg georienteerd, dan naar Holland. In 1423 komt hierin verandering. Een werktuig der Bourgondische politiek wordt hertog, „en schijnt zijn regeering als een Hollandsch stadhouderschap op te vatten”[10]. Zijn zoon ontworstelt zich aan dezen invloed, die evenwel onvermijdelijk op den duur overwinnen moet, daar er geen tegenwicht van genoegzame zwaarte tegen de Bourgondische macht bestaat. Eerst de gevolgen van den vroegen dood van Karel den Stoute, daarna de steun van Frankrijk en de omstandigheid dat Karel V door ander werk een tijdlang overstelpt is, rekken het zelfstandig bestaan van Gelderland tot 1543, maar bij de eerste gelegenheid de beste dat Karel zijn volle kracht aan dit onderdeel van zijn historische taak besteden kan, is het met deze ten doode opgeschreven zelfstandigheid gedaan. Toch blijft Gelderland nog zeer merkbaar het meest Duitsche van de Noordnederlandsche gewesten. Het Hollandsch is er in de zestiende eeuw nog niet als schrijftaal in gebruik. De toetreding van het gewest tot de Unie van Utrecht werd niet dan met moeite verkregen.

[10] P. L. Muller in Gids 1885, Octobernummer („Middeleeuwsch Nederland”; het beste wat over deze aangelegenheden geschreven is).

Gemakkelijker dan Gelderland, vielen de noordoostelijke gewesten aan de Bourgondiërs ten deel. Hier vonden zij geen groote territoriale eenheden, als Gelderland er een was. De steden aan den IJsel hadden aan den bloei der Hanze deel gehad, en moesten, nu deze verviel, het economisch overwicht van Holland gevoelen, dat zich tot een machtig centrum van handel en scheepvaart opwerkte tegen de Hanze in. De merkwaardige oorlog van 1437 bezegelde den val der Hanze en maakte Holland tot de overwegende maritieme macht in de Noordzee. In Friesland was, bij ontstentenis van het orgaan dat elders de maatschappelijke ontwikkeling leidde, een hopelooze verwarring en verwildering ingetreden, die de Bourgondische macht aanleiding gaf er de oude Hollandsche aanspraken met kracht te doen gelden. Het op zich zelf staande Groningen was reeds door het Bourtanger moeras voorbeschikt het lot van Nederland, niet dat van Noordduitschland te deelen.

Als verreweg het belangrijkste Noordnederlandsche gewest leerden wij dus Holland kennen. Het vertoonde reeds veel van de karaktertrekken, die de tachtigjarige oorlog heeft verscherpt en die het toen in meerdere of mindere mate aan de gansche Unie heeft weten in te drukken. Wanneer wij in dit verband van Holland spreken, bedoelen wij steeds Holland, Zeeland en West-Friesland te zamen, die reeds vroeg zoo nauw vereenigd zijn geweest en het ook in den opstand te midden der grootste gevaren altijd zijn gebleven. Zij vormen eenigermate de mikrokosmos van Noordnederland, en nemen een zelfstandig aandeel in het cultuurleven van de gezamenlijke Bourgondische landen. Economisch vervullen zij een eigen rol, die van zeevaarders, en zijn dus een gewichtige aanvulling op het Zuiden dat geen zeevaart heeft. Ook in de geestelijke kultuur hebben zij een onmiskenbare eigen individualiteit, die, in de vijftiende evenzeer als in de zeventiende of in de negentiende eeuw, minder sterk tot uitdrukking komt in de letterkunde dan in de beeldende kunsten.

Wij schrijven daar een stelling neer, die, voor zoover het de vijftiende eeuw geldt, velen misschien paradoxaal zal lijken.

Toch is het alleen aan de betreurenswaardige zeldzaamheid van Hollandsche primitieven in de Hollandsche musea, en aan de daarmede samenhangende verwaarloozing onzer vroegste kunstgeschiedenis toe te schrijven, dat deze stelling ook voor de vijftiende eeuw niet sinds lang is erkend.

De Hollandsche schilderschool der vijftiende eeuw is minder aanzienlijk en van jonger oorsprong dan de Vlaamsche, zij is zelfs in haar oorsprong afhankelijk van de Vlaamsche. Het verschil tusschen de beide scholen is, zoo kort na beider ontstaan, natuurlijk voor den oppervlakkigen beschouwer gering. Doch dezelfde oppervlakkige beschouwer zal misschien zeer weinig verschil zien tusschen een oud-Keulsch, een oud-Fransch en een oud-Vlaamsch schilderij. Waar het op aankomt is niet, of het den ongeoefende even gemakkelijk valt te onderscheiden tusschen Geertgen tot St. Jans en Memling als tusschen Rembrandt en Rubens, maar of de verschillen, die het geoefend oog tusschen Geertgen en Memling opmerkt, al of niet mede zijn te verklaren als uitvloeisel van eenzelfde verschil in nationaliteit, als tusschen Rembrandt en Rubens bestaan heeft. Het verschil mag dan veel geringer zijn in graad, maar kan daarom met het latere toch overeenkomst hebben in wezen. Ware dit het geval, dan is daarmede voor de bepaling der onderlinge verhouding van Noord- tot Zuidnederlandsche nationaliteit een gewichtig vast punt gewonnen. De vrijheidsoorlog, die naar veler oordeel de Noordnederlandsche nationaliteit eerst heeft geschapen, zou dan eenvoudig een reeds vroeger bestaand verschil hebben verscherpt.

Ik geloof nu zeer zeker dat dit laatste het geval is geweest, en wil daarom het nog weinig behandeld punt van het onderscheid tusschen Vlaamsche en Hollandsche primitieven hier kortelings bespreken[11].

[11] Ik dank de bevestiging mijner eigen schroomvallig gevormde zienswijze in dezen aan de met uitnemende bereidwilligheid verstrekte voorlichting van mijn vriend Dr. Wilhelm Valentiner, die voornemens is het punt eerlang opzettelijk te behandelen.

Wij zeiden boven dat (Groot-)Nederland, als beschavingseenheid, zich in het Bourgondische tijdvak in onmiskenbare uitingen manifesteert. Geen van die uitingen is beroemder, dan de kunst van Huibert en Jan van Eyck.

Zelden is, boven het door een vorig geslacht bereikte, een beeldende kunst in één werk zoo hoog uitgeheven als in het Gentsche altaar. Hoe natuurlijk, dat men is gaan spreken van „het raadsel der van Eyck's”. Raadsel is het aandeel van elk der gebroeders aan het werk dat hun roem verbreidt, raadsel is de plotselinge verschijning hunner kunst zelve. Doch ook in deze raadselen, al zijn zij ver van opgelost, is wel eenig licht gaan schijnen. Hoe ver inderdaad zijn wij reeds gevorderd sedert den tijd, dat men als voorlooper der van Eyck's nog slechts den enkelen Broederlam wist te noemen. Broederlam is een kunstenaar uit Yperen, van wien eenig omstreeks 1390 voor Philips den Stoute uitgevoerd schilderwerk bewaard is te Dijon. Maar juist dit werk staat zeer ver van de kunst der van Eyck's af, en schijnt het raadsel grooter te maken in plaats van het op te lossen. Er zijn echter, indien men van schilderijen afziet, een vrij groot aantal werken die nader aan de van Eyck's staan, dan de luiken van Broederlam. De Vlaamsche kunst, die wij in het Gentsche altaar als op eenmaal ten troon zien stijgen, heeft inderdaad een lange ontwikkeling gehad.

De gansche 14{de} eeuw door hebben Zuidnederlanders een groot aandeel gehad in de kunstproductie van Noord-Europa, maar zij hebben meest gewerkt voor Fransche bestelling. De Fransche kunst zelf scheen in die eeuw op een dood punt geraakt. In de 13{de} eeuw daarentegen had zij heerlijk uitgeblonken. Gelijk in zooveel anders, was Frankrijk ook in de kunst in de 13{de} eeuw de eerste kultuurmacht van Europa. De zegetocht zijner gothiek is bekend, zijn verluchtingskunst stond op hoogeren trap dan die van elders, zijn sculptuur nog meer, met name die van Noord-Frankrijk, een land waar de bevolking veel Frankisch bloed, en met de Belgische veel aanraking heeft. De sculpturen van den dom te Reims zijn voor een deel van een zoo treffend realisme, dat men ze zou wanen gisteren gehouwen te zijn. Maar de beelden, die ons het meest op de komst van Sluter en de van Eyck's voorbereiden, zijn die van de Fransche koningen te St. Denis, uit het eerste begin der 14{de} eeuw. Wellicht de allerfraaiste van de tomben, welke die beroemde abdij uit deze periode bewaart, is werk van een Zuidnederlander, Jehan Pepin van Hoei, „imaigier” van de gravin van Artois; het stelt haar zoon, Robert het Kind, voor (±1330). Na dien tijd wemelt het van Zuidnederlandsche kunstenaars in Frankrijk. André Beauneveu van Valenciennes, Jean Hennequin van Luik, Jan Bandol van Brugge, zijn in dienst van koning Karel V; dezelfde Beauneveu, Jacquemart van Hesdin, Paul van Limburg in dienst van hertog Jan van Berry; de Brabander Henri Bellechose, en Melchior Broederlam van Yperen, in dienst van Philips den Stoute van Bourgondië. Onder deze kunstenaars zijn er, die meer als de wegbereiders der gebroeders van Eyck zijn te beschouwen dan Melchior Broederlam: wij bedoelen Beauneveu en Paul van Limburg. Beauneveu genoot reeds in zijn eigen land een zeer grooten roem, eer hij zich in Frankrijk vestigde. Hij was toen al beeldhouwer in dienst van Lodewijk van Male geweest. Zijn tomben van Philips VI, Jan den Goede en Karel V te St. Denis laten in de richting naar het realisme van Sluter en de van Eyck's al het voorafgegane ver achter zich. Nog duidelijker voorboden van de Vlaamsche kunst der 15{de} eeuw zijn de miniaturen van Paul van Limburg in de „Très riches heures” van den hertog van Berry (te Chantilly), waar op enkele bladen, als dat waarop het bezaaien van den akker is voorgesteld, het weergeven der ruimte, dat aan de middeleeuwsche kunst onbekend is, doch daarentegen naar algemeene toestemming een der zegepralen is van de kunst der 15{de} eeuw, zoo goed gelukt schijnt als nog nimmer te voren. Toch ligt er tusschen den zaaier van Paul van Limburg en het Gentsche altaar nog een groote afstand, op het midden waarvan wij eerst het werk van Sluter, en vervolgens de Turijnsche getijden aantreffen.

Sluter en zijn neef Claes van de Werve sluiten de rij der vreemde kunstenaars, die door Philips den Stoute naar zijn Bourgondische hoofdplaats Dijon zijn geroepen, waar hij, in het Karthuizerklooster van Champmol, een gedenkteeken wilde oprichten voor zich en zijn huis. In 1383 had de eerste-steenlegging van het gebouw plaats; het volgende jaar werd met de beeldhouwwerken begonnen, onder leiding van 's hertogs „imaigier”, Jean de Marville, ook een Zuidnederlander. Onder hem arbeidde Claes[12] Sluter, die in een der teksten voorkomt met den bijnaam „de Orlandes”. Onder Jean de Marville, die in 1389 stierf, schijnt men zich hoofdzakelijk te hebben bepaald tot den aankoop van materiaal; de roem der vinding en uitvoering van de kunstwerken die vervolgens ontstonden wordt in de bescheiden uitsluitend aan Sluter gegeven, die in 1389 de leiding van het geheel verkreeg. In 1393 was het portaal der kerk gereed. Daarvan bestaan nog de beelden van den hertog en zijn gemalin, een Heilige Maagd, een Sint Jan en een Sinte Catharina. Maar boven alles stelden de tijdgenooten den grooten Calvariënberg, waaraan Sluter van 1392 tot 1405 gearbeid heeft, en waarvan alleen het voetstuk, op een in een put gefundeerde zuil rustend, is overgebleven. De groep die door het voetstuk werd gedragen: een Christus aan het kruis tusschen de Maagd, Sint Jan en Magdalena, is in den tijd van vrijheid, gelijkheid en broederschap vernield. De spraakmakende gemeente noemde het geheel den Mozesput, naar een der figuren van het voetstuk, dat, vijf meters hoog, zich boven den rand der put verheft, en waarin zes vlakke nissen zijn uitgehouwen, waartegen de levensgroote beelden van Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Zacharia en Daniël zijn aangebracht. Gevleugelde engelenbeelden in voorover gebogen houding, wier voeten op de kapiteelen der kolommen rusten welke de zes nissen vaneenscheiden, dragen een vooruitspringenden bovenrand, die eenmaal glooiend opliep tot een heuvel, waaruit het kruis rees. Het geheel moet, te oordeelen naar het gedeelte dat bewaard is, even gelukkig van vorm geweest zijn als vernuftig van vinding. De zes profetenbeelden zijn niet minder dan een mijlpaal in de geschiedenis der Noord-Europeesche kunst. Zij zijn als de hoogste ontwikkeling der middeleeuwsche sculptuur te beschouwen, en reiken tegelijk reeds in den nieuwen tijd. De taal der vormen, zooals die in de houding der figuren, in de behandeling van het gewaad, in het bijwerk spreekt, is nog gothisch, maar in de overweldigende realiteit der koppen, (der handen ook!) komt de kracht eener voor driekwart zelfstandig geworden kunstenaarsindividualiteit tot uiting. Zeker even hoog staan de beelden van het kerkportaal, waaronder de stichtersfiguur en de grijsaard, die Sint Jan voorstelt, uitmunten. Al deze beelden moeten niet slechts ontworpen, maar ook uitgevoerd zijn door Sluters eigen hand; van de tombe echter van Philips den Stoute, lang te voren begonnen maar eerst in 1412 voltooid, schijnt de detailuitvoering aan Claes van de Werve te zijn overgelaten. Ook bij dit beeld treft het traditioneele in de behandeling van het gewaad, het individueele in die van hoofd en handen.

[12] Of men van Claes of van Klaus Sluter moet spreken, hangt af van het antwoord op de m. i. nog open vraag, of men in hem een Noordnederlander of een Rijnduitscher te zien heeft, waarover nader.

Is Sluter een Hollander geweest? De bijvoeging „de Orlandes”, voorkomende in de acte waarbij het kapittel van de St. Stevensabdij te Dijon hem in 1404 zekere voorrechten verleent, wordt gemeenlijk niet anders verklaard. Een van de verdere gronden die Busken Huet tot staving van Sluters Hollanderschap meent te kunnen aanvoeren[13], heeft dunkt mij al zeer weinig vastheid. In een Hollandsche grafelijkheidsrekening van 1396, waarin Heer Garbrand van der Coulster, proost van Bergen in Henegouwen, en Jorghel mijns heeren kamerling, verantwoording doen „van tgeen sij ontfaen hebben van mijnen lieven Heere van Hollant, toter reyze behoef van Oistvrieslant,” wordt een som vermeld als „ghegeven Dirc die Sluter, om al rande provanci mede te copen van bussen, van crude, van steen, van schutte...., des men behoeven soude in die grote scepe, die in de Lauwers varen souden.” Huet nu trekt hieruit het gevolg „dat er in Holland of Zeeland in de tweede helft der 14{de} eeuw eene slotemakers-familie geleefd heeft, tevens geschutgieters, en dat Sluter de beeldhouwer een lid van dat geslacht geweest is, oudere of jongere broeder van een Dirc. Een Dirc die sloten maakte, kon ook kanonnen vervaardigen.... Klaus zou dan als jongeling in de vaderlijke werkplaats al de leermiddelen aangetroffen hebben, noodig voor de vorming van iemand met beeldhouwersgenie.” Deze gissing noemt hij „gerechtvaardigd in zoover wij ons nauwelijks kunnen denken, dat zelfs een geboren kunstenaar in de tweede helft van zijn leven iets volmaakts zou leveren, zoo hij niet in de eerste, gedurende zeker aantal leerjaren, zich gevormd had in eene goede school.” De rekeningspost, het eenige waarvan men kan uitgaan, kan echter het gestel van Huet's redeneering niet dragen. Waar staat dat de som aan Dirc wordt ter hand gesteld om van hem gekochte bussen enz. daarmede te betalen? Er staat duidelijk dat de som hem gegeven is om er bussen voor te koopen. Dirc is niet de fabrikant, maar de opkooper van het verlangde oorlogstuig.

[13] Land van Rembrand, I, 496.

Een tweede bewijs dat Sluter „in de provincie Holland of de provincie Zeeland, of op de grens tusschen de eene en de andere” tehuis hoort, ziet Huet in den naam van zijn neef, dien hij verklaart Claes van Voorne te hebben geheeten. Voor zoover ik weet is niemand dan Huet op het denkbeeld gekomen, de lezing van den tekst der rekeningen, waaruit wij den naam alleen kennen, zóó te verklaren. De gedrukte tekst van deze rekeningen, zooals die voorkomt bij de Saint-Mémin[14], geeft afwisselend deze lezingen: Claes Vandeverbe, de Werne, de Wrne, de Vuenre. „Hiermede wordt Voorne bedoeld”, verklaart Huet kort en krachtig. Hoe kan de klank „van Voorne” ooit door een Franschman wedergegeven worden met „Vandeverbe”? Ieder die het schrift van den tijd, en tevens de willekeur kent waarmede de transcriptie van middeleeuwsche teksten omstreeks 1847 gemeenlijk nog plaats had, zal niet twijfelen of de gedrukte _b_, _n_, _n_ van de drie eerste boven aangehaalde vormen staan voor geschreven _u_'s (het teeken voor _v_), terwijl _Vu_ in „Vuenre” voor geschreven _uu_ (teeken voor _w_), en _nr_ in hetzelfde woord voor geschreven _ru_ staan. Zoo er uit de boven uitgeschreven lezingen een Nederlandsche geslachts- of persoonsnaam moet worden opgemaakt, kan deze niet anders luiden dan van de Werve, onmogelijk van Voorne. Huet's tweede bewijs is even waardeloos als het eerste.

[14] Mémores de la Commission des Antiquités du département de la Côte d'Or, II, 7 vv. (1847).

Er blijft dus over, dat Sluter in een te zijnen voordeele opgemaakt bewijsstuk, niet in een meer of minder terloops geschreven rekeningspost dus, uitdrukkelijk „Sluter de Orlandes” wordt genoemd. Zoo onder dit woord niet Holland moet worden verstaan, wat dan? Vrij algemeen werd de plaats dan ook reeds als een bewijs voor Sluters Noordnederlandsche herkomst aanvaard, toen in 1890 een nieuw gewichtig document deze meening kwam versterken: het teruggevonden grafschrift van den neef. „Cy gist Claus de Werve de Hatheim, au comté de Hollande, tailleur d'imaiges et varlet de chambre de monseigneur le duc de Bourgogne, qui trespassat le jeudi VIII{e} jour d'octobre MCCCCXXXIX”[15]. Gansch Holland is geen Hattem rijk, maar wel Hollands buurland, Gelder. Een merkwaardig voorbeeld dus, hoe reeds in de 15{de} eeuw Holland in het spraakgebruik buitenaf voor Noord-Nederland werd genomen. Doch de vondst van 1890 is nog geen voldingend bewijs. Ook een niet-Nederlander kan een Nederlandschen neef hebben.

[15] Gazette des Beaux Arts, 1890, p. 359.—Pirenne (II, 428) noemt Sluter een Zeeuw; op welken grond weet ik niet, maar zoo hij aan Huet's Claes van Voorne gedacht heeft, is de grond onvoldoende.

In 1899 bracht Henri Stein een tekst aan den dag, waaruit blijkt dat te Bourges in 1385, in den dienst van hertog Jan van Berry, een bouwmeester „Claus de Sleseurre, dit de Mayence” werkzaam was en stierf[16]; iemand die blijkbaar vereenzelvigd moet worden met een in andere teksten meermalen genoemden „Claux de Mayence.” Stein wil in dezen bouwmeester den vader van den beroemden beeldhouwer zien[17].

[16] Bibliothèque de l'Ecole des Chartes, LX, 86.

[17] Wiens naam in de rekeningen voorkomt als Slustre, Celustre, Celeustre, Celoistre, Celestre, Celeute, en de Selustre. Te Dijon heeft men dus de klanken Sluter en Sluiter, niet Schlözer gehoord.

Vragen wij diens werk zelf om antwoord, dan treft zeer sterk en zeer onmiddellijk het Germaansch, niet zoo sterk of onmiddellijk een Nederlandsch karakter. Wel is er groote verwantschap met sommige verschijnselen in de Noordnederlandsche kunst van de tweede helft der 15{de} eeuw. Dezelfde neiging tot bijna-karikatuurachtige realiteit komt in de prentkunst uit van den „meester van Zwolle,” en in de beulsknechten van Geertgen tot St. Jans. Doch het komt er op aan, de verwantschap te bepalen van Sluter tot vóór hem geschapen werk. Nergens is een zoo groote hoeveelheid sculptuur aangewezen, die overeenkomst heeft met de zijne, en tegelijk van ouderen datum dan de zijne is, als in den dom te Mainz[18]. Hier staat tegenover, dat vier zeer fraaie en zeer Sluteriaansche beeldjes, te Utrecht gevonden, geacht worden eenige bewijskracht ten voordeele van Noord-Nederland te hebben. Men schijnt veilig dit te mogen zeggen, dat de Noordnederlandsche sculptuur der 14{de} eeuw met die van den Rijn enger samenhangt dan met de Vlaamsche; en dat niet onwaarschijnlijk de aanzienlijkste in Noord-Nederland aangetroffen beeldhouwwerken uit dien tijd door meesters van den Rijn vervaardigd zijn. Het is zeer wel mogelijk, maar allerminst ~bewezen~, dat een Mainzer Schlüter of Schlözer langen tijd in Noord-Nederland heeft gewerkt, er gehuwd is en familiebetrekkingen heeft aangegaan, en er een zoon gewonnen heeft, die later, al of niet in gezelschap van zijn vader, naar Frankrijk is gekomen. Wat geen bewijs meer behoeft, is dat Sluter te Dijon de stichter is geworden eener Bourgondische kunstschool, die op de Fransche sculptuur der 15{de} eeuw een even grooten invloed heeft gehad als op de Fransche schilderkunst van die eeuw het werk der groote Vlamingen.

[18] Pit, La Sculpture hollandaise au Musée national d'Amsterdam (Amsterdam 1902).

Doch er is, vóór het Gentsche altaar, door ontwijfelbaar Nederlandsche handen een ander werk geschapen, dat de geboorte eener nieuwe kunst nog meer onmiddellijk aankondigt, dan Sluters nog half gothisch beeldhouwwerk dit doet. Het is een stuk miniatuurkunst: de Getijden van Turijn.

Jammerlijker ongeluk kon de jonge studie van de oorsprongen der Nederlandsche kunst niet treffen, dan de bibliotheekbrand, die onlangs dit heerlijk kunstwerk zoo onherstelbaar geschonden heeft. Men kan van de bladen, die algemeen met de kunst der van Eyck's werden in verband gebracht, ja waarvan gedurig meer en gedurig bewuster geoordeeld werd dat zij aan Huibert van Eyck zelven moesten worden toegeschreven, thans nog slechts zich de reproductiën laten voorleggen. Is de toeschrijving aan Huibert juist, dan heeft niet slechts Jan van Eyck, maar ook zijn oudere broeder een tijdlang met het Beiersche hof in betrekking gestaan, en zich in den Haag opgehouden. Blijkens de aanwijzingen van wapens en banieren is het geen ander dan onze graaf Willem VI, die op het wellicht fraaiste blad van alle in krijgsrusting en met riddergevolg is afgebeeld, gelijk hij, aan het Hollandsch duin geland, uit Engeland terugkeert; een stoet die in houding der personen en rossen, in voorstelling van de beweging eener naderende ruiterschaar, in kleuren en in detailteekening, als de voorproef verschijnt van het luik met de ridders te Berlijn. Doch al wezen onmiskenbare teekenen onzen Willem VI niet aan, geen oogenblik zou men kunnen twijfelen waar het zeestrand te zoeken is, dat de stoet zooeven verlaten heeft, waar het duinlandschap, dat zich achter hem ontrolt. Het terugwijken van den achtergrond is hier reeds veel beter uitgedrukt dan in de getijden van Chantilly zelve; ook een ander blad uit de Turijnsche getijden, een zee voorstellende, is onvolprezen in het teruggeven der ruimte, en in de kunst, om de voorgestelde stof, het water in beweging, realistisch af te beelden. De middeleeuwen konden een dergelijk natuurmotief nog niet anders dan symbolisch behandelen: een golvende lijn zou de illusie hebben moeten opwekken, dat men zich tegenover de zee bevond[19].

[19] Nog zijn merkwaardig „het Landschap met den Kerktoren” en „het Straatje”, afgebeeld bij Johanna de Jongh, Het Hollandsche Landschap in Ontstaan en Wording (den Haag 1903).

Met het Gentsche altaar vervolgens is de Nederlandsche kunst als zelfstandige beschavingsuiting als geconstitueerd te beschouwen. Een groote technische overwinning werd tegelijkertijd door de van Eyck's behaald: de kunst van het mengen der kleuren in olie, vóór hen bekend maar slechts bij uitzondering en zonder gelukkig gevolg toegepast, werd door hen zoozeer verbeterd dat zij dit procédé tot regel konden verheffen. De kleuren kregen hierdoor een gloed, die aan de schilderijen in temperverf geheel ontbreekt. Op de wereld hunner tijdgenooten heeft de kunst der van Eyck's een diepen indruk gemaakt; zij werd ook hierdoor van zoo nationale beteekenis, dat zij, hoezeer in Jan van Eyck nog hoofsch van karakter blijvend, echter niet meer in den vreemde om brood liep, maar zich localiseerde, en Gent en Brugge tot hoofdsteden ook der artistieke productie verhief. Zoo ontstonden eerst in waarheid een school en een stijl: het hoogst bereikte werd telkens uit de handen der meesters zelven aan een jonger geslacht, dat zich ter oefening en navolging om hen schaarde, overgeleverd. De kunstenaar, die in een vroegere periode als aan de persoon van één bepaalden vorst gebonden verscheen, wordt na Jan van Eyck een zelfstandige burgerlijke figuur.

Steken de van Eyck's boven allen uit, het is er verre van, dat zij den eenigen roem zouden uitmaken der Vlaamsche schilderkunst in de 15{de} eeuw. Onafhankelijk van hen heeft zich de Doorniker Roger de la Pasture gevormd, die zich sedert 1436 te Brussel de positie van stadsschilder verwierf, en er zijn naam verdietscht zag tot Rogier van der Weyden. Nog anderen hooren in het Walenland thuis: Marmion van Valenciennes, en de „meester van Flémalle” (Jacques Daret van Doornik?). Een Brabander van geboorte is Petrus Cristus; een Gentenaar Huge van der Goes; van bij Mainz weg komt Hans Memling. Bij groote overeenkomst, merkt men in de kunst van deze onderscheiden meesters ook ettelijke verschillen op, gevolg van verschil in talent, in tijd, in temperament, ook zeker van verschil in gewest van herkomst. In geen enkel land en bij geen enkele school ontbreken dergelijke verschillen; zij beletten niet de overeenkomst te erkennen, die recht geeft hen tot ééne groep te brengen. Hoe echter is het nu met de deelneming van Holland aan de kunstvoortbrenging der 16{de} eeuw gelegen?

Vier groote meesters zijn uit Holland geboortig: Albert van Ouwater, uit de plaats waarnaar hij is benoemd; Dirc Bouts, uit Haarlem, Gerard David wederom uit Oudewater, Geertgen tot Sint Jans wederom uit Haarlem. Aan den eerste wordt met volle zekerheid slechts één werk toegeschreven: de opwekking van Lazarus te Berlijn. Het stuk blijkt bij den eersten oogopslag van een meester te zijn, die middellijk of onmiddellijk den invloed van Jan van Eyck heeft ondergaan, en wijkt, oppervlakkig beschouwd, van het gemiddeld-Vlaamsche nog niet genoeg af, dan dat dit werk alleen licht aanleiding zou hebben gegeven om van het bestaan eener Hollandsche school in de 15{de} eeuw te spreken. Brengt men echter het stuk met die der drie overige Hollanders in verband, dan bespeurt men duidelijk den eersten aanzet tot iets zeer bizonders, dat tot het innerlijkste wezen der Hollandsche kunst behoort, gelijk dit zich in later eeuwen geuit heeft.

In de Vlaamsche kunst overweegt het plastische; de actie;—in de Hollandsche het schilderachtige en passieve. De Vlaming zoekt de type te benaderen, de Hollander geeft, zoo ruw of zoo fijn als het zijn mag, het individueele. Bij den Vlaming der 15{de} eeuw, die nog onder den invloed der sculptuur staat[20], staan de figuren nog in eenzelfde plat vlak, als in een fries; Ouwater stelt ze in een halven cirkel op, naar de diepte toe. De Vlaming zou licht den Christus in het midden der voorstelling hebben geplaatst, om deze zooveel mogelijk monumentaal te doen werken; bij Ouwater staat hij ter zijde. De figuren zien niet eenmaal alle naar de plaats waar het lichaam van Lazarus zichtbaar wordt, noch uiten zij hun aandoening in levendige gebaren; en toch is de beschouwer geen oogenblik in twijfel, of zij allen zijn, ieder voor zich, met niets anders dan met het wonder dat zij bijwonen, vervuld. Het wezenlijk voorgestelde is niet de opwekking als actieve gebeurtenis, maar de naar binnen werkende kracht van het wonder op de individuen die het aanschouwen. De Christus is eigenlijk de eenige die naar Lazarus toegewend is[21], en nauwelijks in de houding van een thaumaturg, maar daarentegen met een uitdrukking van zoo rustige verzekerdheid in het gelaat, als slechts uit het binnenste eener persoonlijkheid voortkomt. De opstelling der figuren naar de diepte toe noodzaakt daarbij tot een mate van eenheid van ruimte en licht, die in de gelijktijdige Vlaamsche kunst nog te nauwernood is bereikt.

[20] Het duidelijkst Rogier en de meester van Flémalle (enge verwantschap met de Doorniksche beeldhouwkunst).

[21] Zelfs hij niet geheel. Hij blikt althans niet recht op Lazarus aan.

Heeft Ouwater te Haarlem gewerkt, Dirc Bouts is vroeg naar Leuven getrokken. Er zijn geen werken van hem bekend, die nog te Haarlem _moeten_ gemaakt zijn. Echter doet ook hij ten duidelijkste den Hollander uitkomen in zijn phlegma, scherp onderscheiden als het is van den Vlaamschen hartstocht; in zijn rustige compositie, waarbij de nadruk gelegd wordt op de horizontale en vertikale lijnen, in tegenstelling tot de diagonaal als hoofdrichtingslijn bij de Vlamingen, die van zooveel levendiger, dramatischer werking is; in zijn ruimteontwikkeling en grooter isoleering der enkele figuren in de ruimte; in zijn landschap niet het minst, dat bij hem veel zelfstandiger behandeld is als bij de Vlamingen.

Maar de hoofdmeester der Hollandsche school is Ouwaters leerling, Geertgen tot Sint-Jans. Van hem noemt van Mander een groot altaarstuk, dat hij voor de heeren van St. Jan te Haarlem geschilderd heeft, en waarvan zich twee vleugels, een Nood Gods en een Verbranding van het gebeente van Johannes den Dooper, thans te Weenen bevinden. Van deze werken uitgaande, heeft men een aantal andere stukken als van zijn hand erkend, waaronder de Aanbidding der Koningen te Praag, de Johannes de Dooper te Berlijn, de Aanbidding van het Kind aldaar (verzameling-von Kaufmann), de Heilige Familie te Amsterdam en de Passievoorstelling te Utrecht de merkwaardigste zijn.

Geertgen is niet slechts de sterkste persoonlijkheid der Hollandsche school van de 15{de} eeuw, maar van de gansche Hollandsche schilderkunst vóór Rembrandt. Indien men zich rekenschap geeft van de uitgebreidheid der schaal van menschelijke aandoeningen, die alleen reeds in de genoemde werken door hem zijn doorleefd en tot een nu eens aangrijpende, dan eens beminnelijke, dan weer naieve, steeds ongemeene uitdrukking zijn gebracht;—indien men nagaat welke beloften er in zijn werk liggen opgesloten, hoeveel Hollandsche bizonderheden der 17{de} eeuw reeds in beginsel bij hem voorkomen, en men bedenkt dan dat deze man gestorven is in den leeftijd van negen-en-twintig jaar, dan blijft in het gemoed slechts bewondering en liefdevolle dankbaarheid over voor dit groot en oer-Hollandsch genie. De uitdrukking van de smart der Moeder op Geertgens Nood Gods behoort tot het aangrijpendste dat ooit in penseel is bereikt; en te aangrijpender is deze smart, naarmate zij zich minder in gebaren uit. De moeder kust het lijk niet, zij houdt het niet omstrengeld; zij staart het met gevouwen handen aan. De enkele gebaren die in anderen zijn aangegeven, dat waarmede de in de knie gezonken Jozef van Arimathea den rand van zijn hoed omvat, dat waarmede Johannes zijn in den mantel gewikkelde hand naar het oog brengt, zijn juist in hun soberheid van een onbeschrijfelijke kracht, en brengen het gebaar van Saul te binnen in Rembrandt's meesterwerk, op welks bezit het Mauritshuis prat gaat. In het kleine paneel te Berlijn, dat ons den Dooper voorstelt in eenzaamheid nederzittend, ligt een onpeilbare diepte: het omsluit binnen zijn weinige vierkante duimen de beide werelden van mensch en natuur. De strakheid van het voorovergebogen, op de rechterhand neergezonken gelaat, de gesloten linkerhand, de over elkander geschoven voeten, het heele zoo diep het kon ineengedoken lichaam drukken den in zichzelf verloren zoeker uit, en rondom groent, onaandoenlijk, de gansche rijkdom der geschapen natuur. Gelaat, handen en geopende mond der Moeder op de Nativiteit bij von Kaufmann hebben dezelfde kracht van uitdrukking. Het Utrechtsche passiestuk eindelijk gaat in driestheid alles te boven. Opzettelijk zijn hier de figuren buiten de natuurlijke ruimte gehouden; men ziet niet waar zij staan of het kunnen doen. Niets dan het Lijden zelf, zooals het uit alle wonden leekt, en de weerspiegeling er van in Johannes' tranen en Maria's gebeden.

En dezelfde kunstenaar, die de uiterste concentratie weet voor te stellen in zijn Berlijnschen Dooper, heeft een rijkdom van bijwerk dat de gansche verscheidenheid der latere Hollandsche school reeds voorspelt. Men vindt het genre bij hem: de vuuraanmakende beulsknechten te Weenen, de hondjes op de Verbranding en op den Nood Gods, de ruilebuitende kinderen op het stuk te Amsterdam. Het portret: twee gansche regentenstukken, en reeds van een meesterlijke ordonnantie, zijn midden in de Verbranding ingelascht (de Sint Jans ridders, in hun plechtig zwart), en vertegenwoordigen in dit stuk van actie het element der rust. Het architectuurstuk: de Amsterdamsche Heilige Familie is feitelijk het met figuren gesierd portret eener Hollandsche kerk, en de lichtwerking is er verwonderlijk fijn en juist in. Het clair obscur: terwijl de afgenomen hoed en de knie van Jozef van Arimathea op den Nood Gods sterk verlicht zijn, is het bovenlijf in het donker gehuld; een verlichting die zich van de Vlaamsche onderscheidt, doordat zij het licht als stijlmiddel gebruikt en op een bepaald punt te zamen trekt. Het nachtstuk: de Nativiteit bij von Kaufmann is de eerste die werkelijk in den nacht is voorgesteld; het licht straalt van het kindeke als bron uit; een volstrekt nieuwe vinding, nagevolgd in onderscheiden scholen, als bij Correggio en Rembrandt. Het landschap: dat rondom den Dooper is zeker het zelfstandigste en zuiverst waargenomene, dat in de 15{de} eeuw geschilderd is.—Bij zijn leermeester Ouwater staat Geertgen slechts achter in zuiverheid van koloriet; in al het andere overtreft hij hem.

Ook Gerard David is te Haarlem in de leer geweest. Van de stukken die men van hem bezit zijn een zeker aantal nog daar ontstaan. In toepassing van het clair obscur, in behandeling van het landschap toont hij duidelijk de sporen van Geertgens invloed. Maar hij is niet, als zijn groote tijdgenoot, de representatieve Hollander der 15{de} eeuw. Hij is naar Brugge gegaan, en heeft er zijn Hollandsche eigenaardigheden wel niet verloren, maar onder invloed van Memling, en later van Matsijs, sterk gewijzigd. In hem, den laatsten grooten Nederlandschen quattrocentist, verbindt zich Hollandsche met Vlaamsche ontwikkeling tot een nieuw en zeer bizonder geheel[22].

[22] Alles wat tot dusver over Gerard David geschreven werd, is thans verduisterd door het schitterend boek van von Bodenhausen, Gerard David und seine Schule (München 1905).

De Hollandsche kunstenaar heeft, meer dan de Vlaming, oog voor het leven in rust. Zich niet zoozeer uitputtend in actie en wil, houdt hij meer frischheid over voor de waarneming van het zieleleven.

* * * * *

Wij hebben ons lang bij de Hollandsche primitieven opgehouden, doch niet langer dan zij verdienen. Zie ik wel, dan is het voorkomen van zóó diepgaand verschil bij zoo onloochenbare verwantschap, als tusschen de Vlaamsche kunst der 15{de} eeuw en de Hollandsche bestaat, een verschijnsel dat onze hoogste opmerkzaamheid tot zich moet trekken. Wij leerden een Holland kennen dat, van de Vlaamsche kultuur nog in veel opzichten afhankelijk, deze toch geheel zelfstandig verwerkt en tot iets eigens omschept. Een eng verband met het Zuiden, geen gelijkheid.

Zoo is in de zestiende eeuw de verhouding gebleven, aanvankelijk veel minder duidelijk echter, daar Vlaamsche en Noordnederlandsche kultuur gelijkelijk onder het Italianisme als bedolven raakten. Eerst in de verwerking van het ingezogene toont zich weder het verschil; reeds vóór den tachtigjarigen oorlog! Niemand die de Hollandsche renaissance met de Vlaamsche ooit verwisselen zal; niemand toch ook die hun engen samenhang zal loochenen. Verschil bij verwantschap schijnt wel de ware formule om de verhouding van Holland tot Vlaanderen op onderscheiden levensgebied te vatten.

Ingewikkeld blijft het vraagstuk zeker, want niet in alles is het onderscheid even groot als in de beeldende kunst. Geringer is het in de letteren, geringer in de muziek, geringer in de wetenschap. In de letteren blijft het Zuiden nog in de zestiende eeuw ten eenenmale overwegend, nog meer zoo mogelijk in de muziek. In de wetenschap schijnt het Noorden niet zoozeer qualitatief, als quantitatief de mindere. Doch eer wij van dit onderwerp der geestelijke beschaving afstappen, moeten wij nog een woord zeggen over een onderdeel daarvan dat, evenzeer als de beeldende kunst, de kern der Noordnederlandsche persoonlijkheid blootlegt: het godsdienstig leven.

Aan de groote mystieke beweging, die op de grens staat van middeleeuwen en nieuwen tijd, hebben de Nederlanden een zeer groot aandeel genomen. Dezelfde 14{de} en 15{de} eeuw die getuige waren van een zoo schrikbarend zedenverval en van een toenemende verwereldlijking en verwildering der Kerk, hebben het geloof zelf in den boezem van het individu nieuwe en onsterfelijke zegepralen zien behalen. Ook in deze beweging is het Zuiden voorgegaan, en heeft het Noorden zelfstandig verwerkt. Geert de Groote heeft aan Ruysbroeck's voeten gezeten, maar hij is een ander geworden dan de Noordnederlandsche Ruysbroeck. Het denkbeeld, de ondeugd in de onkunde te bestrijden, was Noordnederlandsch, Noordnederlandsch de toepassing van dit beginsel in de broederschap des gemeenen levens. Aan de innigheid van het geloofsleven deed dit streven zoo weinig afbreuk, dat uit de Zwolsche omgeving de _Imitatio Christi_ is voortgekomen; tot de verlevendiging der studiën heeft het zoozeer bijgedragen, dat Erasmus zelf, hoezeer hij later (en, van zijn nieuw beklommen hoogte, terecht) op het Noordnederlandsche klooster gesmaald moge hebben, niet denkbaar is zonder zijn in die nationale school genoten opleiding.

Met Erasmus komen wij, van verschil, weder op verbinding terecht. Het Noordnederlandsche dorperskind, oud-voedsterling van een Noordnederlandsch klooster, is tevens de stichter van het _Collegium trilingue_, den roem der Leuvensche hoogeschool. In de wetenschap der zestiende eeuw, universeel van strekking als zij was, gaan Noord en Zuid hand aan hand. Naast die van Busleyden, van Mercator, Ortelius, Dodonaeus en Vesalius, bewaart de geschiedenis de namen van Paludanus, van Dorpius, van Jemme den Fries.

* * * * *

Een volk dat aan Europa de Antwerpsche beurs en de Hollandsche scheepvaart ten gebruike stelde, en dat daarbij aan den ingang der nieuwe geschiedenis de van Eyck's en Thomas a Kempis, dat een eeuw later Erasmus had voortgebracht, kon gezegd worden zijn plaats onder de zon verdiend te hebben. Evenwel stond zijn staatkundige organisatie nog niet op de hoogte van zijn stoffelijke en geestelijke beschaving. Er bestond hier een volk, eer er een staat was.

De Bourgondiërs waren op weg dien te maken, maar 1477 bracht een groote terugslag. En, op een dochter na, was het huis uitgestorven, dat in korten tijd hier zooveel had bereikt. Een noodlottige omstandigheid voor de Nederlanden. Maximiliaan herstelde hier wel de orde, maar zijn huwelijk met Maria bracht noodzakelijkerwijs voor de Nederlandsche wereld het gevaar met zich van al te enge verbinding aan buiten-Nederlandsche belangen. Het was de staatkunde der Habsburgsche huismacht, die Philips den Schoone een Spaansche prinses, zijn zuster Margaretha een Spaanschen prins huwen deed. De gemaal van Margaretha overleed kort na het huwelijk; eveneens overleed het eenig kind van de zuster der gemalin van Philips den Schoone (20 Juli 1500). Zoo werd Philips' zoon koning van Spanje; tevens volgde hij zijn grootvader op in het keizerschap.

Aan een zoo machtig monarch te behooren, heeft de Nederlanden kwaad en goed gedaan. Hun economische belangen hadden in Karel's Europeesche macht een sterken steun. Het leenverband van Vlaanderen en Artois werd losgemaakt; de verhouding tot het Rijk zeer in het voordeel der Nederlandsche zelfstandigheid geregeld. Maar de vorst kon tegen de Nederlanden optreden met een macht, die hij niet aan de Nederlanden had ontleend. Zijn persoonlijke welgezindheid was de eenige waarborg voor de handhaving der Nederlandsche belangen. Het was voldoende dat op een Nederlandschen vader een in Spanje opgevoede zoon volgde, om moeilijkheden te zien ontstaan waaruit het geweld alleen den uitweg heeft gevonden.

Onder Karel V heeft Nederland het geluk gehad, door twee hoogbegaafde vorstinnen te worden geregeerd; door Karel's moei en vervolgens door Karel's zuster. Deze omstandigheid waarborgde de continuiteit en het nationaal karakter der regeering: Margaretha van Oostenrijk zoowel als Maria van Hongarije waren van opvoeding Nederlandsche prinsessen. Persoonlijk heeft Karel zich in 1531, 1540, 1543 en 1549 met de Nederlandsche zaken sterk bemoeid. In 1531 kwam onder zijn persoonlijke deelneming de bestuursorganisatie tot stand, die zich in België gehandhaafd heeft tot de Fransche omwenteling toe, en tevens de oorsprong is geweest van een goed deel der instellingen van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Als organen der centrale regeering treft men sedert den Landvoogd of de Landvoogdes aan, den Raad van State als adviseerend, den Geheimen Raad en den Raad van Financiën als besturende lichamen; tevens werden de instructiën van den Grooten Raad van Mechelen en van de provinciale hoven herzien, en kwam er een vaste orde tot stand in de samenvoeging van bepaalde provinciën tot stadhouderschappen; de stadhouders werden gebonden aan vaste instructiën. In deze maatregelen lag een strekking tot strenge centralisatie, maar ook tot grooter nationaliseering van het opperbestuur: de „kanselier van Bourgondië” verviel, de hooge landsadel kreeg eenigermate een constitutioneelen werkkring, al bleef de klem der regeering berusten bij de Landvoogdes en den uit legisten (doch Nederlanders) samengestelden Geheimen Raad. In 1540 werd een laatste opflikkering der Gentsche demagogie door Karel met geweld onderdrukt, en deze stad voor goed onder de heerschappij van het gemeene recht gebracht; in 1543 werd het onmisbare Gelder ingelijfd bij den gemeen-Nederlandschen staat; in 1549 werd Philips als troonsopvolger gehuldigd en een uniform successierecht ingevoerd. In de inleiding van de Pragmatieke Sanctie waarbij het nieuwe recht werd afgekondigd, wijst de Keizer op het groote belang dat deze landen er bij hebben, om altijd onder één vorst te blijven en door dezen bezeten te worden als een geheel. Als over een geheel, stond Karel dan ook in 1555, ten overstaan van de plechtige vergadering der Staten-Generaal, de regeering der Nederlanden aan zijn zoon af.

Wel natuurlijk is het, dat de gedachten onzer historieschrijvers, als zij aanvangen zullen van den tachtigjarigen oorlog te verhalen, eerst bij de vergadering van 1555 plegen te verwijlen. Het is, in de geschiedenis van Groot-Nederland, een der meest gedenkwaardige oogenblikken; bovendien een dat de pen uitdaagt tot het ontwikkelen der tegenstellingen, toen onder één dak bijeen. De eerste souverein reeds over de ~zeventien~ Nederlanden zal tevens de laatste zijn, zoo men dien ander niet mederekenen wil, nazaat van den man op wiens schouder 's Keizers arm leunt, die wederom eerste en laatste zijn zal in één. Tegenstelling: de populaire Gentenaar, nu gebogen en afgeleefd, en de nurksche Spanjaard, die jong van jaren is maar niet van hart; andere tegenstelling: de vorst en de aanstaande rebel; de _auctor intellectualis_ van den moord, en het slachtoffer. Nog andere tegenstelling: de bontgepluimde adel van het Zuiden, de effen tabbaarden uit het Noorden, dat overwinnen zal....

Nietwaar, er zijn motieven te over voor een historieschilderij in grooten stijl, gelijk Motley er een van heeft zoeken te maken. Of de aanwezigen een voorgevoel gehad hebben van het geweldige dat gebeuren zou? Bezwaarlijk. Nog was het godsdienstvraagstuk niet acuut, nog Philips een onbekende. En een hevige orkaan voorwaar is het geweest, die den groot-Nederlandschen staat geveld heeft. Een zwaren storm, dien van 1477 en volgende jaren, had hij zegevierend doorstaan: het ontbrak hem dus niet aan weerstandsvermogen. Wat er van zuiver staatkundig particularisme nog leefde, zou, na 1555, nimmer bereikt hebben, waartoe het in 1477 onmachtig was gebleken. Andere krachten moesten ontketend worden, eer het werk der Bourgondiërs, arbeid niet ondernomen, maar goedgekeurd door de natie, kon worden gesloopt.

Het is de hervorming en niets anders dan deze, die Noord en Zuid heeft vaneengereten. De opstand zelf is zeker niet alleen door godsdienstige motieven bepaald; wèl is aan het godsdienstverschil het mislukken der centrale regeering na 1576, en de eindelijke splitsing der Nederlanden in twee helften toe te schrijven. Dieper opgehaald, is het godsdienstverschil een verschijningsvorm van het verschil in geestelijken aanleg tusschen Noord en Zuid, verschil dat sinds lang bestond, maar eerst doodelijk voor de staatkundige eenheid werd in een tijd die de individualiteit tot oppersten rechter stelde over alle menschelijke instelling, over alle banden van overlevering en van dwingend recht. De staat der Zeventien Nederlanden kon alleen nog bestand hebben in een religievrede, die onmogelijk was omdat hij een wapenstilstand beduidde tusschen twee richtingen die beide nog in volle groeikracht waren, het neo-katholicisme niet minder dan het calvinisme, en die op verovering uitgaan ~moesten~, op straffe van ondergang. Geen staat in Europa of hetzij het eene, hetzij het tegenovergestelde levensbeginsel heeft er gezegevierd en het andere òf vernietigd, òf als streng bewaakte uitzondering een kommerlijk bestaan doen leiden. De „pariteit” is eerst een begrip der 18{de} eeuw, het eerst verwezenlijkt in het Pruisen van Frederik den Groote. Doch een reeks van oorzaken maakten in het Nederland der Gentsche Bevrediging het calvinisme te sterk, om door het neo-katholicisme, het neo-katholicisme te sterk, om door het calvinisme te kunnen worden onderdrukt. Nadat vreedzaam samenwonen was beproefd en mislukt, werd scheiding de eenig mogelijke oplossing.

De gang der hervorming in Nederland is zeer merkwaardig, en een nieuw bewijs hoezeer deze landen van het Duitsche Rijk waren vervreemd. De hervorming in haar bizonder-Duitschen vorm, het lutheranisme, sloeg hier weinig in. Ten tijde harer grootste uitbreiding heeft het er nooit naar uitgezien, of de lutherij Nederland mede zou sleepen. Ook ditmaal zou, gelijk zoo dikwijls, de bevruchting uit het Zuiden komen. Het calvinisme, uit Frankrijk ingevoerd, tastte het eerst de Waalsche steden aan: Valenciennes, Doornik. Het verbreidde zich snel, haast als een Fransche mode, over het Zuiden; niet zoo snel over het Noorden, maar de zielen die het daar won, hield het vast. De hagepreek en de beeldenstorm van 1566 zijn in hoofdzaak Zuidnederlandsche verschijnselen, de _Biencorf_ een Zuidnederlandsch boek. Het is weer een geschiedenis van Vlaamsche ontvlambaarheid en actie, van Hollandsche stugheid en rust. Het ondiepe water wordt het felst bewogen, maar de hooge golven die er gaan breken ook het eerst.

Weinig geleerden hebben den geest der beweging van 1566 zoo gelukkig getroffen, als, in zijn onopzettelijkheid, de romanschrijver Charles de Coster in zijn _Tijl Uilenspiegel_, en dat hij dit gedaan heeft, is door niemand zoo goed gevat en zoo fraai uitgedrukt als door den Noordnederlandschen criticus Busken Huet.

„Als mengsel van goed en kwaad is Tijl een merkwaardige type. Hij heeft het diep gevoel van regt, hetwelk een volk op den duur het despotisme haten doet. Hij lijdt mede met den kleinen burger, tot wiens stand hij behoort. Hij is dapper, vindingrijk, en edelmoedig; een poorter met de gevoelens van een ridder. Zijne ligtzinnigheid zelve heeft iets elegants......” Maar de keerzijde! „Wanneer Tijl de guitestreken zijner vlegeljaren achter den rug heeft, dan zweert hij wel, bij het lijk zijns vaders, een ernstig man te zullen worden, een echte Geus; doch hij doet zijn eed niet gestand. Alleen bij tusschenpoozen ontwaakt in hem de volksheld. Zijne doorgaande levenswijze blijft die van den zigeuner, den onverbeterlijken pretmaker, den man naar het hart van Jan Steen. Er is in zijne vrijheidsliefde, hoe vurig ook, iets negatiefs. Hij wil den koning weghebben, de priesters, de inquisitie, de regters die met de geestelijkheid heulen, de landvoogden die door belastingen het volk uitzuigen. Maar met welk doel? Dit begrijpt men niet, of te weinig. Wij gevoelen alleen dat Uilenspiegel in zijn regt is, wanneer het instinkt van zijn landaard hem zegt dat het leven de moeite niet loonen zou, zoo elke kermisvreugde er uit gebannen werd.....” De Hollanders, die volhielden, „hebben zich moeten onderwerpen aan de noodzakelijkheid, een vreugdeloos kalvinistisch leven te leiden. Het bestaan der hoogere standen werd in Noord-Nederland zoo saai dat de schilders, tenzij in konventionele schuttersmaaltijden, in sombere regente- en regentessestukken, geen kans zagen het op doek te brengen. Het afbeelden van gemeene drinkgelagen, in gemeene herbergen, moest als veiligheidsklep der onderdrukte vrolijkheid dienst doen; gelijk aan de bruiloftsmaaltijden door schuinsche liedjes het puritanisme zich schadeloos stelde, of in de schouwburgen voor een keer het hart ophaalde aan eene uit de goot afkomstige klucht. Maar onderwijl werd in Europa de strijd tegen Spanje krachtig en glansrijk voortgezet; werd in Indië een groot overzeesch rijk gesticht; werden Amsterdam de schatten verzekerd, die Antwerpen derven moest, en verrezen er, tot eer der wetenschap, beroemde hoogescholen.—België heeft voor zijn meerderen levenslust, zijn krachtiger artistieken zin, gedurende meer dan twee honderd jaren met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet. Dit is een harde straf geweest. Maar ook Holland is niet vrijgeloopen. Om zich te kunnen handhaven heeft het zich moeten afzonderen, in zichzelf moeten opsluiten. Het is buiten de algemeene beschaving geraakt; is in de achttiende eeuw allengs eene europesche kuriositeit geworden. En eene wormstekige kuriositeit bovendien! Toen de kalvinistische republiek tweehonderd jaren bestaan had, is zij op een kouden winterochtend van het jaar 1795 roemloos ineengezonken. In het begin der negentiende eeuw hadden Holland en België elkander niets te verwijten, niets te misgunnen. Beiden waren van de kaart van Europa geschrapt, en fransche wingewesten geworden.... Het is niet alles deugd geweest, wat in den strijd tegen Spanje de Hollanders heeft doen zegevieren; niet alles ondeugd, wat de Belgen heeft doen bezwijken. Aan de eene zijde zijn niet enkel voordeelen behaald, aan de andere zijde is niet enkel schade geleden. De Belgen hebben integendeel iets overgehouden wat de Hollanders zich nog eigen moeten maken: ik weet niet welken zin om het leven te verfraaijen, de alledaagsche zorgen voor een keer van zich af te schudden, onbekrompen in de beurs te tasten...... Ongetwijfeld zouden de Belgen zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij in de 16{de} eeuw, ter wille van het kalvinisme, dien natuurlijken aanleg hadden onderdrukt. En nog verkeerder zouden zij heden ten dage handelen, zoo zij, ter wille van hun fatsoen of uit menschevrees, er te weinig van lieten blijken”[23].

[23] Litt. Fantasiën, vierde reeks, vijfde deel, bl. 137–139.

Er zijn op deze geestige bladzijde eenige aanteekeningen te maken. Ongetwijfeld zouden ook de Hollanders zeer verkeerd gehandeld hebben, zoo zij, ter wille van de kermisvreugde, tegen de uiterste consequenties van den strijd hadden opgezien. Zij hadden meer dan een staatkundige, zij hadden een geestelijke zelfstandigheid te verdedigen, en het verstrekt hun een adelbrief, dat zij zich aan die gewetenstaak niet hebben onttrokken. De Zuidnederlanders van 1576 stonden op om de staatkunde, niet langer om den godsdienst: zoodra hun, onder Parma, zekere staatkundige waarborgen werden geboden, konden zij zonder hun karakter te verloochenen den strijd opgeven. Niet aldus de Noordnederlanders, die intusschen op het calvinisme hun eigen stempel hadden gedrukt, en het als tot hun eigenste bezit gemaakt.

„België heeft met het verlies zijner onafhankelijkheid geboet”. Is deze voorstelling juist? Niet ten volle. Wij bezien, zoo sprekende, het lot van België door een Noordnederlandschen bril. Om een onafhankelijkheid te verliezen, moet men haar bezeten hebben, en wanneer is dit, in den hier blijkbaar bedoelden zin, vóór den tachtigjarigen oorlog het geval geweest? Immers nooit. „Onafhankelijkheid” in den zin van 1830 was geen ideaal der Belgische beweging van 1576. Men kwam in opstand tegen vreemde krijgsknechten en voor het behoud van nationale instellingen en voorrechten, die door Parma bij de reductie van het Zuiden gewaarborgd zijn. De voorstelling, als zou België sedert den val van Antwerpen in een toestand van slavernij hebben verkeerd, is onhistorisch. De regeering van Albertus en Isabella bij voorbeeld was langen tijd populair, en ontzag 's lands gerechtigheden evenzeer of meer als die van Karel V ooit gedaan had. Nog aan den vooravond der Fransche omwenteling vloog het volk in de wapenen voor het behoud der overgeleverde instellingen, die het sedert Parma onverkort had bezeten. Waar blijven bij deze feiten de „eeuwen van verdrukking”, waarvan het volkslied van 1830 spreekt? De Belgen zijn over het geheel in de zeventiende en achttiende eeuw geregeerd zooals zij het verlangden. Ook is het niet waar dat zij, zooals hetzelfde volkslied zegt, in 1830 „hun vaandel” heroverd hebben. Een vaandel, symbool eener internationaal erkende zelfstandigheid als die van de Vereenigde Nederlanden na 1648, hebben de Belgen voor 1830 nooit bezeten, en konden zij dus ook niet heroveren. Een zoodanige voorstelling, bestemd om den roem der mannen 1830 te verhoogen, verkleint dien inderdaad. Zij hebben niet hersteld, maar geschapen.

En toch, hoe begrijpelijk in haar ontstaan is de in haar algemeenheid ongetwijfeld onjuiste voorstelling die wij gispten. De slavernij, die men te vergeefs zoeken zal in het binnenlandsch bestuur, bestond in de verhouding tot het buitenland, tot Noord-Nederland in het bizonder. Een Noordnederlandsch staatsman[24] heeft eenmaal gezegd, dat in 1648 de koning van Spanje „het land redimeerde voor de zee, die hij cedeerde aan de Republiek.” Liever dan alle krachten in te spannen tot de verovering van het Zuiden, dat men, als Roomsch land, toch kwalijk zou kunnen regeeren, liet men het aan Spanje „met een bezwaarden eigendom.” België was tot de rol van bolwerk voor Noord-Nederland vernederd, tevens afzetgebied voor den Noordnederlandschen handel. De grootheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was op den ondergang van Antwerpen gebouwd. Zoodra de Zeven Provinciën bevrijd en door de verovering van eenige buitenwerken bezuiden de groote rivieren versterkt waren, liet men België gaarne aan zijn lot over. Wat zoude men er ook mede hebben uitgericht? De ervaring van 1632, toen men zonder gevolg het Zuiden tot afval van Spanje had opgeroepen, was leerzaam; niet minder teekenend was, jaren na dien, de impopulariteit van het Nederlandsch tusschenbewind tijdens den Spaanschen successie-oorlog[25]. De voorwaarden zelf van den voorbeeldeloozen bloei der Republiek verhinderden, dat zij zich voor het ideaal van een Groot-Nederland verdienstelijk zou hebben kunnen maken. Zonder de vernedering van België was die bloei niet denkbaar.

[24] Van de Spiegel (zie zijn papieren door Vreede II, 394).

[25] Gachard, Le Conseil d'Etat belge et la Conférence anglo-batave, 1706–1713 (Bull. Acad. Royale, 1876).

Het Noorden dankte intusschen aan het Zuiden onnoemelijk veel. Om dit te erkennen, is het voldoende de lange lijst na te gaan der in Zuid-Nederland geboren personen, die de kerk, de wetenschap, de letteren en den handel der Republiek geïllustreerd hebben. Opmerkelijk is hierbij weder de veel grooter zelfstandigheid van het Noorden in de beeldende kunst dan in de letteren. De taal van den Statenbijbel en die van Vondel is vol bewijzen van Zuidnederlandschen invloed; Vondels verbeelding zelf is geheel Zuidnederlandsch. Daarentegen komt het gansche verschil tusschen Noord en Zuid, behalve in het godsdienstig en burgerlijk leven, in onmiskenbare trekken in de schilderkunst uit. Gelijk vroeger Brugge, beleefde thans Antwerpen nog een tijd van grooten kunstbloei na den ondergang van zijn handel. Wel mag België de gedachtenis eeren van Rubens en van Dyck: zij zijn de laatste standaarddragers eener beschaving, wier reddeloos verval een gevoelig verlies werd voor Europa. In hen neemt het oude, groote België, dat in een arbeid van eeuwen was opgebouwd, afscheid van de wereld. Voortaan zal slechts een geheel ander België mogelijk zijn, dat zich niet onmiddellijk aan de traditiën van het oude vastknoopen kan. Na den vrede van Munster geraakt België buiten den stroom der Europeesche geschiedenis; de Fransche omwenteling is noodig om het daar weder in te stooten.

Doch is het lot Noord-Nederland veel gunstiger geweest? Immers neen. Het rijst, in de eerste twintig, dertig jaren na den val van Antwerpen, met een verbazingwekkende snelheid omhoog. Dan volgen een zestig, zeventig jaren van majestueuze grootheid, maar die toch geen stevigen grondslag had. Het land dankte te veel aan voorbijgaande omstandigheden. Ligging en volksaard verzekerden Noord-Nederland een aandeel in den wereldhandel, zij verzekerden het geen handelsmonopolie. Als zeemogendheid kon het zijn rang niet ophouden, zoodra Engeland zich er toe zette van zijn rijker natuurlijke hulpmiddelen ten volle partij te trekken. Daarbij was, te land, de jonge mogendheid zeer kwalijk bevestigd. In 1672 kwam de waarschuwing, aan welke gevaren een geïsoleerd Noord-Nederland in de wereld blootstond. De Republiek moest, om bondgenooten te vinden, haar fabelachtigen rijkdom dienstbaar maken aan belangen die haar slechts van terzijde aangingen. In stede van in een veroverende, stond zij voortaan ten opzichte van de buitenwereld in een verdedigende positie. Alle uitbreiding was haar ontzegd, te land als over zee. Den schijn te redden werd voortaan haar steeds moeilijker wordende taak. Tegelijk verschrompelde haar geestelijk bestaan, dat gedurende korten tijd een licht der wereld was geweest. De val van Rubens tot de Belgische achttiende eeuw is niet grooter dan die van Rembrandt tot.... ja tot wien? Men is zelfs verlegen een naam te noemen.

Toch bleef er, in beider verval, groot onderscheid tusschen Noord en Zuid. Hoe ondermijnd dan ook, was de Republiek toch nog een zelfstandige staat en herbergde zij een meer zelfstandige kultuur dan het Zuiden. Kenmerk van het Zuiden was geweest de eigenaardige versmelting van Waalsche en Dietsche beschavingelementen. In de uitoefening dezer historische functie trad door de ongenade der omstandigheden een voor België's toekomst noodlottige stilstand in. De Fransche kultuur katholiciseerde en centraliseerde zich meer en meer: zij werd de kultuur van het tijdvak van Lodewijk XIV. Aan de andere zijde protestantiseerde zich de Dietsche beschaving, waarin België thans geheel door Noord-Nederland werd overvleugeld. België nu had, thans als immer, taalgemeenschap met beide aangrenzende landen, maar geloofsgemeenschap alleen met Frankrijk, en geloofsgemeenschap was in dezen tijd een oneindig machtiger factor dan taalgemeenschap. En dit was niet alles: ten gevolge van den ondergang des handels en het schrikbarend verval der Belgische steden nam de beteekenis van den adel en van de geestelijkheid in de Belgische maatschappij zeer toe: een maatschappij die in bouw veel meer op die van Frankrijk dan op die van Noord-Nederland ging gelijken. Terwijl dus de monarchale, katholieke, aristocratische Fransche beschaving vrijen toegang had, stuitte de republikeinsche, protestantsche, burgerlijke van het Noorden tegen een ondoordringbaren muur. Het gevolg was dat het evenwicht tusschen Waalsch en Dietsch werd verbroken in zulk een mate, dat vijftig of zestig jaren Vlaamsche beweging het toen vernielde nog niet weer hebben kunnen opbouwen. Er had langen tijd op Belgischen bodem geen bevruchting van Romaansche door Nederduitsche beschaving en omgekeerd meer plaats, en dus ook geen eigenaardig Belgische productie meer. Eenerzijds verviel de Nederlandsche taal in België tot een staat van boerschheid, het katholicisme in Vlaanderen tot een staat van bijgeloof; andererzijds werd de beschaving van Parijs en Versailles, zonder oponthoud aan eenig tusschenstation, regelrecht naar Brussel ingevoerd, waar zij als een geleend pak werd gedragen. Naarmate de toon te Parijs veranderde, veranderde de weerklank in de beschaafde kringen van België. Deze maakten in de achttiende eeuw de zwenking van Bossuet naar Voltaire mede. Iemand als de Brusselsche markies du Chasteler (1744–1789) is een volmaakter type van den „philosophe à la mode” dan er in het Noord-Nederland van denzelfden tijd één is voorgekomen. Er kwam door de Belgische samenleving een scheur te loopen, dieper dan het verschil in taal er ooit door getrokken heeft: een scheur door den geestelijken samenhang der onderscheiden klassen van het volk, waarvan de beschaafden als tot een ander rijk behoorden als de massa.

In dit opzicht was het in Noord-Nederland veel beter gesteld. Het land lag voor allerlei geestelijken invoer open, maar het ingevoerde bleef er zelfstandig verwerkt worden tot een product van onmiskenbaar Nederlandsch karakter. Niet dat dit product altijd even groote waarde had, doch dit behoeft ook niet om in de geschiedenis van een volk die mate van continuiteit te verzekeren, waardoor de overlevering eerst tot een eigen, levende kracht wordt gemaakt. Het is deze meerdere continuiteit die Nederland nog altijd iets op België vóór doet hebben. In vergelijking tot België zijn wij tegelijkertijd een veel jonger en een veel ouder land. Veel jonger: om dit te erkennen is het voldoende de middeleeuwsche geschiedenis van Vlaanderen naast die van Holland te leggen, of eerst Dordrecht, Leiden en Amsterdam, daarna Gent en Brugge te doorwandelen. En in anderen zin herkent men in Nederland toch weer een veel ouder land, als men niet de zaken opzoekt die tot louter historische bezienswaardigheden zijn geworden, maar zich rekenschap geeft van den ouderdom der organen van het nationale leven gelijk zij nog heden ten dage in werking zijn. Wij zijn in meerdere mate ons zelf gebleven, en dus jonger dan het historische, maar ouder dan het hedendaagsche België.—Een overeenkomstig verschijnsel leveren Noord- en Zuidduitschland op. Gelijk in de Nederlanden, heeft ook in Duitschland de Fransche omwenteling een veel grooter opruiming in het Zuiden dan in het Noorden gehouden; juist wijl in het Zuiden het bestaande ouder en meer verouderd was, heeft het minder goed den storm doorstaan, en is er meer noodzaak geboren tot geheel nieuwe constructie.

Hoewel onmiskenbaar bestaande, is toch de voorsprong die Nederland aldus op België behouden heeft, niet zeer groot. Lang zoo groot niet als die van Pruisen in Duitschland. Pruisen, dat een schepping der Hohenzollern's was van den Grooten Keurvorst tot Frederik den Groote, en dus meer dan een eeuw jonger dan de Republiek, die van Willem van Oranje en Oldenbarnevelt dagteekent;—Pruisen heeft van de Fransche omwenteling niet meer dan een heilzamen stoot ontvangen, aanleiding tot de volksbeweging van 1813, die het weder aan het hoofd der ontwikkeling van Duitschland stelde. Jena maakt in de geschiedenis van Pruisen bij lange na niet een zoo diepe insnijding, als het jaar 1795 in die van Noord-Nederland. Pruisen is in de dagen zijner diepste vernedering nimmer van de kaart van Europa verdwenen; het had een veel grooter prestige tegenover de landen die het in 1815 verkreeg, als Nederland het hebben kon tegenover België. De taak waarvoor Pruisen zich in de Rijnprovincie gesteld zag, is in menig opzicht bij de taak van Willem I in België te vergelijken. Maar Pruisen was beter toegerust; ook gingen zijn oude provinciën in omvang en bevolking de nieuwe verre te boven, hetgeen in de Nederlanden niet het geval was. Pruisen heeft veel verricht, maar heeft het geleidelijk kunnen doen; in 1815 zag het een stuk van Duitschland aan zijn leiding onderworpen, in 1866 een tweede, in 1871 een derde stuk. En het verdient zeker de aandacht, dat Pruisen er niet in geslaagd is de Duitsche eenheid tot stand te brengen zonder Oostenrijk uit te sluiten, de half-Duitsche macht. Wat onder Pruisens leiding gesteld werd, was telkens zuiver Duitsch gebied, en telkens ook in oppervlakte en bevolkingsgetal zeer de mindere van de oude provinciën. Hoeveel moeilijker was de taak van Noord-Nederland in 1815. Ware het Willem I gelukt, een groot-Nederlandsche eenheid te stichten, hij zou, op verkleinde schaal, niet hetzelfde als Bismarck, maar veel meer dan Bismarck hebben bereikt. Een dergelijk resultaat zou gelijkwaardig zijn geweest niet aan de aantrekking van Beieren en Wurtemberg tot den Noordduitschen staat, maar bijna aan de assimilatie van Oostenrijk zelve.

* * * * *

Wij eindigen deze voorafgaande beschouwingen, die ten doel hadden ons te binnen te brengen hoezeer Noord- en Zuid-Nederland vóór de vereeniging van 1815 in samenstelling, in aanleg, in lotgevallen hadden verschild. Aan den tijd van de zestiende tot de achttiende eeuw hebben wij daarbij zeer in het kort kunnen herinneren: de geschiedenis van het uiteengaan in den tachtigjarigen oorlog, en de groote tegenstelling tusschen het Noorden in den tijd van zijn hoogsten bloei, het Zuiden in den tijd van zijn diepste verval, zijn bekend genoeg. Doch wij meenen te hebben aannemelijk gemaakt, dat het verschil niet enkel of niet voornamelijk zijn oorsprong heeft in de groote gebeurtenissen der zestiende eeuw. Ook daarvóór waren Noord en Zuid twee werelden, en bestond veeleer een tegenstelling tusschen deze beide, als tusschen een Dietsche wereld (Noord met inbegrip van Vlaamsch-België) en een Waalsche. Maar even onloochenbaar als dat Noord en Zuid veel verschilden, is het dat zij grooter overeenkomst met elkander hadden dan met welk ander land van Europa ook. Het was slechts de vraag, of sedert de zestiende eeuw de lotgevallen beide helften niet zoodanig van elkander hadden vervreemd, dat hereeniging onmogelijk zou blijken.

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Vereeniging.

Het was geen innerlijke drang, het was dwang van buiten die beide helften in 1815 tezamen voegde.

Er had, reeds eenigen tijd vóór de Fransche omwenteling, een „Belgisch vraagstuk” bestaan, dat het hoofd weer opstak toen de vloed afliep en Europa nieuw moest worden ingericht.

België was, in 1715, aan een huis toegevallen dat het land onder zeer bezwarende omstandigheden aanvaardde, als een soort dépôt in het belang van het Europeesch evenwicht, en in het bizonder als bolwerk voor de veiligheid van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. Het lag afgescheiden van de overige deelen der Oostenrijksche monarchie, en was onmogelijk daarmede te vereenigen. Geen wonder dat de regeering te Weenen er dikwijls over dacht, een of ander meer begeerd land, Beieren bij voorkeur, tegen België te ruilen. Doch een dergelijk plan was zeer moeilijk te verwezenlijken: België was nu eenmaal zoo gelegen, dat de belangen van driekwart Europa bij zulk een ruil betrokken waren. Jozef II heeft in 1785 getracht de zaak door te zetten, maar zonder vrucht.

Ging dit ruildenkbeeld van den vreemden souverein uit, België zelf deed in het laatst der achttiende eeuw ook weer van zich spreken.

Het was lang geleden dat het dit ooit gedaan had. De vrede van 1648 had het land geen rust gebracht; juist daarna werd het meer dan ooit het slagveld, waarop de groote mogendheden van Europa haar geschillen kwamen uitvechten. Tot den vrede van Utrecht toe weerklinkt in België haast onafgebroken het hoefgetrappel van vreemde benden. Eerst die vrede bracht verademing. Een lange rust breekt aan, slechts, omstreeks het midden der eeuw, door den Oostenrijkschen successie-oorlog verstoord.

Het kon niet anders of het land moest zich in dezen tijd van langdurigen vrede eenigermate herstellen, al ging het nog zoo langzaam. Er was nameloos veel vernield, maar wat niet vernield had kunnen worden was de gunstige ligging van het land, de rijkdom van zijn bodem, de begaafdheid en de nijvere aard zijner bevolking. Van de ligging viel echter vooralsnog weinig voordeel te trekken: de geschiedenis der Compagnie van Oostende was er het droevige bewijs van. Doch bleef de handel België ontzegd, het kon zich op den landbouw en op de nijverheid toeleggen. Beide deze bedrijven gingen aanmerkelijk vooruit, met name onder de regeering van Maria Theresia.

Naarmate eenige welvaart terugkeerde, werd het natuurlijk minder gewillig verdragen, dat het land ten believe van de Republiek der Vereenigde Nederlanden gekortwiekt was. Het is, behalve tegenover Jozef II, voornamelijk tegenover Holland geweest, dat het België der achttiende eeuw zich bijwijlen weder een natie gevoeld heeft. De onwil om zich het barrière-tractaat te laten opleggen, de instemming die Jozef II ondervond toen hij de Hollandsche garnizoenen verwijderde, spreken duidelijk genoeg. Ware Keizer Jozef in andere opzichten niet dwars tegen den geest der bevolking ingegaan, zijn maatregelen tegen de Republiek zouden gewis nog veel hartelijker door haar zijn ondersteund. Dat het land niet van zijn natuurlijken weg naar zee gebruik mocht maken was inderdaad een monstruositeit; men vervange het woord Schelde eens door Texel of Maas, en brenge zich te binnen, wat dan „de sluiting” voor Holland zou beteekend hebben! Doch naarmate de Republiek haar grootheid tanen zag, klampte zij zich te angstvalliger aan haar voorrecht vast.

Nog meer evenwel dan de antipathie tegen het Noorden, bracht die tegen de regeering van Jozef II de Belgen bijeen. Jozef was sedert Philips II de eerste vorst, die in het binnenlandsch bestuur den geest der bevolking moedwillig tartte. Geheel iets anders was het, de verlichting der eeuw in het land toe te laten en zelfs te bevorderen, geheel iets anders, haar, van de bureaux der regeering uit, een niets ontzienden aanval te doen richten tegen al wat bij overlevering bestond. En Jozef II wilde daarbij de Nederlanden regeeren van uit Weenen, gelijk eenmaal Philips van uit het Escoriaal. „Il imagine tout”, schrijft Starhemberg, zijn gewezen minister in Brussel, aan Mercy, „il voit tout, dirige, exécute et gouverne tout par lui-même. Les divers départemens ne sont que des corps organisés auxquels il donne l'impulsion qui les met en mouvement, mais ils ne peuvent rien par eux-mêmes et ne sont pas même assurés d'un jour à l'autre de leur propre existence et encore moins du maintien de leur ressort.”[26] De processiën werden verboden, op grond dat zij „geen eer deden aan de verlichting van het volk.”[27] Alle dorpskermissen zouden—waartoe?—in het geheele land plaats moeten hebben op één en denzelfden dag. Tegen dergelijke schoolmeesterij kwam ten slotte de massa van het volk in verzet, niet enkel de duisterlingen.

[26] Schlitter, Regierung Josefs II in den Österreichischen Niederlanden, I, 164.

[27] Belgiojoso aan Kaunitz, 9 Mei 1786 (Schlitter I, 159.)

Opmerkelijk is, dat het Jozef niet aan machtigen steun voor zijn hervormingen zou ontbroken hebben, indien hij te werk had willen gaan als een bezadigd man en niet als een dolkop. Er berust in de archieven te Weenen een merkwaardig stuk van den markies du Chasteler, dat aangeeft welke groote doeleinden de Keizer najaagt in zaken van godsdienst, rechtspraak en bestuur; vervolgens op welke wijze hij zijn doel heeft zoeken te bereiken, en eindelijk hoe hij het had kunnen bereiken, of althans nader komen, zonder zooveel aanstoot te geven[28]. De grondtoon van het stuk is een klacht, dat de Keizer de natie het goede op wil leggen buiten haar om, en geen oog heeft voor haar eigenaardigheden. Zoo waren er veel onder de hoogere standen, die minder bezwaar hadden tegen de zaak dan tegen de uitvoering. Maar Jozef luisterde naar geen waarschuwingen, en het volk stond tegen hem op.

[28] Bij Schlitter, I, 188–202.

Het was gedurende dezen opstand, dat van Belgische zijde de vraag opgeworpen werd naar de toekomstige verhouding tot Noord-Nederland. Men kon niet van Oostenrijk af zonder buitenlandsche hulp, en, zooals de politieke verhoudingen van 1789 lagen, moest die komen van de drie verbondenen, Engeland, de Republiek en Pruisen. Van deze drie nam Pruisen, uit vijandschap tegen Oostenrijk, de meest tegemoetkomende houding tegenover de Belgen aan. Meer terughoudend waren Engeland en de Republiek; het gold dus vooral, deze beide voor de zaak van den opstand te winnen. Tot dit doel begaf zich de advocaat van der Noot naar Londen en naar den Haag, en spiegelde in het eene land de koningskroon aan den hertog van York, in het andere een algemeen stadhouderschap aan den tweeden zoon van den Prins van Oranje voor. Deze aanbiedingen waren niet ernstig gemeend en werden ook niet ernstig opgenomen. In den Haag sprak van der Noot ook over een toekomstige vereeniging der Belgische en Nederlandsche republieken, een denkbeeld, dat toen ook in het vlugschrift _La République belgique_ is aanbevolen. De Noordnederlandsche staatkunde van 1789 echter was van zulk een vereeniging afkeerig: de Raadpensionaris van de Spiegel noemt het, in een brief aan den gezant der Republiek in Engeland, „een chimère, welke aan ons althans niet convenieeren zoude”[29]. Hij wilde de onafhankelijkheid van België slechts erkennen op beding, dat van de voorrechten, die Nederland bij tractaat ten opzichte van België had verkregen, iedere letter gehandhaafd bleef[30]. Een vreedzame oplossing van het Belgische vraagstuk, waarbij het land, tegen bevestiging zijner oude privilegiën, onder de gehoorzaamheid des Keizers terugkeerde, was hem verreweg het liefst; hij voorzag te goed, dat een krachtige nationale staat in België de voorrechten van Holland niet lang zou kunnen eerbiedigen, en ze ten offer te leggen op het altaar eener groot-Nederlandsche gedachte lag toen geheel en al buiten den Hollandschen gezichtskring. Maar het scheen een oogenblik, in het begin van 1790, alsof men werkelijk geen andere keus had, dan België als een onafhankelijk land te erkennen; het had de vreemde troepen verjaagd: liet men het nu los, dan zouden Lafayette en de Nationale Vergadering in Frankrijk zich van de beweging meester maken, tot groot nadeel van het belang der zeemogendheden. In dezen tijd heeft van de Spiegel overwogen, hoever hij, zoo de nood drong, met België zou willen gaan. Zijn „Generaale Gronden van een verbond tusschen de twee Republieken” komen op het volgende neder: „De beide Republieken zullen independent zijn van malkander en hebben haare eigen souverainiteit, administratie van justitie, politie, militie, finantie en wat verder tot de regten der souverainiteit behoort, maar zullen zich ten aanzien van de onderlinge defensie zoo nauw confœdereeren alsof zij maar éénen Staat uitmaakten”[31]. Derhalve geen aanvallende oorlog, geen alliantiën, geen doortocht aan vreemde troepen dan met gemeen goedvinden; wederzijdsche inzage van den staat van elkanders weermiddelen; éénmaal per jaar een bijeenkomst van wederzijdsche afgevaardigden, „in welke gehandeld zal worden van den staat van defensie, van alliantiën, en in 't generaal van alles wat tot deeze confœderatie relatief is, doch niet beslooten dan op approbatie van de wederzijdsche souvereinen.” In tijd van oorlog zal deze vergadering permanent zijn, en zullen de vereenigde legers worden aangevoerd door den Erfkapitein-generaal van de Vereenigde Nederlanden[32].

[29] Zie mijne „Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840”, I, 140.

[30] Gedenkstukken I, 141 (instructie aan d'Yvoy).

[31] Gedenkstukken I, 145.

[32] Overeenkomst met van de Spiegel's denkbeelden vertoont het vlugschrift: _Wat staat ons Batavieren te doen bij het vrijworden der Belgen_ (Januari 1790).

Een militaire conventie dus is het uiterste waartoe van de Spiegel komen wil. Van een Belgisch stadhouderschap voor een lid van het huis van Oranje wil hij niet hooren. Men behoeft zich ook geen oogenblik voor te stellen, dat deze zaak van Belgische zijde ernstig was gemeend. Zij was door van der Noot voorgespiegeld in Mei 1789, zeer in het vage, als een eerste aanloksel. In December 1789 evenwel was de eigenlijke intellectueele leider der zaken, de kanunnik van Eupen, in den Haag geweest, en had de grondslagen opgegeven der constitutie die men voor de nieuwe republiek dacht aan te nemen: een vergadering van Staten-Generaal, die souverein zal zijn tegenover het buitenland en ten opzichte der landsverdediging; een onder de Staten-Generaal gestelden Raad van State; voorts zelfregeering der provinciën. Een prins of gouverneur dacht van Eupen niet aan te nemen[33]. Van de Spiegel's „generale gronden” voor een verbond tusschen Noord en Zuid waren „en gros met van Eupen beredeneerd”. Zij zijn te beschouwen als de grondslag waarop de wezenlijke leiders der Belgische en der Nederlandsche staatkunde van 1790 van oordeel waren dat een toenadering kon worden beproefd; wat daarboven uitging was toenmaals òf niet oprecht gemeend, òf ijdele plannenmakerij. En of zelfs op de „generale gronden” de toenadering mogelijk zou zijn geweest? Ik geloof het geen oogenblik. Het wachtschip bij Saaftingen vertegenwoordigde in werkelijkheid een soort Chineeschen muur, dien Holland niet wilde laten springen, en dien een in waarheid zich onafhankelijk gevoelend België geen tien, geen vijf jaar meer zou willen laten staan. Het netelig punt der handelsvoorrechten werd dan ook door de Belgische onderhandelaars zooveel mogelijk ontweken. „Nous n'aimerions pas à recevoir des lois trop dures, mais à cela près qu'on ne nous redoute pas,” schrijft van Eupen aan zijn agent in den Haag, Leempoel. „Niet zeer voor de vuist,” meende van de Spiegel. Een woord van van Eupen aan van de Spiegel's man te Brussel, d'Yvoy, was iets duidelijker: „dat er geene de minste reden van vrees was voor al 't geen waarvan de Republiek volgens de tractaten jouïsseert, maar dat zij onmogelijk, zonder zigzelven in gevaar te brengen, thans van eenige zekerheid dienaangaande te geven konden spreeken.”[34] Zonder die zekerheid evenwel zou de Republiek de onafhankelijkheid van België nimmer erkennen, en zonder die erkenning was er geen mogelijkheid van verbond.

[33] Renfner 15 Dec. 1789 („si la chose est possible, nous ne voulons ni prince ni gouverneur”).—„Notre ambition se borne à avoir autant d'amis que de voisins, mais point de maîtres” (van Eupen aan Lafayette, nieuwjaar 1790).—Gedenkstukken I, p. XLIV.

[34] Gedenkstukken I, p. XLVII.

Er was nog een andere omstandigheid, die het welslagen van een Belgisch-Nederlandsch verbond in 1790 in de hoogste mate onwaarschijnlijk maakte. Beide landen waren innerlijk verdeeld. Noord-Nederland had juist eenige jaren van hevige partijberoering doorgemaakt, die met een materieele, niet met een zedelijke overwinning der partij van het behoud waren geeindigd. Duizende patriotten waren naar België of naar Frankrijk uitgeweken, en wachtten op het oogenblik om met Fransche hulp de oude Republiek ten val te brengen en een nieuw staatsgebouw op te richten op den grondslag der „rechten van den mensch”. Zij waren zeker van de instemming van de meerderheid der beschaafde burgerij in het land zelf. Een zeer dringende reden, waarom de Nederlandsche regeering op goeden voet met de leiders der Brabantsche omwenteling blijven wilde, was de mogelijkheid dat zij zich door Frankrijk op sleeptouw zouden laten nemen, waar de partij der omwenteling met de Belgische opstandelingen de vijandschap tegen Oostenrijk gemeen had. Een oorlog tegen Oostenrijk kon zeer licht tot een oorlog tegen de zeemogendheden worden uitgebreid, waarin dan België niet aan de zijde van Holland staan kon, maar geheel in den stroom der Fransche omwenteling zou worden medegesleept, waardoor Hollands voormuur tegen den inval der Franschen en der Bataafsche patriotten kwam te vervallen. Hierom was het voor Holland dringend noodig dat de Belgische omwenteling haar zelfstandig karakter behield, hetgeen alleen kon geschieden door een volledige zegepraal der conservatieve partij van van Eupen en van der Noot op haar democratische tegenstanders. Want het verzet tegen Keizer Jozef was van zeer onderscheiden motieven uitgegaan: ook in België bestond een democratische partij, die met de ouderwetsche Staten van Brabant of van Vlaanderen niets gemeen had, dan dat ook zij tegen den Keizer was opgestaan. Het waren de behoudende elementen in Noord en Zuid die eenigermate elkander zochten; die vooruitstrevenden van beide landen zochten gelijkelijk Frankrijk.

Op den naam „revolutie” af, was de Brabantsche beweging in de Fransche hoofdstad met jubel begroet. Men verheerlijkte in éénen adem _Les Révolutions de France et de Brabant_[35]. Zoodra men zich echter met de Brabantsche zaken daadwerkelijk inliet, bleek dat de Fransche vrijheidsbegrippen geen hardnekkiger tegenstanders hadden dan van Eupen en van der Noot. Nauwelijks was de Brabantsche opstand gelukt, of Nootianen en Vonckisten lagen in open strijd. Den 16{den} Maart 1790 brak te Brussel een woeste furie tegen Vonck en de zijnen uit, waarbij een volkshoop, onder oogluiking der Staten, zich van de aan Parijs ontleende revolutionnaire terminologie bediende tegen de voorstanders der Parijsche denkbeelden. Den 18{den} Maart ontdekte Lafayette in de Parijsche Nationale Vergadering met leedwezen, „dat het congres der Belgische Staten niet het ware karakter eener vertegenwoordiging van het souvereine volk scheen te vertoonen”. Het licht was eindelijk opgegaan! De Vonckisten vluchtten naar Frankrijk, dat nu, naast eenige duizend Bataafsche, eenige duizend Belgische uitgewekenen te herbergen kreeg, die niet anders verwachtten of de Fransche wapenen zouden hen op staanden voet gaan wreken.

[35] Naam der courant van Camille Desmoulins.

Het is in 1790 echter niet daartoe gekomen. Den 20{sten} Februari was Jozef II gestorven, en zijn opvolger koos de partij van zich met het drievoudig verbond over België te verstaan. Hij offerde Jozefs hervormingen op en verleende een amnestie, en de drie mogendheden hielpen hem België te herwinnen. Er was geen wapengeweld voor noodig: de Statenpartij verwierf wat zij bovenal verlangde en wat zij van Frankrijk niet hopen mocht: haar behoud.

De geschiedenis van 1789 en 1790 is bij uitstek leerzaam. Zij toont aan dat, aan den vooravond van den Franschen inval die aan het bestaan van het oude België en van het oude Nederland een einde zou maken, van geneigdheid tot hartelijke toenadering bij geen van beide een spoor te ontdekken was. Niet de beide volken, maar de beide regeeringen naderden elkander voor een oogenblik, enkel uit zucht tot zelfbehoud, maar geen van beide was daarbij oprecht. De Belgen beloofden ons zaken die zij aan zichzelven verplicht waren niet te houden; wij lieten ons met hen in omdat men hen niet in de armen van Frankrijk mocht drijven, maar hadden oneindig liever dat het land onder de gehoorzaamheid aan een Keizer terugkeerde die onze voorrechten ontzag, dan dat het onafhankelijk bleef. Twee jaar echter nadat wij ons recht der Scheldesluiting zoo fraai uit de klem meenden te hebben geholpen, werd het door de Fransche Conventie voor altijd verbeurd verklaard. Tegelijkertijd vielen de welgedane magisters en prelaten, die zich in 1790 zoo over de ketterijen der Vonckisten hadden ontsteld, aan de duizendmaal erger Carmagnolen ten prooi.

* * * * *

Een punt, dat wij nog te nauwernood aanroerden, was de houding van het Oranjehuis ten opzichte der Belgische zaken. De Prinses van Oranje gevoelde zich door het aanbod van een stadhouderschap aan haar zoon gevleid, maar het is laster, dat zij ter bevordering van zulk een plan in België op alle mogelijke wijze zou hebben geintrigueerd. Haar welbewaard persoonlijk archief lijdt op dit punt het strengste onderzoek; wat de Bataafsche uitgewekenen daaromtrent destijds in honderd couranten en pamfletten hebben beweerd, en wat daaruit in tal van jongere geschriften is overgenomen, is product geweest van hun door vrees verbijsterde verbeelding[36]. In dezelfde maand waarin van de Spiegel zijn „Generaale Gronden” op het papier bracht, heeft ook de Prinses haar Belgisch program opgemaakt. Het komt met de denkbeelden van van de Spiegel nagenoeg geheel overeen, alleen verheft zij haar gemaal tot kapitein-generaal van het Belgische leger ook in vredestijd, waarbij zij de opmerking voegt, dat, waren beiden niet zoo jong, een van haar zoons gevoeglijk onder den Prins dat leger zou kunnen commandeeren[37]. Zij was dus van het denkbeeld, een van haar zoons een toekomst in België bereid te zien, niet afkeerig, maar heeft voortdurend haar wensch aan het inzicht van van de Spiegel ondergeschikt laten blijven, en zelf geen stappen tot de uitvoering van zulk een plan gedaan of laten doen, hoewel men haar hiertoe te Berlijn, waar zij in den zomer van 1789 verbleef en waar toen de verloving van den Erfprins met de dochter van Frederik Willem II beklonken werd, ongetwijfeld sterk aangemoedigd heeft. Hertzberg wenschte op dat oogenblik niets liever, dan dat het huis van Oranje zich zoo diep mogelijk in de Belgische zaken stak. Op den zeventienjarigen, eerzuchtigen Erfprins heeft dit alles ongetwijfeld een diepen indruk gemaakt. Lang voor 1814, in 1795 en 1799 reeds, heeft hij de Belgische zaken in verband gebracht met de vooruitzichten van zijn persoon en zijn huis[38]. Zoo dikwijls er sprake is van een bevrijding der Vereenigde Nederlanden en van een herstel van de stadhouderlijke familie aldaar, tracht hij betrekkingen aan te knoopen met Belgische ontevredenen; hij wil bewerken dat het Zuiden tegelijk met het Noorden opstaan, en tegelijk met het Noorden zich onder het huis van Oranje zal begeven. Eerst veel later is dit denkbeeld door Engeland overgenomen, dat hem in 1799 te dezen opzichte zelfs zeer duidelijk gedwarsboomd heeft. De Engelsche staatkunde was toen, gelijk zij het in 1789 geweest was, van de proefneming met een Oranje in België nog zeer beslist afkeerig.

[36] Ik meen dit te hebben aangetoond in de inleiding van het eerste deel mijner meervermelde Gedenkstukken, p. XLII vv.

[37] Gedenkstukken I, p. XLV. Voor „wel” leze men daar: „wil”.

[38] Zie voor 1795 het eerlang verschijnende tweede deel mijner Gedenkstukken; voor 1799 Piot in Compte-rendu Comm. Royale, 1877.

Het is merkwaardig, hoe, nadat het denkbeeld eener vereeniging eenmaal in 1789 en '90 in openbaren druk was uitgesproken, het telkens weder ergens voor den dag komt, dan hier, dan daar. De conservatieven van beide landen waren er over begonnen; de democraten werden op hunne beurt een oogenblik door het verleidelijk denkbeeld meegesleept. Onder de uitgewekenen van beide volken in Frankrijk is meermalen uitgesproken, dat men zich vereenigen moest om tegelijk de vrijheid van de Oostenrijksche en van de Vereenigde Nederlanden (en daarbij van Luik) te bevechten, en dat dan de vestiging eener groot-Nederlandsche republiek zou zijn aangewezen[39]. Het was zeer natuurlijk dat zulk een denkbeeld in dezen tijd opkwam. Men had elkander noodig tegen gelijksoortige vijanden: den Keizer en de Staten in België, den Prins en de Staten in Holland. De opwinding voor vrijheid en menschenrechten kon ook licht de groote belangen doen vergeten, welke Noord en Zuid tot dusver gescheiden hadden gehouden: die van godsdienst en handel. Een afvallig katholiek en een afvallig calvinist konden een even braaf sansculot worden, en wat maakte verschil van rijkdom uit, waar de broederschap heerschen zou? De schepping van een dergelijke groot-Nederlandsche republiek was zelfs min of meer een stokpaard van sommige redenaars der Gironde; zij scheen de natuurlijke toepassing van het axioma, dat Frankrijk door een kring van vrije republieken moest worden omringd. „Hors des limites de son empire”, zeide een rapport van Lasource, „la République française ne veut avoir d'autre domaine que la reconnaissance des peuples”[40]. Zoo luidde de theorie, maar de practijk was het decreet van 15 December 1792, vrijbrief tot een systeem van roof en brandschatting, dat de Belgen tot wanhoop dreef. Er was geen sprake van dat Frankrijk, als het van het woord tot de daad moest overgaan, de oprichting eener groot-Nederlandsche republiek een oogenblik zou kunnen gedoogen. Curieus is het, in het verslag van een onderhoud van een Noordnederlandsch uitgewekene met den Franschen minister Lebrun, in October 1792 gehouden, te lezen hoe het de Franschman is, die de vereeniging aanprijst, en de Hollander, die ten antwoord geeft: „wij weten immers veel te goed dat Frankrijk het nooit toelaten zal”[41]. Als dan ook in het begin van 1795 door de Bataafsche gezanten te Parijs een intrigue met een Brusselaar in deze richting wordt opgezet, volgt van de zijde van het Comité de Salut Public een heftige snauw, en worden de gezanten door hun eigen regeering in den Haag oogenblikkelijk gedesavoueerd. Zij waren dan ook hun instructie te buiten gegaan, die hen voorschreef het niet op de verwerving, maar op de verdeeling van België toe te leggen. Er gingen in Frankrijk toen nog enkele stemmen op, om zich met een grensverbetering tevreden te stellen, en niet gansch België in te lijven; de instructie nu, een werk van Pieter Paulus, vraagt voor de Bataafsche Republiek de Vlaamsche kust tot Nieuwpoort, en verder alles wat ten Noorden eener lijn Nieuwpoort–Yperen–Kortrijk–Gent–Dendermonde–Antwerpen–Maastricht–Venlo–Wezel ligt[42]. Die een dergelijken moordaanslag op België beraamt, is zeker niet met „broederschap” voor dat land vervuld. Doch wel verre van over zulk een verdeeling ook maar te spreken, nam Frankrijk, dat heel België voor zich behield, ons ook nog een stuk van ons eigen gebied af, waarvoor het ons een vergoeding toezegde in het Oosten, in Kleefs- en Munsterland, die nimmer is toegewezen.

[39] Gedenkstukken I, p. XXXV, 36, 43, 51–54, 463, 693–'98.

[40] Sorel, l'Europe et la Révolution française, III, 154.

[41] Gedenkstukken I, 43.

[42] Gedenkstukken I, 662.

Ook in België waren de tijden er niet naar, om aan iets anders dan eigen lijfsbehoud te denken, maar, minder gelukkig dan het voorwaar reeds niet fortuinlijke Nederland, zag het zelfs geen mogelijkheid althans den schijn van een zelfstandig bestaan te redden. Het land was, na twee invallen der Fransche legers en der Fransche Conventie-commissarissen, ongeveer tot vertwijfeling gebracht. Het verzocht zelf om bij Frankrijk te worden ingelijfd. „La réunion de la Belgique à la France”, zegt een rapport van den commissaris Haussmann van 27 Februari 1795, „est généralement désirée; ceux mêmes qui n'étaient pas pour le système républicain, sentent que le salut de la Belgique dépend de cette réunion”. De representant Lesage d'Eure-et-Loir kwam er later in de Conventie voor uit, wat deze raadselspreuk beteekende. „Des députés belges m'ont dit”, zeide hij: „Vous nous avez rendus tellement malheureux, l'état d'incertitude, d'anxiété, de peine où vous nous retenez encore est tellement insupportable, que nous aimons encore mieux être à la France que de rester comme nous sommes”[43]. Bij decreet van 1 October 1795 sprak de Conventie de inlijving uit, op een rapport van Merlin de Douai, dat de zwakheid van eene Belgische, en de kracht van eene Belgisch-Hollandsche republiek, gelijkelijk een gevaar voor Frankrijk noemde, en de noodzakelijkheid van Frankrijks uitbreiding tot den Rijn als een staatkundig dogma consacreerde. De revolutie had dus de scheiding van België en Holland opnieuw bevestigd. Doch meer theoretisch dan practisch: in werkelijkheid was Hollands onafhankelijkheid een ietwat verzachte onderwerping, tot in 1810 ook dit verschil in graad werd opgeheven.

[43] Borgnet, Histoire des Belges à la fin du XVIIIe siècle, II, 394.

* * * * *

Men doet zeer verkeerd het voor te stellen, gelijk kort na de restauratie gebruikelijk was, of Holland en België den Franschen invloed zeer onwillig hebben ondergaan, en sedert 1795 slechts gesnakt hebben naar het oogenblik der verlossing. Daartoe beteekende het Fransche régime in te veel opzichten een verbetering. Aan België's nijverheid opende het een enorm afzetgebied, dat gesloten was voor de Engelsche mededinging; aan Holland bracht het de een- en ondeelbaarheid, die het land voor zijn voortbestaan zoo dringend behoefde, en die het niet vermocht had bij zichzelf te ontwikkelen. Allerlei oude instellingen werden opgeruimd, waaronder het meeste inderdaad volkomen versleten was en na 1813 niet weer levend gemaakt is kunnen worden. Napoleon heeft in Holland enkele geestdriftige dienaars gehad, als Verhuell. In 1799, toen de Engelschen en Russen een landing deden, en de Erfprins van Oranje naar den Helder kwam, bleek het dat Holland van een eenvoudigen terugkeer tot het oude hoegenaamd niet weten wilde. In België behield de boerenbeweging tegen de conscriptie en voor de geestelijkheid (in 1798 en '99) een Vendée-karakter; de beschaafden namen er geen deel aan. De gewezen Jozefisten en Vonckisten stemden over het geheel met den geest der Fransche regeering in; de conservatieven gehoorzaamden zonder te luid te durven morren. Maar naarmate Napoleon's bewind ontaardde, groeiden diep in het hart de schaamte en de wrok. Men verlaagde zich tot al de vleierijen die de dwingeland maar verlangde, maar zoodra hij niet meer de sterkste was, wreekte zich de geschonden menschelijke natuur. In België deden de conscriptie, en zijn anti-kerkelijke politiek der latere jaren hem wel het meeste kwaad, in Holland de conscriptie, de tiërceering en het continentaal stelsel.

In 1813 nu kwam uit, hoeveel Holland in zijn geschiedenis der laatste eeuwen op België voor had. Het kon veel gemakkelijker dan België een nationaal middelpunt vinden. Het riep den Prins van Oranje terug. België kon op zijn best Oostenrijk inroepen, maar Oostenrijk wilde niet eenmaal ingeroepen zijn. Oranje daarentegen verlangde niet beter.

Het had hard geboet voor 1787 en 1799. De man, die op den laatsten November 1813 te Scheveningen voet aan wal zette, behoorde met zijn geheele wezen tot een anderen tijd als de in 1795 gevluchte vader. Aanstonds na die vlucht was tusschen Willem V en den Erfprins verschil van meening ontstaan over de tegenover de omwenteling aan te nemen houding. Willem V weigerde alles, zoo het niet op volledig herstel van het oude neerkwam, en hield zich aan Engeland, de eenige macht die mede dit volledig herstel zeide te beoogen. De zoon vestigde zijn hoop op Pruisen, en nam zijn vaste woonplaats te Berlijn. Hij begreep de noodzakelijkheid, een nieuwen staat van zaken te doen rusten op de instemming der gematigden van alle partijen. In 1799 bleek dan ook, dat de patriotten, zoo de Franschen de nederlaag hadden geleden, zich niet zouden onttrokken hebben aan een poging om zich met hem te verstaan. Van een weder aannemen van Willem V was bij niemand van hen sprake. Maar de Franschen overwonnen, en het huis van Oranje moest een heenkomen zoeken in de wereld. Weldra kondigde Engeland aan, dat het voorshands alle pogingen tot restauratie opgaf. Napoleon, die als Consul bij den vrede van Amiens zich tot schadevergoeding voor het stadhouderschap verplicht had, gaf niet meer dan een vrij armzalig brok, dat hij als Keizer in 1806 weder terugnam. Tegelijk werd Pruisen lamgeslagen, de macht waarop de Prins van Oranje[44] bij voorkeur had gebouwd. De toekomst van het Oranjehuis kon slechts in de vernedering van Napoleon, en deze slechts in de overwinning van Engeland liggen; met Engeland moest dus de Prins weder aanknoopen. Hij beproefde het jaar op jaar, maar Engeland gedroeg zich te zijnen opzichte meer dan koel. Het ontving wel 's Prinsen zoon, naar Oxford gezonden om een Engelsche opvoeding te genieten, maar aan den vader scheen men niets te willen vergeven. In den zoon zag men een geschikt kandidaat voor de hand van prinses Charlotte, lang voor omtrent een eventueel herstel van den vader iets was bepaald.

[44] Prins sedert den dood van Willem V, 9 April 1806.

Eerst na Napoleon's nederlaag in Rusland kwam hierin verandering. De Prins van Oranje, begrijpend dat het nu of nooit de tijd was tot een verklaring met het Britsche kabinet te komen, stak in het begin van 1813 zonder verlof gevraagd te hebben naar Engeland over; hij deed het met voorweten en goedvinden van Frederik Willem III en Alexander. Sedert Pruisen was opgestaan en zich met Rusland verbonden had, was een bevrijding van Nederland binnen de grenzen van het mogelijke komen te liggen; Engeland onttrok zich nu ook niet langer aan een bespreking met het natuurlijke hoofd eener nieuwe Nederlandsche regeering, al had het ook zorg gedragen zich tegenover een zoo eigenzinnig en vasthoudend man als men wist dat de Prins was, vooral niet te vroeg te binden. Het stelde hem thans, informeel, de volgende voorwaarden: herstel in een uitgebreider Nederland, dat niet al de overzeesche bezittingen van de oude Republiek zou terug bekomen. De Prins nam, bij een 27 April 1813 gedagteekend stuk, beide voorwaarden aan[45].

[45] „Extension des frontières de la Hollande, soit par une sorte de nouvelle _Barrière_ plus efficace que l'ancienne, soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République.”—De Prins zal afwachten, „jusqu'à quel point la Grande Bretagne croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet état régénéré des colonies hollandaises dont Elle a fait la conquête pendant la guerre” (Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813).—Dit stuk zal door mij worden uitgegeven in het vervolg der meergemelde Gedenkstukken.

Engeland, door 1792 en 1794 geleerd, wilde België in handen zien van een macht, die er voortdurend het hoogste belang bij hebben zou, dit land tegen Frankrijk te verdedigen. Oostenrijk kon die macht niet zijn, Holland wel. Men rekende dat het, met België vereenigd, middelen genoeg had om een krachtige verdediging tegen Frankrijk te voeren; voor zooveel noodig kon Engeland bijdragen in de kosten van vestingbouw op het zuiderfrontier. Daarentegen had Holland geen zeemacht van belang meer, en geen middelen om er een te scheppen. Het was dus niet de macht, aan welke met vertrouwen de verdediging van de Kaap en Ceylon tegen Frankrijk kon worden overgelaten. De Kaap en Ceylon in zwakke handen waren een bedreiging van Engelands bezit in Indië, zonder hetwelk Engeland rekende niet meer te kunnen bestaan. Sedert Suffren in 1782, op de Kaap en Ceylon gesteund, den voor Engeland zoo hoogst gevaarlijken scheepstocht tegen Indië had kunnen ondernemen, had men te Londen ingezien, dat deze beide koloniën bij de eerste gelegenheid de beste Engelsch moesten worden. Ware het mogelijk geweest ze nog vóór 1784 te veroveren, zij zouden zeker niet bij den vrede teruggegeven zijn. In 1795 overreedde Engeland Prins Willem V, alle gouverneurs van Nederlandsche bezittingen tot vrijwillige inbewaargeving hunner posten aan Engeland aan te schrijven; voldeden zij hieraan, dan zou Engeland, bij een te verwachten herstel der „wettige regeering” in Nederland, aan deze de koloniën teruggeven. Deze belofte van 1795 kon echter in 1813 niet tegen Engeland worden ingeroepen, vooreerst omdat in verreweg de meeste koloniën geen ~vrijwillige~ inbewaargeving had plaats gehad, maar ook omdat beide contractanten van 1795, Engeland en de Prins, in of na 1802 het begrip der „onwettigheid” van de Bataafsche regeering hadden prijsgegeven: beiden hadden tractaten met haar gesloten[46]. Bij den vrede van 1802 had Engeland alle Nederlandsche koloniën die het veroverd had, of waarin het toegelaten was, aan de Bataafsche Republiek afgestaan, op Ceylon na, dat uitdrukkelijk in vollen eigendom aan Engeland werd gelaten. Sedert de hervatting der vijandelijkheden in 1803 waren alle bij den vrede van 1802 Bataafsch geworden koloniën weder met de wapenen door Engeland veroverd, zonder dat eenige toezegging hoegenaamd van latere teruggave was gedaan. Formeel noch moreel was Engeland thans tot teruggave van eenige kolonie verplicht, en het was vast besloten, behalve het reeds in 1802 bij tractaat afgestane Ceylon, ook de Kaap te houden. Volstrekt niet uitgemaakt was het evenwel in 1813, dat tevens Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland zouden blijven[47]; de sterke aandrang der Engelsche belanghebbenden in 1814, en de gebleken noodzaak om, in ruil voor Zwedens afstand van Guadeloupe aan Frankrijk, en voor Ruslands bewilliging in de vereeniging van Holland en België, groote opofferingen in geld te doen, zijn voorzeker van overwegenden invloed op de eindbeslissing geweest. Bij de overeenkomst in April 1813 is niet uitgemaakt, ~welke~ koloniën zouden worden teruggegeven; slechts erkende de Prins het recht van Engeland, om alleen af te staan wat het zelf verkoos. Het heeft den Oostindischen archipel teruggegeven, tegen welks kostbaar beheer toen door de Engelsche Oostindische Compagnie werd opgezien (zij had met Engelsch-Indië de handen vol), terwijl men wist dat Holland meende Java en de Molukken niet te kunnen missen, en dus de niet-teruggave Holland zoodanig zou hebben doen mokken, dat het ongeschikt werd voor de bevordering van Engelands oogmerken op het vasteland;—verder Suriname, de eenige van de oud-Nederlandsche bezittingen in Guyana, waarbij het Engelsch kapitaal nog niet in overwegende mate was geïnteresseerd;—de Westindische eilanden en de Goudkust, welke van ondergeschikt belang werden geacht. Daarentegen zegde Engeland een bijdrage van twee millioen pond toe in de kosten van den vestingbouw tegen Frankrijk; keerde het aan Zweden, tot afkoop eener door deze macht wegens den afstand van Guadeloupe gemaakte aanspraak op schadevergoeding met oud-Nederlandsche bezittingen in West-Indië, een millioen pond uit, en nam het de betaling op zich van de helft eener schuld van zes millioen pond, welke Rusland had aangegaan te Amsterdam (tractaat van 13 Augustus 1814). Holland heeft dus de Kaap niet aan Engeland verkocht, om de goede reden dat het die niet had. Het ~kon~ geen enkele kolonie aan Engeland meer verkoopen. Het bekwam er enkele van Engeland terug, op voorwaarde dat het in de vereeniging met België toestemde, de grens van België tegen Frankrijk zwaar versterkte (voor de helft op zijn eigen kosten), en de wederhelft der schuld van zes millioen pond van Rusland overnam. Had het zich aan deze voorwaarden willen onttrekken, het zou zeker Java niet hebben teruggekregen. Ook is er geen sprake van dat het de Kaap zou terugbekomen hebben, indien het tot zijn eigen grondgebied beperkt ware gebleven. De gansche zaak is geen koop en verkoop geweest (al heeft de Engelsche regeering er in het tractaat, ter ontlasting van haar verantwoordelijkheid tegenover het parlement, dien schijn aan gegeven), maar een gedwongen ruil.

[46] Dat van 1804, over de particuliere bezittingen van het huis van Oranje, is nimmer van kracht geworden, daar de Bataafsche Republiek op verlangen van Napoleon de ratificatie weigerde. Het was evenwel door den Prins geratificeerd.

[47] Vgl. Lord Malmesbury aan Fagel, 3 Dec. 1813, bij van Deventer, Het Nederlandsch Gezag over Java sedert 1811, bl. 25.

Behalve het beginsel van vergrooting van Nederlands grondgebied, en dat van gedeeltelijke teruggave der Nederlandsche koloniën, werd in April 1813 nog een derde punt tusschen den Prins en Engeland vastgesteld. De vergrooting van Holland zou geen doel treffen, indien men tot Hollands ouden regeeringsvorm terugkeerde, die het uitvoerend gezag verdeeld en verlamd had. Er werd dus bepaald, dat men niet eenvoudig den toestand van vóór 1795 zou herstellen, maar een regeering invoeren die gelijkelijk aan de wenschen der Hollandsche natie en aan die der mogendheden voldeed[48]. De titel, dien de Prins zou aannemen, werd nog in het midden gelaten. Hoever men met de uitbreiding van grondgebied, hoe hoog men in de verheffing van den Prins zou gaan, moest van omstandigheden afhangen: van het succes der wapenen, van de bewilliging der bondgenooten, en, wat de aanvaarding der souvereiniteit betreft, van de stemming in Holland zelf. Het bleek weldra dat deze juist in de souvereiniteit van het huis van Oranje een waarborg zag tegen herleving der oude partijgeschillen. Toen dan ook in November 1813 Repelaer namens het Haagsch comité van den opstand bij den Prins in Engeland kwam, zeide deze dat men in Holland twee zaken verlangen moest: handhaving der sedert 1795 bestaande gelijkheid van alle gezindten voor de wet, en aanvaarding der souvereiniteit. De Prins zeide het eerste grif toe; het andere niet dadelijk. De keus van een titel hing met de voorgenomen uitbreiding van grondgebied samen, en eer hij van deze laatste in het openbaar kon spreken, moest allereerst België op de Franschen veroverd en de toestemming der bondgenooten voor de vereeniging verkregen zijn. Dit nu was in November 1813 nog niet het geval. Toen het echter bleek dat Engeland evenzeer als de Hollanders de onmiddellijke aanvaarding der souvereiniteit wenschte, bepaalde hij voorloopig zijn keus op den titel van „Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden”, welke hem dan ook dadelijk bij zijn komst in het land is aangeboden.

[48] „Un système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation”.

Reeds vóór de opstand in Holland uitbrak, was Engeland begonnen het punt der uitbreiding van grondgebied bij de bondgenooten in te leiden. Het eerste wat het te kennen gaf was, dat Antwerpen bij Holland moest worden gevoegd met zooveel gebied als noodig was om aan dit land een goed verdedigbare grens te geven[49]. Van aanhechting van België in zijn geheel werd niet gesproken. De gedachte die dezen voorslag had ingegeven, was, dat in ieder geval het „pistool”, dat Napoleon in Antwerpen „op Engelands borst” hield gericht, ontladen moest worden, ook al bleek het niet mogelijk, Frankrijk geheel tot de grenzen van 1792 terug te brengen. Het was niet uitgesloten, dat men in de eischen ten behoeve van Holland verder zou gaan, als heel België vrij kwam, en Oostenrijk er geen aartshertog in plaatsen wilde. De Prins van Oranje wees reeds op het belang Luxemburg en Gulik voor de verdediging der Nederlanden, en wilde dat de uitbreiding gansch België en al het land tusschen Maas, Rijn en Moezel zou omvatten[50]. Dit stemde Lord Castlereagh niet toe, maar hij was toch zeer gunstig gezind. „De nieuwe grens van Holland moet minstens Mechelen insluiten”, heet het kort na den Haagschen opstand, „vervolgens Maastricht en Gulik, en dan Keulen of ten minste Dusseldorp; wellicht moet ook Luxemburg er bij”[51]. Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door zijn zendelingen België mocht bewerken[52]. De Engelsche regeering ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden gehoord. Hiertoe vertrok Lord Castlereagh in de laatste dagen van 1813 naar het vasteland. Den 26{sten} December had de ministerraad plaats, waarin zijn instructie werd vastgesteld. Men bepaalde, dat Castlereagh voor Holland een barrière zou vragen, die voor het minst zou omvatten Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke” uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap zou houden, maar „daarvoor” Holland geld bieden om zijn barrière te versterken; dat men zou onderzoeken of Oostenrijk oogmerken had op de rest van België voor aartshertog Karel; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen van België af moest houden[53]. Castlereagh nam zijn weg over den Haag, waar de Prins hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken opwachtte[54]. Er kwamen uit België, meende de Prins, reeds gunstige stemmen[55]. Zelfs waren twee Gentenaars, de „propriétaire” Huyttens en de katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden. Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven, hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en de uiterste clericale factie zoowel als de verklaarde Franschgezinden mijden[56].

[49] „Memorandum respecting Holland, submitted to the Powers”, einde October 1813 (F. O.), in Fransche vertaling bij van Dijk, Répertoire des traités conclus par la Hollande, bl. 66.—Met F. O., A. E., v. M. duid ik afschriften aan in het bezit der Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, genomen naar bescheiden uit de archieven van het Foreign Office te Londen, van het departement der Affaires Etrangères te Parijs, en uit de nalatenschap van van Maanen (Rijksarchief, den Haag). Al de dus aangehaalde stukken worden gedrukt in het vervolg mijner meervermelde uitgave.

[50] De Prins van Oranje aan Castlereagh, 9 Nov. 1813 (F. O.).

[51] Castlereagh aan Clancarty, 30 Nov. 1813 (F. O.).

[52] Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813 („whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government of H. R. H. the Prince of Orange”).

[53] „The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies” (Memorandum of Cabinet, 26 Dec. 1813; F. O.).

[54] „La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire” (Haagsch memorandum van 26 Dec. 1813; F. O.).

[55] „Que l'on promulgue que la religion catholique s'exercera comme du tems de Marie Thérèse, que jamais ils ne relèveront en fait de religion que du Saint-Père, que l'on abolisse la conscription et la gabelle, et tout ce bon et brave peuple ne demandera que de partager le bonheur d'être gouverné par un Prince d'Orange” (memorandum van J. C. Amman van Schwanberg, Dec. 1813; copie in F. O.).—Schrijver was een artillerie-officier, in het land gekomen in 1789 tijdens de Brabantsche omwenteling en daar blijven hangen. Hij werd in Maart 1814 door de geallieerden aan het hoofd van de artillerie van het toen opgericht Belgisch leger gesteld (zie Coremans in Compte-rendu Comm. Royale, 1847, bl. 155).

[56] Hogendorp, Br. en Ged. V, 53, 208; het antwoord van den Prins aldaar, 480.—Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande, 1813–1814 (Paris 1905), bl. 122 vv. Huyttens was ondernemer der stadsverlichting te Gent.

Toen Castlereagh bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek het onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel[57], maar dat Pruisen het land tusschen Maas, Rijn en Moezel voor zich verlangde. Een eisch waartegen Engeland in hoofdzaak geen bezwaar had[58], immers nu Oostenrijk zich van de Fransche grens terugtrok, wilde men gaarne de andere groote Duitsche macht tot aan die grens uitbreiden. Liefst zou nu Engeland aan Pruisen beide Luxemburg en Mainz bezorgen, mits het lager af op den linker Rijnoever eenig gebied aan Holland liet, welks nieuwe grens dan zou kunnen samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht, Gulik en Keulen. Den 27{sten} Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst vast van dit gebied, voor zoover het bewesten de Maas viel, de voorloopige administratie hebben mocht. Oostenrijk maakte geen bezwaar; Pruisen echter wilde vooralsnog aan den Souvereinen Vorst slechts de administratie der departementen van de Leie, van de Schelde en van de beide Nethen overlaten (de tegenwoordige provinciën West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen)[59]. Tegen toekomstige uitbreiding van zijn gebied tot de Maas evenwel werd ook van die zijde geen bezwaar gemaakt. Castlereagh gaf thans verlof, dat de Souvereine Vorst aanving, België „op een bedaarde manier” in zijn voordeel te bewerken[60].

[57] Castlereagh aan Clancarty, 22 Jan. 1814 (F. O.).

[58] „I doubt much the policy of making Holland a power of the first order, to which she would approach if she possessed the whole of these territories” (Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814; F. O.).

[59] Stein aan Castlereagh, 27 Jan. 1814 (F. O.).

[60] „With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe” (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr. 1814; F. O.).

Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, van Zuylen van Nyevelt, reisde in het gevolg der troepen van von Bülow en van den hertog van Saksen-Weimar het land rond, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde vliegende blaadjes, op dubbele kolom in het Vlaamsch en in het Fransch gedrukt, waarbij het volk tot den opstand werd aangespoord om zich vervolgens met het Noorden te kunnen vereenigen[61]. Een sedert eenige jaren te Brussel wonend Hollander, graaf van Bylandt, schreef brochure op brochure van dezelfde strekking[62]. Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar den 8{sten} Februari Brussel binnentrokken, was behalve de hertog van Clarence ook prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hun zijde[63]. De stad onthaalde de bevrijders op een schouwburgvoorstelling; halverwege den avond vertrokken Bülow en de hertog van Weimar; de hertog van Clarence liet „God save the King” spelen; applaus. Maar de hertog was achter in zijn loge teruggedoken, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen. Het publiek had het niet zoo bedoeld[64]. De Engelsche gezant in den Haag, Lord Clancarty, nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de Souvereine Vorst in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie bijeen te trommelen, die den Souvereinen Vorst haar opwachting zou gaan maken in den Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in tegenwoordigheid van den Souvereinen Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp, harde woorden[65].

[61] „Que le seizième siècle instruise le dix-neuvième.... Que sous Guillaume VI il nous soit réservé de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort. S'il est vrai ce que nos politiques de Bruxelles assurent que l' _uti possidetis_ en sera la base, dépossédons l'usurpateur de son illégitime possession, et nous aurons une patrie” (Lettre interceptée d'un seigneur de Bruxelles à un de ses amis à Gand, 7 janvier 1814; een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr. 1814; F. O.).

[62] Hogendorp V, 54; overzicht van den inhoud bij Hymans, Hist. de la Belgique I, 53, 71.

[63] Coremans (bl. 133) en Hymans (bl. 44) meenen verkeerdelijk dat het de oudste zoon, de latere Prins van Oranje, was.

[64] „Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune prince d'Orange. Cette scène a fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814; afschrift in F. O.). Vgl. Hogendorp V, 56.

[65] Clancarty aan Castlereagh, 9 Febr. 1814 (F. O.); vgl. Hogendorp V, 54.—„The Prince of Orange has been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the Austrian Low Countries to tender the sovereignty of those provinces to him; in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will consult their interests, these movements have had little effect, and indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all” (Clancarty aan Hamilton, 9 Febr. 1814; F. O.).—Vgl. Fauchille, bl. 180.

Intusschen kon van een voorloopig gouvernement van den Souvereinen Vorst in België, uit te oefenen op naam der geallieerden, voor het oogenblik geen sprake meer zijn: onmiddellijk toen Bülow en de hertog van Weimar te Brussel kwamen, hadden dezen er reeds een voorloopig bestuur ingericht[66], waarbij eerlang twee Pruisische commissarissen optraden, von Lottum en Delius. Van den Souvereinen Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit was voor dezen te bedenkelijker, daar Bülow en de hertog van Weimar de Belgen toeriepen, dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig meer was[67]. De Belgen konden hieronder kwalijk iets anders verstaan, dan dat de toestand van vóór 1795 zou terugkeeren, hetgeen niet in de bedoeling van de stellers der proclamatie lag, die aan onafhankelijkheid ten opzichte van Frankrijk hadden gedacht. Van vereeniging met Holland hadden zij ook kwalijk kunnen spreken: de bondgenooten hadden zich nog slechts bij voorloopige toezegging, niet bij uitdrukkelijke acte tot goedkeuring van Engelands plan verbonden. Rusland had ook de voorloopige toezegging nog niet gegeven. Het treuzelde opzettelijk in deze zaak, met het oogmerk zich voor zijn toestemming te doen betalen.

[66] Coremans, bl. 135.

[67] „Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....; l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4 Februari; Coremans bl. 133).

Den 15{den} Februari waren de onderhandelingen van Castlereagh met de bondgenooten, die over tal van zaken liepen, waaronder die van België er maar één was, zóóver gevorderd, dat hij hun eenige artikelen ter teekening kon voorleggen. Die welke het Hollandsch-Belgische vraagstuk betroffen, luidden als volgt: België tot de Maas, benevens het land tusschen Maas en Rijn benoorden een lijn Maastricht–Duren–Keulen, worden afgestaan aan den Prins van Oranje als Souverein Vorst der Vereenigde Nederlanden om voor altijd een integreerend deel van dien staat uit te maken[68]; over de andere helft van het land tusschen Maas, Rijn en Moezel zal, zoo het niet in zijn geheel of ten deele bij Holland wordt ingelijfd, beschikt worden in het belang van de veiligheid van dien staat en van Noordduitschland, en niet zonder goedvinden van Zijne Britsche Majesteit.—Oostenrijk teekende onmiddellijk; Pruisen met een voorbehoud: het wilde, zoo het zelf tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het land benoorden de lijn Keulen-Maastricht aan Holland laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie niet afgesloten zou komen te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van den Beneden-Rijn. Rusland teekende niets, en kwam met den eisch, dat in ruil voor zijn toestemming, Holland een schuld van tachtig millioen gulden, door Rusland te Amsterdam aangegaan, zou overnemen[69]. Deze zaak gaf tot een langdurige onderhandeling tusschen Engeland en Rusland aanleiding, die hiermede eindigde, dat Engeland op zich nam Holland tot overneming van de helft eener tot zes millioen pond teruggebrachte som te bewegen, en dat het zelf de andere helft zou voldoen.

[68] „To be annexed for ever to Holland as an integral part thereof.”

[69] Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (F. O.).

Was dus Rusland met geld tevreden te stellen, moeilijker was het, tusschen de aanspraken van Pruisen en die van den Souvereinen Vorst te bemiddelen. Wat Pruisen met zijn voorbehoud bedoelde, zette Hardenberg weldra in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst de oude Pruisische bezittingen op den linker-Rijnoever terug, en wilde den ganschen Rijn van Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken, waarvan beide oevers tot denzelfden staat zouden behooren. Hiertoe was noodig dat de verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan Nassau-Oranje er een was), hun bezittingen aan Pruisen afstonden. Nassau-Usingen en Nassau-Weilburg zouden dan worden schadeloos gesteld op den linker Rijnoever, tusschen Aken en Spa. Nassau-Oranje vond zijn schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts kleine halvemanen komen tegenover de vestingen Venlo, Roermond, Maastricht en Luik, voorts Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om deze laatste vesting aan Holland te brengen zou de grens bij Val St. Lambert de Maas verlaten en dan den weg volgen over Marche en Famine, Bastogne, Martelange en Arlon naar Luxemburg; daarentegen zouden eenige kantons van Henegouwen en Namen aan Frankrijk worden afgestaan, dat geen behoorlijke verbinding had tusschen Givet, Philippeville, Maubeuge en Valenciennes[70]. Terwijl dus Pruisen niet in eerste linie tegen Frankrijk wilde staan, begeerde het beide Rijnoevers tot de oude grens van Nederland toe, en daaronder ook het Nassausche gebied van den Souvereinen Vorst, dat deze wel gaarne had geruild, maar dan tegen een land lager aan den rechter Rijnoever, en tegenover de (gehoopte) nieuwe grens van Holland gelegen: het hertogdom Berg[71].

[70] „Plan pour l'arrangement futur de l'Europe”, 28 April 1814 (F. O.).

[71] Heinrich von Gagern, Das Leben des Generals Friedrich von Gagern, I, 137.

Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht, werd door een ander vervangen, maar niet door het zijne. In het hoofdkwartier te Chaumont was een deputatie van Belgische aanzienlijken verschenen (de hertog van Beaufort, de markiezen van Assche en du Chasteler, en de gewezen pensionaris van Brabant, de Jonghe), om van de bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn[72]. Zij hielden bij Keizer Frans aan, dat deze België onder zijn hoede nemen zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een Oostenrijkschen prins. De Keizer nam alle hoop weg dat hijzelf weder hun vorst worden kon, maar het andere verzoek sloeg hij aanvankelijk niet onvoorwaardelijk af. De overige bondgenooten evenwel waren er eenstemmig tegen, en men gaf dus aan de deputatie mondeling te verstaan, dat de toekomstige vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was[73]. Om de Belgen echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd het Pruisisch voorloopig bestuur door een Oostenrijksch vervangen; tevens gaf men hun schriftelijk, doch in zeer rekbare uitdrukkingen, de verzekering dat door de bondgenooten op de belangen van België zou worden gelet, in het bizonder wat betreft godsdienst, handel, overneming van schulden, en vertegenwoordiging[74]. De nieuwe commissaris der bondgenooten was een Oostenrijksch generaal, baron Vincent, Belg van geboorte. Hem werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk mogelijk op de vereeniging met Holland voor te bereiden[75].

[72] Zij waren afgevaardigd door de vergadering van 24 notabelen, die de hertog van Saksen-Weimar den 12den Februari te Brussel had bijeengeroepen (Coremans, bl. 135).

[73] Castlereagh aan Clancarty, 14 Maart 1814 (F. O.).

[74] „Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la religion du peuple, de protéger son commerce contre toute entrave contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur haute influence et autorité pour procurer au peuple belgique une existence politique propre à lui assurer les avantages d'un système de gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir” (Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814; F. O.).

[75] Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (F. O.).

Een gevoel van onbehagen en onzekerheid maakte zich van de Belgen meester. Wat hun het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het Noorden besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen; met een door en door burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met lieden die drie modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het meest met de vereeniging op hadden, waren de gezeten liberale burgers, fabrikanten, „acquéreurs de biens nationaux”, zooals de heeren Huyttens en Bauwens. Maar hun nijverheid verloor het groote Fransche afzetgebied, en wist niet wat zij er voor terug zou krijgen. De bondgenooten hadden de afgezanten met vage beloften afgescheept: over de hoogste belangen van het land zou worden beslist, zonder dat één Belg stem in het kapittel had. Onderwijl werd de weinig militaire natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger, en tot het onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Het klagen over de afpersingen van vreemde troepen was den Belgen een tweede natuur geworden; zij bereikten er een ongeëvenaarde virtuositeit in. De historie had hun maar al te veel gelegenheid gegeven, deze gave bij zich te ontwikkelen. Hadden wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de raad van het departement van de Dijle, om ons armen te beschermen![76] En onderwijl drongen de meest verontrustende geruchten door omtrent de aanstaande verdeeling van bij elkander behoorende landen. Bleef men er bij, de Maas tot grens aan te nemen, dan werden oud-Namen en oud-Luik in tweeën gereten, waardoor tal van belangen werden geschaad[77].

[76] „Qu'il il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le conjurant de sauver son peuple prêt à périr!” (Le Conseil général du département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1815; F. O.).

[77] Verschillende adressen uit de Maasstreek (F. O.).

De ingenomenheid was in het Noorden weinig grooter. De zaak werd daar in diep geheim behandeld, zelfs voor de leden der commissie aan welke de Souvereine Vorst het ontwerpen eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden had opgedragen. Zij lekte niettemin uit, en ten slotte gaf Hogendorp er de grondwetcommissie in algemeene termen kennis van. Bij een van haar leden, Röell, Amsterdammer in zijn hart, kwam toen zoo groote weerzin tegen het denkbeeld op, dat hij beproefde er Hogendorp en den Souvereinen Vorst van af te brengen, althans van een vereeniging onder één huishouding. Hij kreeg ten antwoord, „dat het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen staat, niet kon worden bereikt dan door éénheid”[78]. Bij het vaststellen van enkele artikelen der grondwet is het waarschijnlijk vooral de gedachte aan de toekomstige vereeniging geweest, die de stem der leden bepaald heeft; zoo b.v. bij het artikel dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst eischte; een bepaling die den Souvereinen Vorst persoonlijk niet aangenaam was, maar die hij staan liet op dringende waarschuwing, dat anders een aantal notabelen alleen hierom tegen de grondwet zouden stemmen[79].

[78] Briefwisseling tusschen Röell en van Maanen (v. M.).

[79] Hogendorp V, 87.—„Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir krijgen, zullen wij gereformeerden het onderspit delven” (van Lynden van Blitterswijk in de commissie; bij van Maanen, Aanteekeningen bl. 86).

Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen, en konden zij den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar natuurlijk nog niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan een Europeesch congres. Het vredestractaat, van 30 Mei, bepaalde ten aanzien van de Hollandsch-Belgische zaken niet meer, dan dat Holland zou worden vergroot met België tot de Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever zou worden geregeld, „naar vereisch eener goede verdediging van Holland en van zijn naburen”; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert 1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan Pruisen en aan andere Duitsche staten. De kwestie tusschen Holland en Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg, Namen en Luik ongedeeld zou laten. België kon alleen met het tractaat tevreden zijn, in zooverre de onzekerheid omtrent 's lands toekomst verminderd was, en dit was weinig. Men wist nu dat men onder den Oranjevorst kwam, maar van de voorwaarden ter verzekering van de Belgische belangen, aan de deputatie te Chaumont beloofd, was in het tractaat niets te vinden.

De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop den 20{sten} Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van hemzelven afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met het antwoord aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden had met bezwaren, die van Belgische zijde aan zijn gezant bij het voorloopig bestuur te Brussel, van der Capellen, waren opgegeven[80]. Men had daar, behalve van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel, schulden en vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en van het onderhoud der Hollandsche dijken gesproken, 't welk men, van plaatselijke Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het gemeene land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft, verwees men de Belgen naar de artikelen der Hollandsche constitutie, die de gelijkstelling der gezindten uitspraken voor de wet, en de gelijke benoembaarheid van alle ingezetenen tot staatsambten. Verder verklaarde de vorst zich voor een volkomen gemeenmaking van lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en vrije vaart op de Hollandsche koloniën; amalgama van schulden. De beide helften zouden in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een gelijk getal[81]. De vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel doorbrengen, en de vergaderingen der Staten-Generaal zouden afwisselend gehouden worden in een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden[82]. De vereeniging zou dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet zou voor het geheele rijk gelden, „modifiée d'un commun accord d'après les nouvelles circonstances”.

[80] Er bestaan van de bekende „acht artikelen van Londen” vier staten. Zij zijn in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf, in een brief aan van Nagell van 16 Mei, vervolgens door van Nagell in diplomatieken vorm gebracht 20 Mei; met behulp van dit stuk is een nota opgemaakt, welke Lord Clancarty 25 Mei te Parijs aan de goedkeuring van de Souvereinen Vorst onderwierp, welk stuk deze op 30 Mei beantwoordde met de toezending der acht artikelen in den definitieven vorm, zooals zij, naar de aanwijzingen van den vorst, door Falck geredigeerd waren. Deze acht artikelen werden 31 Mei door Lord Clancarty voorgelegd aan Metternich, Nesselrode en Hardenberg; zij zijn, zonder eenige verandering, 20 Juni 1814 te Londen gearresteerd, en daarop 21 Juli door hun auteur, den Souvereinen Vorst, officiëel aangenomen.

[81] Zoo in het stuk van 20 Mei; in de acht artikelen: „les provinces belges seront convenablement représentées”.

[82] Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat de beide helften ieder een afzonderlijken Raad van State zullen hebben.—Niet in de acht artikelen overgenomen.

Het aanvankelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen te vernemen. Een voorstel in dezen geest was nog 16 Mei namens de verbondenen door Lord Castlereagh naar den Haag afgezonden[83]. De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel gevaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was vertrokken om de zaak te verhinderen[84]. De Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord, meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben, het resultaat van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen, die er toch geen wettigheid aan zouden kunnen verleenen? Baron Vincent meende er voor te kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit „ja” zou kunnen trekken kwam echter niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk „neen” zou toebrengen aan de zaak die de bondgenooten wenschten. „Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et d'apprendre que le soin d'assurer et d'améliorer leur sort et de hâter la réunion sur des bases justes et libérales est définitivement et exclusivement confié au nouveau Souverain, dont ils savent bien que les intentions et le caractère[85] seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain et quelques-uns de leurs compatriotes”[86].

[83] „It appears to the allied Ministers highly desirable to institute a commission without loss of time to prepare for the approbation of the Sovereigns a project for the reunion of the Belgian Provinces with Holland. You will call the Prince of Orange's attention to this important object. This Commission may be assembled according to mutual convenience either at Brussels or the Hague, and should consist of an equal number of Dutch and Belgian members; possibly three of each might be sufficient.... Their duty will be to consider how Belgium can best be incorporated with Holland, preserving to the former a just share of authority in the States General, and also guarding their interest in matters of religion, finance, and commerce” (Castlereagh aan Clancarty, 16 Mei 1814; afschrift in de verzameling-van Nagell, Rijksarchief, den Haag).

[84] Clancarty aan Castlereagh, 20 Mei 1814 (F. O.).

[85] „Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen, en kennis te hebben hoe ver eenen Protestantschen vorst gaan kan, door mijn oponthoud in Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is....” (De Souvereine Vorst aan van Nagell, 16 Mei 1814: Rijksarchief, den Haag).

[86] Paper delivered by H. R. H. to the Earl of Clancarty, May 30, 1814 (F. O.).

De landsvader! Zóó moest men tot de ministers der restauratie spreken! Intusschen is het voor de Noordnederlandsche geschiedschrijving meer dan tijd, te erkennen dat de Belgen, als zij later de artikelen van Londen artikelen van den Haag noemden, geen woord te veel hebben gezegd. Nothomb's befaamde uitdrukking van den „coup d'état permament”, die dagteekenen zou van 1814, is historisch gerechtvaardigd.

Monsterachtig groot zien wij hier het misverstand, dat den nieuwen staat der zeventien provinciën heeft gedood. Noch het Noordnederlandsche volk, noch de Noordnederlandsche souverein hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren hun bezwaren ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat beteekende het hun te verzekeren, dat de katholieken tot iedere landsbetrekking benoembaar waren?[87] Een dergelijke verzekering, gegeven aan een natie die voor 99% uit katholieken bestond, was alleen reeds een beleediging aan het gezond verstand. Met hun religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet gemeend te vragen, of de katholieken in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn. De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch zeer ongelegen. Zonder twijfel zou zij verzocht hebben dat de Belgische landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de regeling der grenzen tusschen Maas, Rijn en Moezel was een der moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog zeer lang onbeslist. Voorloopig maakten zij zich van België af door tegelijk met de onderteekening der acht artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan den Souvereinen Vorst[88]. Deze aanvaardde het den 1{sten} Augustus met een niet ongeschikte proclamatie, van Falck afkomstig, waarin getracht was ieder het zijne te geven[89]. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck weggegoocheld. Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd met de woorden: „La Hollande recevra un accroissement de territoire”, wordt in deze proclamatie „l'agrandissement de la Belgique” genoemd. Werd Holland uitgebreid, of België? In den gedachtengang van die de zaak uitgevonden hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Welk een fraaie „vergrooting van België” inderdaad, waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis aan een vriend, „te langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen”![90]—En was Holland geraadpleegd? Evenmin. De vereeniging is door beide volken bedacht noch goedgekeurd; zij is door hen ondergaan.

[87] „Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la constitution des Provinces-Unies établit. Les Catholiques sont par là même éligibles à tous les postes....” (van Nagell's stuk van 20 Mei).

[88] Protocol van 24 Juni 1814.

[89] Hymans, bl. 88.

[90] Aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's Brieven, bl. 213).

* * * * *

De grenzen van het nieuwe koninkrijk werden bij tractaat van 31 Mei 1815 bepaald. De Souvereine Vorst verkreeg daarbij het geheele over de Maas gelegen gebied der Fransche departementen van de Sambre en Maas, van de Ourthe en van de Beneden-Maas (provinciën Namen, Luik en Limburg); voorts van Venlo tot Mook een smalle strook, die Pruisen verhinderde tot aan de Maas te reiken. Onder bizondere bepalingen werd aan dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der Nassausche erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen, maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zich genoodzaakt gezien, aan Pruisen het koninkrijk Saksen te onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens aanspraken op het land tusschen Maas, Rijn en Moezel in ruimer mate toegegeven dan de vrede van Parijs had kunnen doen verwachten. In het oorspronkelijk plan, om aan den Souvereinen Vorst den linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener „uitbreiding van Holland” duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling, die geheel op een vereeniging van Holland en België nederkwam.

De Souvereine Vorst had het tractaat van 31 Mei 1815 niet afgewacht, om den koningstitel aan te nemen. Met goedvinden der mogendheden had hij dit reeds gedaan na de landing van Napoleon. Het nieuwe koninkrijk had nu, in zijn zelfstandige deelneming aan den nieuwen Europeeschen oorlog, een proef af te leggen, waarin het niet al te ongelukkig slaagde. België steunde zijn nieuwen vorst tegen den inval; 's konings zoon vergoot zijn bloed voor een zaak die Zuid en Noord gelijkelijk aanging. Onder den indruk van het gemeenschappelijk gevaar werd, in Mei en Juni 1815, door een Hollandsch-Belgische commissie de grondwet van het Noorden herzien, die volgens de artikelen van Londen toepasselijk zou worden verklaard voor het geheele koninkrijk, na wijziging „met gemeen goedvinden”. Falck had de Belgische leden bijeengezocht, en daarbij zorg gedragen het clericale element in de minderheid te laten. Als zuivere clericalen konden slechts gelden Raepsaet en Dubois. Het sterkst was de adel vertegenwoordigd: de Thiennes, de Mérode, de Méan, van Aerschot; de beide laatsten tegelijk liberalen. Uit de balie waren genomen Leclercq en Dotrenge; uit de Napoleontische bureaucratie Holvoet en de Coninck; nevens den clericaal Raepsaet, vertegenwoordigen de liberaal Gendebien (oud-pensionaris van den derden stand in Henegouwen) het burgerlijk element uit de oude regeering van vóór 1795. Voor de leiding der Belgen rekende de koning op graaf de Thiennes, die tot dusver, onder den Hollandschen gouverneur-generaal van der Capellen, het departement van justitie in België waargenomen had, en die het vertrouwen scheen te bezitten van een goed deel zijner adellijke standgenooten.

Van daadwerkelijk verzet tegen de regeering van den Souvereinen Vorst was sedert 1814 geen spoor gebleken, maar daarom was men er niet mede verzoend. Vooral niet de machtige clericale partij. Juist in de dagen dat te Londen de acht artikelen van Willem I door de mogendheden bekrachtigd werden, had deze, bij monde van den oud-bisschop van Roermond, baron van de Velde de Melroy, opgave gedaan van haar eigen wenschen. De Roomsche godsdienst, zeide deze, kon in België tot de heerschende worden verklaard, zonder het beginsel der verdraagzaamheid prijs te geven. In België geen protestantsche ambtenaren; een eenvoudige eed van trouw aan den Souverein; aanmoediging van het katholiek onderwijs; herstel van de Jezuieten en van eenige kloosterorden; geen burgerlijk huwelijk; over de wijze van vervulling der bisschopszetels onderhandeling met den Paus. Een afzonderlijke constitutie voor België, goed te keuren door een vergadering van geestelijken en leeken, en zoo al geen wettelijk voorgeschreven, dan toch wezenlijk toegepaste uitsluiting der „acquéreurs de biens nationaux” en oud-keizerlijke ambtenaren uit het bewind[91]. Eischen die niet slechts met de artikelen van Londen onvereenigbaar waren, maar wier doorzetting een burgeroorlog zou hebben doen ontstaan in België zelf.

[91] „Réflexions confidentielles sur des objets majeurs concernant l'intérêt des Pays-Bas catholiques”, 8 Juni 1814 (F. O.).

Een nieuwe poging werd door den bisschop van Gent, de Broglie, gedaan bij het Congres van Weenen. Het was onmogelijk, zeide deze, een katholiek volk onder een protestantsch vorst te stellen zonder het eenige waarborgen te geven. Hij vroeg derhalve verbod van den protestantschen eeredienst elders dan in 's konings paleis; twee bisschoppen in den (Belgischen) Raad van State, die uit enkel katholieken moest worden samengesteld, en aan wien uitsluitend het recht van onderhandeling met den pauselijken nuntius zou toekomen; een concordaat; herstel van de geestelijke tiend; herstel en volledige vrijheid van de Jezuieten en kloosterorden[92].

Het Congres dacht er te minder aan zich met dit alles in te laten, daar kardinaal Consalvi, die te Weenen den Paus vertegenwoordigde, zich met deze eischen niet solidair verklaarde. De latere minister van katholieken eeredienst, baron Goubau, een Belgisch Jozefist die te Weenen woonde, sprak Consalvi over het stuk van den Gentschen bisschop aan. De kardinaal bepaalde zich tot een aanbeveling van het herstel van eenige orden en corporatiën, die werken van barmhartigheid ten doel hadden, en tot een waarschuwing dat men het concordaat van 1801 onmogelijk met een protestantsch vorst hernieuwen kon; de koning zou hoogstens bisschoppen kunnen recommandeeren[93].

[92] Hymans I, 103 (8 Oct. 1814).

[93] Goubau aan van Spaen, 19 Dec. 1814 (F. O.).

Elk souverein, die in 1815 de regeering van België op zich nam, zou, zoo hij niet de eenvoudige uitvoerder had willen zijn van geestelijke bevelen, een strijd te voeren hebben gehad tegen de katholieke reactie, welk zich voorstelde de gansche Revolutie ongedaan te kunnen maken. In het geval van Willem I echter werd de strijd door bijkomstige omstandigheden verscherpt. Hij zou verstandig hebben gedaan, de wezenlijk in het volk bestaande onrust door eenige constitutioneele bepalingen te temperen. Thans werd van die onrust door de geestelijkheid gebruik gemaakt, om het Belgische volk voor een zuiver clericaal program te spannen.

In den Haag onderschatte men de kracht dezer beweging. Hoe weinig kwam er inderdaad in de zittingen der gemengde commissie van voor den dag! De Belgen spraken veel en druk, maar hadden geen tezamen overlegd plan. Zij vereenigden zich alleen om de vermelding van Amsterdam als rijkshoofdstad, en de bepaling dat de koning hervormd moest zijn, te schrappen; op twee na[94] verwierpen zij de gelijkheid van het aantal afgevaardigden voor Noord en Zuid in de Staten-Generaal, die dus aangenomen werd. Noord was Zuid ter wille in de instelling eener Eerste Kamer; in de uitbreiding van het begrootingsrecht der Staten-Generaal; in het voorschrijven van de openbaarheid der zittingen van de Tweede Kamer. Met het artikel, dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst eischte, trachtte de voorzitter der commissie, Hogendorp, ruilhandel te drijven. Het was in de grondwet van 1814 opgenomen geworden na veel strijd, en niet zonder gedachte aan de vereeniging met België; het weg te laten zou, meende de voorzitter, de Noordnederlandsche protestanten in een gevaarlijke mate bezwaren. Hij zocht het daarom te redden door er een artikel tot zekerheid voor de katholieken nevens te stellen, en beide artikelen tegelijk in stemming te brengen. Het gezag des konings en dat van den Paus in zaken de katholieke Kerk betreffende zouden geregeld blijven op den in België van ouds bestaanden voet („par les anciens usages et libertés de la Belgique”), behoudens de wijzigingen, daarin te brengen bij concordaat („sauf les changemens, que S. M. pourra y apporter de concert avec Sa Sainteté”). Het was om het openen van uitzicht op een concordaat, en de vermelding van 's Pausen naam, te doen, waarop de Merode en de Thiennes steeds hadden aangedrongen[95]. De zaak mislukte: de katholieken bleven zich als één man verzetten tegen het artikel dat de belijdenis van een bepaalden godsdienst in den vorst eischte, terwijl de „flauwe Kristenen”[96] onder hen geen prijs stelden op het artikel over de rechten van den Paus. Beide artikelen, tezamen in stemming gebracht, kregen niet meer dan vijf (noordelijke) stemmen. Tegen stemden, behalve de liberalen van weerszijden, die het over de verwerpelijkheid van beide artikelen eens waren, de conservatieven van het Zuiden, die in ieder geval het artikel over den hervormden godsdienst van den vorst geschrapt wilden hebben.

[94] Méan en Mérode.

[95] Hogendorp V, 119; VI, 122, 146, 227, 241–'43; van Maanen, Aanteekeningen, bl. 211; Raepsaet VI, 167 v.v.

[96] Uitdrukking van van Hogendorp (V, 119).

Merkwaardig was hierbij, dat in de vergadering, waarin deze gewichtige stemming plaats hebben moest, van de beide clericalen Raepsaet door afwezigheid schitterde en Dubois geen woord sprak. Toen nu later de Thiennes en de Mérode nog een zwakke poging waagden, om een artikel tot geruststelling der katholieken in de grondwet te brengen („onze geloovigen”, zeide de Mérode, „moeten zien, dat wij voor hen gezorgd hebben”[97]), ging van al de katholieke commissieleden niemand dan Dubois mede. Raepsaet was bij al deze beraadslagingen afwezig. Zijn zeer dubbelzinnig gedrag laat geen andere verklaring toe, dan dat hij reeds met het Belgisch episcopaat maatregelen tot verwerping der grondwet beraamde. Hoe duidelijk is het bij dit alles, dat zoowel Belgische clericalen en Belgische liberalen zich bij deze gelegenheid meer als partijmannen dan als Belgen gedroegen. De clericalen trachtten, door het verspreiden van de dolzinnigste schrikbeelden, den bestaanden weerzin tegen de vereeniging met Holland te exploiteeren ten eigen bate. Zij trachtten geensdeels, onder de bestaande omstandigheden het beste te verkrijgen wat te verkrijgen was. De liberalen waren ook matig met de vereeniging ingenomen, maar als zij dan toch geschieden moest, diende van deze gelegenheid gebruik gemaakt om de positie der clericalen in België zelf zooveel mogelijk te verzwakken. Deze lieden hadden nog vijftien jaar politieke opvoeding noodig, eer zij een toonbare natie waren geworden.

[97] Van Maanen, bl. 277.

Over de wijze van aanneming der grondwet had een eigenaardige, de stemming in België kenschetsende beraadslaging plaats. De Thiennes, van de Belgische edelen aan de regeering van Willem I het best gezind, en met wien Hogendorp zich zeer wel verstond, ontraadde de onderwerping aan notabelen ten stelligste: „ik houde het voor zeer gevaarlijk”, zeide hij, „daar men intrigues zal zien geboren worden en wellicht de geheele zaak op losse schroeven stelt”[98]. Mérode viel hem bij: in België zeide hij, moest het volk de constitutie van boven ontvangen; het zou een andere handelwijs niet begrijpen. „Hoedanig men het ook inrichten wil met betrekking tot de acceptatie van de constitutie, altijd zal men bij ons gelooven, dat er _tours de passe_ onder loopen, en waartoe zal men dit wagen”? Ook de Coninck scheen van dit gevoelen, en van de Noordelijken sprak Mollerus in gelijken geest: het eerste der acht artikelen van Londen had aan de Belgen een constitutie _gegeven_; van verwerping kon dus geen sprake zijn. Wel gewaagde het artikel van wijzigingen, aan te brengen bij gemeen overleg, maar dit overleg had reeds plaats in de commissie zelve. De voorzitter evenwel, en met hem de groote meerderheid, was van een andere meening. Men zou niet de grondwet kunnen verwerpen, maar wel de daarin voorgestelde wijzigingen; in het Noorden zouden die wijzigingen niet kunnen worden ingevoerd buiten medewerking der Staten-Generaal, en er zou dus een groote ongelijkheid in de behandeling der beide helften ontstaan, wanneer men de wijzigingen aan België kortweg oplegde. Alsof de ongelijkheid in behandeling nog ontstaan moest! De oppervlakkige Dotrenge drong ook sterk op een stemming in het Zuiden aan, dat zich anders als veroverd land zou blijven beschouwen. Alsof het daartoe niet door de mogendheden met zooveel woorden was verklaard! Slechts zes leden hebben in de commissie tegen het oproepen van notabelen gestemd, waaronder drie Belgen (de Thiennes, Dubois, de Mérode). Als de koning gewild, en de voorzitter het naar dien wil gestuurd had, ware ongetwijfeld een andere beslissing te verkrijgen geweest[99]. Inderdaad, wat had een stemming te beteekenen, nu noch België, noch Holland, noch de koning meer vrij waren? Krachtens het eerste artikel van Londen _had_ België een grondwet; het was die der Vereenigde Nederlanden. In de commissie werd dan ook erkend, dat, hoe de stemming ook uitviel, de koning niet anders doen kon dan de grondwet afkondigen. De Staten-Generaal van het Noorden, ja, konden over modificatiën stemmen, maar aan een groep ingezetenen uit het Zuiden zou men niet kunnen beduiden dat zij enkel over wijzigingen stemden en niet over de zaak ten principale. Zonder of met de stemming door notabelen bleef de vereeniging een gedwongene, de grondwet een opgelegde.

[98] Van Maanen bl. 130, bevestigd door brieven van de Thiennes aan den koning (papieren-van Gobbelschroy, Rijksarchief, Brussel).

[99] Van Maanen zeide het, „naar zijn verstandelijke overtuiging”, met Mollerus eens te zijn, maar stemde „uit billijkheid” met den voorzitter; eveneens verklaarde zich van der Duyn. Hierop veranderde de Coninck, die eerst tegen gesproken had, maar vóór stemde.

Had men, vóór de stemming, met den clerus moeten onderhandelen? Maar de Broglie zou oogenblikkelijk de discussie hebben geleid naar een terrein waarop de regeering hem niet volgen kon: naar gene zijde van de artikelen van Londen, en de mislukking eener zoodanige onderhandeling was veel gevaarlijker, dan geen onderhandeling hoegenaamd. Het is een fout geweest, dat de koning de clericale richting niet wat sterker in de commissie vertegenwoordigd heeft; een ergere nog, dat hij en Hogendorp het artikel betreffende het concordaat zoo geheel aan de ongewisheid der deliberatiën hebben overgelaten: de Belgische liberalen hebben de beslissing over dat artikel in de hand gehad, zij die toch in waarheid de minderheid der bevolking vertegenwoordigden. Met eenig beleid ware het artikel voorzeker aan den koning te renvoyeeren geweest, gelijk immers ook de commissie van 1814 zijn beslissende stem nopens twee artikelen, die den godsdienst raakten, had ingeroepen. De ernstigste ongerustheid bestond nu eenmaal in 1815 bij de geloovige katholieken, en naar die zijde wilde men eenige verzekering geven. Maar nu kwam er niets van terecht dan de volgende volzin in de door Hogendorp gestelde, door de Thiennes en de Coninck goedgekeurde proclamatie aan de Belgen van 18 Juli 1815, waarin hun van de aanstaande bijeenroeping van notabelen werd kond gedaan: „Nous assurons en particulier a l'Eglise catholique son état et ses libertés, et nous ne perdrons pas de vue les exemples de sagesse et de modération que nous ont laissés à cet égard nos prédécesseurs, vos anciens souverains, dont la mémoire est si justement vénérée parmi vous”[100]. De geestelijken waren toen hun machinatiën reeds lang begonnen.

[100] Hymans I, 246; vgl. Hogendorp VI, 153.

Met welken uitslag is bekend. Willem I had, na den eersten goocheltoer, de artikelen van Londen, zich en zijn nagedachtenis het tweede hocuspocus, waarmede het getal 527 werd verklaard het getal 796 te overstemmen, kunnen besparen, indien hij verklaard had dat de grondwet door de meerderheid der gezamenlijke bevolking van het Rijk was aangenomen. Wanneer slechts een derde bij ons vóór stemt, had reeds Dotrenge in de commissie gezegd, is de meerderheid buiten kijf. Doch waar bleef dan het gemeen goedvinden, dat de artikelen van Londen hadden geeischt, en dat toch wel niet dan van de beide helften des Rijks kon worden verstaan? Om dit gemeen goedvinden in het goedvinden der Belgische commissieleden te doen bestaan, was het thans te laat. Er zat dus niets anders op, dan òf de door den spot van Belgische schrijvers berucht geworden _arithmétique néerlandaise_ toe te passen, òf te verklaren dat men geen stemming had behoeven te vragen en niettegenstaande de verwerping tot de invoering der grondwet zou overgaan. De verwerping, zeide de liberale _Observateur_, maakt de grondwet niet krachteloos, evenmin als een aanneming haar van kracht zou gemaakt hebben[101]. De waarschuwing van den gouverneur-generaal van der Capellen aan de notabelen, dat men over de artikelen betreffende den godsdienst geen uitspraak had te doen, maakte zeer weinig indruk. Men antwoordde er onmiddellijk op, dat men dan om andere artikelen de grondwet zou verwerpen[102]. De zaak was, dat de meerderheid van het Belgische volk de vereeniging niet wenschte, en dat zij de stemming als een middel aangreep, om aan dezen afkeer uiting te geven. Voor zoover de Belgen niet aan den leiband der geestelijkheid liepen, waren zij toch ten zeerste ontevreden over de vereeniging der schulden (die van Holland beliepen 589, die van België 27 millioen gulden) en over de onvoldoende vertegenwoordiging van het Zuiden in de Staten-Generaal (Holland had 55 leden voor twee millioen, België 55 leden voor drie en een derde millioen inwoners). Altemaal artikelen tot welker rechtvaardiging men, even goed als voor die over den godsdienst, den tekst der bepalingen van Londen inroepen kon. Waar bleef de „innige en volmaakte vereeniging”, zoo men de schulden niet gemeen maakte; waar het begrip der „uitbreiding van Holland”, zoo het toevoegsel het oude land overstemmen kon? De zaak is waarlijk reddeloos geweest van het begin af. De 527 stemmen zijn minder vóór de vereeniging (die reeds een feit was), dan tegen de geestelijkheid uitgebracht.

[101] Observateur 1815, II, 366.

[102] „Le comte Delafaille, président des notables de l'arrondissement de Gand, a fait imprimer une dépêche de S. E. le baron van der Capellen qui s'exprime sur ce que les notables n'ont pas à voter sur l'article de la religion, définitivement stipulé au congrès de Vienne. Dans la nuit même, une multitude de pamphlets ont été dirigés contre cette lettre; on les a donnés dans les mains des passans. Il y est dit que le Souverain ayant par la Constitution la suprématie sur le clergé par le fait qu'il avait l'inspection des hautes et basses écoles etc., on ne pourrait même pas l'accepter en omettant les articles du culte..... Après la saisie du mandement [het bekende stuk van de Broglie, Hymans I, 253], les libelles ont redoublé de fureur: ils commencent à entamer les questions les plus essentielles. L'armement général est nommé une conscription renforcée; la fusion de la dette, le nombre égal des Hollandais dans la représentation, tout cela est attaqué avec acharnement. Les femmes en parlent même dans la société” (Rapport van den directeur van policie te Gent aan de Thiennes als commissaris-generaal van justitie, 13 Aug. 1815; papieren-van Gobbelschroy, Rijksarchief, Brussel).

De stemmingslijst is merkwaardig uit een oogpunt van Belgische politieke geographie. In Namen, Luik, Limburg was de meerderheid vóór de grondwet; in Luxemburg was geen enkele stem tegen; in Zuid-Brabant en Henegouwen was een aanzienlijke minderheid vóór de grondwet; in West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen hadden de neenzeggers een verpletterende meerderheid[103]. De hoofdgewesten van Dietsch-België waren dus het meest wederstrevig; overeenkomst van ras en gemeenschap van taal waren volstrekt werkeloos bij deze vereeniging. Vlaanderen liet zich op sleeptouw nemen door een Franschen prelaat die zijn voorkeur voor de Bourbons geen oogenblik verheeld had[104], en in de gewesten waar de meerderheid voor de grondwet stemde geschiedde dit niet omdat men tot Holland naderen wilde, maar omdat de geest van Voltaire er was doorgedrongen. Niet dat ~deze~ vereeniging verbroken is kan ons verwonderen, maar dat zij vijftien jaar heeft geduurd. Behalve op papier, heeft de scheiding nimmer opgehouden te bestaan; ja was zij eigenlijk van het papier zelf verdwenen? De bepaling der 55 tegen 55 geeft het antwoord. Die de taak op zich nemen wilde, door de mogendheden aan den vorst van het Noorden op de willige schouders gelegd, kon òf met de „vergrooting van Holland”, òf met de „innige vereeniging” ernst maken, niet met beide tegelijk. Had hij den moed niet het nieuwe rijk als een vergroot Holland, België als een barrière te administreeren, dan moest ook aan België de vertegenwoordiging naar den maatstaf der bevolking worden toegestaan. Alleen deze kon de gemeenmaking der schulden rechtvaardigen. Men zou dan tot de Belgen hebben gezegd: wij bieden u de beschikking aan over ons volksbestaan met zijn lusten en lasten, zijn overleveringen en zijn toekomst, zijn deugden en zijn gebreken. Wilde men dit niet (wee Holland, dat het ooit zou willen!), dan had men zijn handen van België af moeten houden.

[103] Te Gent 10 ja, 70 neen; te Yperen en Antwerpen niemand ja, 50 en 59 neen; te Mechelen 5 ja, 33 neen; enz.

[104] Coremans, bl. 199.—Ook tijdens het verblijf van Lodewijk XVIII te Gent, gedurende de „honderd dagen”, had de Broglie van deze voorkeur doen blijken.

DERDE HOOFDSTUK.

De Scheiding.

De vijftien jaar der vereeniging met Holland vormen in de Belgische geschiedenis een allergewichtigst tijdvak. Om dit in te zien is het voldoende, zich rekenschap te geven van het onderscheid tusschen het programma der Belgische katholieken van 1814 en '15, en dat der Unie van 1829, waaruit de hedendaagsche Belgische constitutie haar oorsprong heeft. Het katholicisme, dat in 1814 van herstel van het _ancien régime_ droomt, aanvaardt in 1830 den liberalen staat, mits het een Belgische, en mits hij waarlijk liberaal zij; m. a. w. mits hij zich beperke tot een enger terrein dan de regeering van Willem I had bestreken.

Hoe weinig monsterachtig het verbond van katholieken en liberalen tegen Willem I is geweest, leert ons Hollanders de vergelijking met een gewichtig verschijnsel in onze eigen geschiedenis: de eenstemmigheid tusschen Thorbecke en de katholieken (en, tot op zekere hoogte, tusschen Thorbecke en Groen van Prinsterer), die de invoering der grondwet van 1848 mogelijk gemaakt heeft.

„De staatkundige partijen, die in gemeenschap van kerkelijk of godsdienstig geloof wortelen, hebben in de negentiende eeuw een keerpunt gehad. Het is het oogenblik geweest waarop zij, de onmogelijkheid inziende om het roer van den staat geheel te bemachtigen, hun steunpunt buiten den staat, in de maatschappij zijn gaan zoeken. De katholieken in België hebben dat gedaan, toen zij de Bonald hebben verlaten voor de Lamennais. Vandaar dat de geestelijkheid, na de grondwet van 1815 met fellen haat te hebben bestreden, de Belgische grondwet van 1830, die dezelfde beginselen met wat meer beslistheid huldigde, met geestdrift hielp tot stand brengen....”[105]. De katholieken, die dit deden, hadden allerminst den strijd tegen het liberalisme opgegeven; zij wonnen er juist bij, dien strijd voortaan in volle vrijheid te kunnen voeren. Zij veranderden niet van vijand, maar van gevechtsterrein. De Belgische liberalen van hun zijde offerden den steun op, dien het protestantsche Noorden en de protestantsche koning hun tegen de geestelijkheid hadden kunnen bieden: zij hadden geen vertrouwen in dien steun, en achtten hem voor verloochening der eigen politieke en nationale idealen in elk geval te duur gekocht. Ook zij kregen in 1830 de handen ruim.

[105] De Beaufort, Geschiedkundige opstellen II, 185.

Scherpe partijtegenstellingen behoeven niet noodzakelijk afbreuk te doen aan de nationale eenheid. Oneindig gevaarlijker dan scherpte, is onzuiverheid van tegenstelling. Onzuiverheid nu was het kenmerk der staatkundige verhoudingen in het koninkrijk der zeventien Nederlanden.

De Belgische vrijzinnigheid had in 1815 voor de Grondwet gestemd. Zij was toen nog heel anders gekleurd dan in 1830: meer Napoleontisch dan democratisch. Zij verschilde eigenlijk in geestesrichting zeer weinig van Willem I of van den later zoo fel bestreden van Maanen zelf. Met haar steun ware een krachtige liberale staatkunde te voeren geweest, maar—een Belgische staatkunde. Zij wenschte onderwerping van de kerk aan den staat, maar aan een staat die zich leiden liet door Belgische belangen. Zich met haar als partij te vereenzelvigen, zou den koning op het verlies van den steun van het Noorden zijn komen te staan, en dezen kon hij, in het belang der Belgische liberalen zelven, tegen de vijandschap der geestelijkheid niet missen. De Goubau's en Gobbelschroy's konden dus de vleugels niet uitslaan, en werden impopulair in hun eigen land.

Naast het hunne kwam een ander liberalisme op, dat van de moedige jongelieden, die in 1830 den Belgischen staat hebben gesticht. Zij verwierpen, in vol vertrouwen op de kracht van het eigen levensbeginsel, het kunstig stel van bepalingen waarmede tot dusver de wereldlijke overheid de kerk in haar vrijheid van beweging had beperkt. Waartoe inderdaad zouden zij nog langer den koning tegen den clerus helpen? De koning zou nimmer in dien strijd kunnen overwinnen dan door machtsmiddelen, die onmiddellijk daarna tegen de jonge liberalen zouden zijn gekeerd. Het was waarlijk niet te denken, dat Willem I, die de ministerieele verantwoordelijkheid en de directe verkiezingen weigerde terwijl hij de liberale jeugd nog eenigermate moest ontzien, ze toe zou staan als hij met haar hulp de geestelijkheid zou hebben overwonnen. En dat deze jong-liberale partij fel anti-Hollandsch was, lag mede in den aard der zaak. De 55 noordelijke stemmen vormden, zoo dikwijls het tegen de democratie ging, een vast aaneengesloten blok. Ware het in 1830 mogelijk geweest het regeeringsstelsel van Willem I ten val te brengen met hulp uit Noord-Nederland, de scheiding zou nog eenige jaren verschoven zijn geworden, tot den gewis niet ver verwijderden dag waarop het directe kiezerscorps in België den oorlog zou hebben verklaard aan elke regeering die de vertegenwoordiging naar bevolkingsgetal aan België zou willen onthouden. Maar zooals de zaken lagen was zelfs op dit uitstel geen kans. De jong-liberale partij had vooreerst in 1830 in Noord-Nederland nog zeer weinig macht, en dan nog wees zij elk bondgenootschap van de hand met lieden, waarin zij, hoe kon het anders, eer muiters dan geestverwanten zag. Niet op het oogenblik, waarop naast dien van den koning ook Hollands naam in België gevloekt werd, wenschte zij Willem I haar rekening van grieven aan te bieden.

Ziet men wel dat het niet katholicisme of liberalisme, maar nationaal verschil geweest is dat de scheiding noodzakelijk heeft gemaakt? Van welke zijde men ook in de zaak doordringt, steeds komt men op het verschil in nationaliteit terecht. Hoe konden, bij voorbeeld, met mogelijkheid de Noordnederlandsche katholieken, aanzienlijke minderheid voorwaar, met de regeering van Willem I ingenomen wezen? Echter is niemand van hen in 1830 opgestaan, zelfs in Noord-Brabant niet. Het jaar '30 bewees niet slechts dat België, het bewees evenzeer dat Holland leefde.

Noord en Zuid kunnen beide zonder wrok aan den tijd der mislukte vereeniging terugdenken. Zij heeft, ondanks de gewelddadige ontknooping, ons beiden veel meer goed dan kwaad gedaan. Aan België met name heeft de gedwongen vereeniging onschatbare diensten bewezen. Wat zou er van het land geworden zijn, indien het in 1815 niet met Holland vereenigd ware? Blijvende inlijving bij Frankrijk zou België hebben vermoord: Brussel zou thans een prefectuurstad, Antwerpen een soort noordelijk Toulon, de Vlaamschheid van Gent en Brugge aan die van Duinkerken gelijk zijn.—Onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins, met meer of minder volledig herstel van den toestand vóór 1794? Binnen drie jaar zou in het land een burgeroorlog hebben gewoed, die in den toenmaligen toestand van Europa onvermijdelijk op een interventie zou zijn uitgeloopen.—Een verdeeling die Brussel aan Frankrijk, Antwerpen aan Nederland, Luik aan Pruisen zou hebben gehecht? Wij behoeven er geen woord over te verliezen, dat de vereeniging met het Noorden voor België's toekomst heilzamer was dan zulk een lot. Zij, en zij alleen, heeft België in de gelegenheid gesteld, in den strijd tegen een machtigen, niet overmachtigen vijand zichzelf terug te vinden. De vijftien jaren der vereeniging zijn voor België een kostbare leerschool geweest in nationalen trots en nationale tucht. Zij eerst hebben de Belgen inzicht doen krijgen in de voorwaarden, waaronder een onafhankelijk bestaan voortaan nog voor hen mogelijk was. In 1815 zouden zij, vrees ik, voor de proef zijn bezweken.

En wij? Ook Holland mag zich waarlijk niet over het lot beklagen, dat het in 1815 aan België klonk. Het had in 1813 een wedergeboorte beleefd, maar geen zeer hoopvolle. De Noordnederlandsche samenleving als geheel zag meer naar het verleden dan naar de toekomst. Men ~wilde~ de oude partijschappen wel begraven, maar zouden zij het zich ~laten~ doen? Zou men het krachtig eenhoofdig gezag, waaraan het land nog dringend behoefte had voor lange jaren, zich hebben laten vestigen en ontwikkelen? De Souvereine Vorst zou het met heel zijn kracht hebben beproefd; zijn persoon is daar borg voor. Maar Noord-Nederland was minder van den nieuwen tijd, dan zijn vorst. De strekking tot oligarchie en provincialisme, tot het overlaten der functiën van het openbare leven aan beperkte kringen van plaatselijke beroemdheden, was ja afgenomen, maar niet afgestorven. In de bagage van Napoleon had de vorst een sterke centrale regeeringsmacht voor het overnemen gevonden, maar de kiemen van een particularistisch, oligarchisch getint verzet daartegen waren aanwezig, en zouden onder gunstige omstandigheden tot wasdom hebben kunnen komen. Doch, dank zij in de eerste plaats de vereeniging met België, zijn de omstandigheden daarvoor zeer ongunstig geweest. Aanhoudend kwamen de belangen, dikwijls de vooroordeelen van het Noorden ~als geheel~ in botsing met die van het Zuiden, in zoo sterke mate, dat het Noorden zich bestendig als geheel bleef voelen en gedragen. Tegen de stelselmatige oppositie van het Zuiden werd aan de regeering een even stelselmatige steun van het Noorden geboden. De belangen van de ontwikkeling der staatsinstellingen in liberale richting kwamen hierdoor tijdelijk in het gedrang, maar de belangen der nationale eenheid zijn er ongetwijfeld door gebaat.—Heeft dus de ~vereeniging~ met België ons dienst gedaan door het op den achtergrond schuiven en verstikken der specifiek Noordnederlandsche dorpsgeschillen, die zulke abnormale verhoudingen plachten aan te nemen in het leven der oude Republiek, de Belgische ~opstand~ heeft, door de zeer natuurlijke tegenstrooming die zij in het Noorden opwekte, aan ons nationaal bewustzijn geen mindere weldaad bewezen. Het is meer de staatkunde van Willem I in de jaren 1830–'39 waarover de geschiedenis den staf gebroken heeft, dan de houding van het Noordnederlandsche volk. Dit verlangde met nadruk, dat bij de ook in het Noorden gewenschte scheiding noch zijn eer, noch zijn historische rechten werden aangerand, en het was bereid zijn koning de middelen te verschaffen tot handhaving van die eer en rechten. Doch de koning heeft deze bereidwilligheid van het Noordnederlandsche volk misbruikt, en de middelen, die het ter beschikking stelde, aangewend in dienst eener staatkunde wier heimelijk doel, de wederverwerving der Belgische gewesten, door ons volk werd veroordeeld. Het geluk bij dit ongeluk was, dat de volksvertegenwoordiging, eigenlijk voor het eerst sedert 1813, besef leerde krijgen van haar taak: zij verlangde nu eindelijk, een werkzame contrôle uit te oefenen op het gebruik der openbare geldmiddelen. Toen na den vrede met België eenige formeele wijzigingen in de grondwet waren noodig geworden, ging het niet meer aan dezen wensch geheel voorbij te zien: de tienjarige begrooting verdween, en er werd een minimum ministerieele verantwoordelijkheid ingevoerd. Geringe hervormingen nog, maar die bewezen dat toch ook het Noorden nieuwe banen insloeg. Acht jaar later waagde het zich daarop meer onbeschroomd, niet zonder invloed van het Belgische voorbeeld. Onze grondwet van 1848 heeft vrij wat van de Belgische van 1830 kunnen overnemen; en dat dit geschied is, heeft Noord-Nederland nimmer berouwd. Men heeft daarover toentertijd niet veel gesproken, maar het feit is, voor wie beide constitutiën naast elkander legt, onloochenbaar.

* * * * *

Aan de geschiedenis der gedwongen samenleving van Noord en Zuid is nog veel te doen. Niemand zal er ooit een bevredigende voorstelling van kunnen geven, die niet èn België èn Holland kent en liefheeft. Van Belgische zijde worden veelal de voorstellingen der Belgische oppositiebladen van het tijdvak zonder zelfstandig onderzoek herhaald, terwijl er Noordnederlandsche schrijvers gevonden worden die zich niet ontzien, zich heden ten dage nog door citadelpoëzie en dergelijke te laten inspireeren. Er zijn uitzonderingen. In Noord-Nederland is het werk van de Bosch Kemper (te waardeeren niet zoozeer om kracht van voorstelling of scherpte van critiek, als om rijkdom van informatie) nog onovertroffen; in België munt het fraaie boek uit, door Discailles aan Charles Rogier gewijd. Wat echter nog niemand verrichtte en toch boven alles noodig heeten moet, is het stelselmatig en uitgebreid ontginnen der regeeringsarchieven van het tijdvak zelf. Deze nu bevinden zich in Noord-Nederland. Krachtens een onlangs genomen koninklijk besluit worden thans de archieven van alle departementen van algemeen bestuur tot 1830 toe naar het gebouw van het Algemeen Rijksarchief overgebracht. De studie der algemeene geschiedenis van het koninkrijk is dus voortaan zeer vergemakkelijkt; moge eerlang blijken dat zij wordt ondernomen door Noord- en Zuidnederlanders beide.

De gansche overlevering omtrent de geschiedenis van Groot-Nederland van 1815 tot 1830 aan de bescheiden te toetsen, zal een reuzenwerk zijn, niet op éénmaal tot stand te brengen. Daarom doet men wel, gedurig te geven wat men heeft. Schrijver dezes viel het nog niet te beurt, meer dan oppervlakkig kennis te maken met de archieven van het Kabinet des Konings en van elk afzonderlijk departement van algemeen bestuur over bedoelde jaren, al heeft hij reeds de zekerheid verkregen, dat die van het justitiedepartement onder van Maanen voor de meer intieme kennis van het tijdvak zeer belangrijk zullen worden bevonden. Daarnevens komen de berichten der gezanten van Engeland en Frankrijk in aanmerking; eenigermate is onlangs daarvan reeds partij getrokken[106]. Nog zijn van belang de particuliere papieren van den minister van Maanen, in 1900 door het Nederlandsche Rijksarchief verworven[107]. De geschiedenis van het gansche tijdvak aan de hand van al deze bronnen opnieuw te schrijven, is voorshands nog een onbegonnen werk. Echter kan er, in het klein bestek dat wij hier hebben gekozen, toch wel iets uit worden medegedeeld, dat medehelpen kan om het inzicht in die geschiedenis te verhelderen.

[106] Poullet „Les premières années du royaume des Pays-Bas” (Revue générale 1896); dezelfde, „Relations inédites sur les débuts de la Révolution belge” (Revue générale, 1897); Alfred Stern, „Geschichte Europa's”, vierde deel (Stuttgart und Berlin, 1905).

[107] Ook reeds eenigermate, hoewel naar het kader van zijn boek meebracht weinig, door Stern gebruikt.

De staat der zeventien Nederlanden was tegen Frankrijk opgericht; Frankrijk had dus reden, dien staat scherp te doen observeeren, en de Fransche berichten zijn dan ook over zijn binnenlandsche verhoudingen zeer uitvoerig. Welwillend gestemd zijn de Fransche beoordeelaars natuurlijk niet, maar ook van onwelwillende beoordeeling kan men leeren. Onder de berichtgevers komt voor zeker geheim agent Julian, gewezen politie-ambtenaar van Fouché, die tegelijk betrekkingen onderhield met de Fransche en met de Nederlandsche regeering. Men vindt zijn brieven tusschen de officiëele dépêches in, onder den naam van „Correspondance secrète des Pays-Bas”[108].

[108] 1821–'24, en dan weder 1828–'29. Al deze berichten zijn geschreven uit Brussel. De schrijver deed zich, in den kring der liberale Fransche uitgewekenen te Brussel, als een bondgenoot voor, om achter hun plannen te kunnen komen. Om te maken dat men hem met rust liet, had hij de Nederlandsche regeering van deze zijn rol op de hoogte moeten stellen.

8 Januari 1823. Invoering van het gemaal en geslacht. Het brood en het vleesch komen onmiddellijk boven den normalen prijs. „Dans plusieurs quartiers de la ville, des caricatures peintes ou en relief, représentant le Roi, revêtu du manteau royal et la couronne sur la tête, ont été trouvées pendues, les unes par les pieds, les autres par le cou. Les recherches de la police n'ont pu découvrir encore aucun coupable, mais on peut assurer qu'il y a autant de complices que d'habitants”.

30 Juli 1823. Gesprek van den koning met graaf van Bylandt, gouverneur der residentie. „Je sais que je ne suis pas trop bien dans l'opinion du corps diplomatique, ni dans celle des cabinets de l'Europe; mais je voudrais les voir dans ma position et forcés de tenir tête comme moi à tous les intérêts, et souvent aux intérêts les plus opposés.... Certainement je garderai toujours ma plus parfaite indépendance.... Je le dis et le répète souvent à Clancarty: j'aimerais beaucoup mieux ma Hollande toute seule. J'étais cent fois plus heureux alors!.... J'ai dû envoyer le ministre de la justice à Liège sur la demande des autorités pour y juger par lui-même de la conduite sourde qu'y tiennent les Jésuites et les Frères Ignorantins qui veulent à tout prix s'emparer exclusivement de l'instruction publique, et qui citent à tout bout de champ, aux Liégeois, dans les conférences religieuses qu'ils sont parvenus à établir de tous côtés, l'exemple de la France.... Depuis un an, toutes les mesures du ministre de l'instruction publique pour diriger l'enseignement à Liège sont tellement contrariées par des obstacles de toute nature, qui tous proviennent des prétentions des Jésuites et des Ignorantins et de la partie du bas clergé qui agit de concert avec eux, et des tracasseries suscitées par tous ces gens-là, qu'il en résulte pour lui une impossibilité réelle d'administrer, et le découragement de toutes les classes d'employés.... Quand je fais mes efforts pour faire un tout de ce pays, un parti qui d'intelligence avec l'étranger ne cesse de gagner du terrain agit pour le désunir. D'ailleurs les alliés ne m'ont pas donné ce royaume pour le soumettre à toutes les influences. Cette situation ne peut durer....” Of dit gesprek aan Julian mag worden medegedeeld? „Vous pouvez tout lui dire (a répondu le Roi), car je voudrais une fois pour toutes me faire bien comprendre”[109].

[109] De officieele Fransche gezant, Durand de Mareuil, was op dit oogenblik met verlof. Het gesprek eindigde met een waarschuwing, dat de koning van den staat van zaken kennis zou moeten geven te Londen, St. Petersburg en Berlijn. De bedoeling van het gesprek was, pressie te oefenen op Frankrijk tegen het ondersteunen der clericale partij in België.

31 Juli 1823. Julian laat zich het medegedeelde door den minister van onderwijs (Falck) bevestigen. Deze zegt: „Toute la correspondance, tous les discours, toutes les confidences des Jésuites et des Frères de la Doctrine [chrétienne] annoncent bien qu'ils comptent entièrement sur l'appui des chefs de ces associations qui sont en France; ces chefs verraient avec plaisir que des troubles, fomentées dans leur intérêt, éclatassent dans ce pays. Il est très certain qu'un parti autrichien, qui se ferait français au besoin, existe dans la haute noblesse belge, et seconde les vues des nombreux mécontents du clergé; il n'est pas douteux que les obstacles que j'éprouve, moi personnellement, dans l'exécution de mes décisions dans tout ce qui est relatif à l'enseignement et à l'organisation des écoles, ne provienne d'un systême. Quoique je ne puisse m'empêcher de penser que le ministère français voit sans beaucoup de peine les discussions en matière religieuse qui s'élèvent dans un pays qu'il ne regardera jamais comme entièrement perdu pour la France, je ne peux pas dire précisément que les religieux qui depuis quelques années abondent dans ce pays et y causent des maux incalculables, en prêchant une morale tendante non seulement à éloigner la confiance des sujets dans le Souverain, mais encore à dissoudre tous les liens qui les attachent à lui et à exciter dans ses Etats des troubles sérieux et dont les conséquences ne peuvent être prévues;—je ne peux pas dire que ces religieux agissent (quoique plusieurs s'en soient vantés), d'après l'influence directe du gouvernement français, et bien moins encore d'après une direction formelle donnée par lui; mais l'homogénité des doctrines politiques et religieuses permet cependant de concevoir si ce n'est pas des soupçons, du moins des craintes bien fondées, qu'une sage prévoyance doit accueillir, et il n'est pas un seul prince protestant en Europe par lequel elles ne doivent être partagées au même degré. Cette affaire n'est pas tellement particulière au Roi des Pays-Bas qu'elle le paraît; elle a déjà appelé l'attention de plusieurs cabinets....”

19 Augustus 1823. Een deputatie uit de nationale garde van Duinkerken bezoekt Gent en Brugge. „Il y a eu des effusions de sentiments de part et d'autre, mais surtout de la part des Belges: des cris souvent répétés de „Vive la France! Nous sommes et nous serons toujours Français”....”

26 October 1823. Gesprek van den koning met zijn kamerheer, graaf de Mercy-Argenteau. „Est-il vrai, M. d'Argenteau, que vous fassiez élever tous vos enfants en France?—Très vrai, Sire, et je compte envoyer incessamment le dernier à Paris.—Vous trouvez donc l'éducation de ce pays bien mauvaise? Il est heureux que tout le monde n'en juge pas ainsi. Il me semble cependant que ce ne serait ni à vous, ni à ceux qui sont placés dans une situation comme la vôtre, à donner un semblable exemple. Si j'usais de mon pouvoir, et peut-être serait-il de mon devoir de le faire, je serais fondé à m'y opposer.—Mais, dans ce cas, Sire, ce serait aussi un droit que personne ne pourrait me contester, que celui de me séparer d'un pays où une pareille contrainte me serait imposée.—_Vous en avez toute liberté, Monsieur_, réplique brusquement le Roi, en lui tournant le dos.”—Drie dagen later zond de Mercy zijn kamerheerssleutel aan den koning terug.

12 October 1828. Inrichting der burgerwachten. „On a pris à Bruxelles de vives alarmes à raison de l'empressement extraordinaire qui a été apporté dans la partie méridionale des Pays-Bas à se faire enrégistrer sur les rôles de la garde communale. On a vu dans cet empressement un projet d'organisation qui certes existe très positivement dans beaucoup de têtes.... Il est remarquable que surtout dans les campagnes le clergé pousse singulièrement les paysans à se faire inscrire....” Men herinnert zich dat, na het oproer te Brussel twee jaar later, de burgerij onmiddellijk met de Brabantsche kleuren verscheen.

27 November 1828. Artikel van de Potter: „Opposons des mots à des mots. Jusqu'ici on a traqué les Jésuites; bafouons, honnissons, poursuivons les ministériels”[110]. De schrijver wordt wegens dit artikel vervolgd. „Il est difficile d'imaginer une ineptie plus complète et dont les conséquences peuvent être plus fatales aux Pays-Bas que ce que fait le gouvernement: au lieu d'entretenir les inimitiés entre les libéraux et les apostoliques, le ministère a tout fait (et il y a complètement réussi) pour réunir dans un même intérêt, à force de rigueurs inutiles, deux partis tellement antipathiques qu'aucun autre moyen de rapprochement n'existait peut-être entr'eux que celui qui a été employé. C'est ainsi que de rien on a fait une affaire très grave, parce que toutes les passions se rattachent à un prétexte que l'on cherchait depuis longtemps, et que l'on n'avait pas trouvé jusqu'ici.... La propos attribué au Roi qui l'a laissé échapper relativement aux journalistes, _qu'il fallait en finir avec cette canaille_, a une publicité fâcheuse et se trouwe aujourd'hui dans toutes les bouches”.

[110] Men vindt het bekende artikel overgedrukt bij Juste, Révolution belge, I, 112.

5 Januari 1829. Gesprek van den koning met het Brusselsch gemeentebestuur over de ongeregeldheden op den dag der veroordeeling van de Potter. „Je dois vous déclarer”, leur a-t-il dit, „que si de semblables excès venaient à se renouveler, je me déciderais à quitter votre ville pour me retirer à la Haye d'où je ne sortirais plus”.

* * * * *

In de berichten der officieele Fransche gezanten liggen even kenschetsende mededeelingen voor het grijpen:

„Dans le cœur du Roi, l'amour du bien, mais pas un des sentiments du monarque; dans sa tête pas un des principes de la monarchie: tour à tour absorbé dans les détails du major, du préfet, du directeur des droits réunis, mais ne s'élevant jamais au-dessus, et jamais à la hauteur du Souverain” (Latour-Dupin, 10 December 1817).

„Les mesures prises par le gouvernement pour réduire à deux par année toutes les processions, continuent à être envisagées d'une manière défavorable. Les habitants de Bruxelles ont vu avec peine que pour la première fois, à la fête-Dieu, on leur ait refusé le concours de la garnison” (de Caux, 19 Juni 1819).

„Le gouvernement s'applique à employer les troupes belges de préférence dans les provinces du Nord, tandis qu'il appelle ici les régiments hollandais” (Durand de Mareuil, 15 Februari 1821).

„C'est aujourd'hui pour la première fois qui j'ai vu le Roi des Pays-Bas paraître en public.... En ma qualité de Français, accoutumé a l'enthousiasme qu' excite toujours la vue du Roi, j'ai été très frappé de l'accueil glacé que S. M. a reçu sur son passage. La curiosité y avait attiré assez de monde, mais partout a régné un profond silence; pas une seule acclamation ne s'est fait entendre” (Mirona, 21 October 1822).

„La faveur accordée à la langue flamande, qui à vrai dire est à peine un patois, n'est qu' un moyen d'arriver à la langue hollandaise dont on veut faire avec le temps le langage exclusif du royaume. Cette vue manifeste ne contribue pas peu à augmenter la résistance et le mécontentement des Belges; mais le Roi marche à son but, et sauf des circonstances extraordinaires, sa volonté prévaudra” (Durand de Mareuil, 25 November 1822).

Oorzaak der mislukking van de onderhandeling met Nasalli over het concordaat. „Le Nonce a mis en avant les mêmes demandes qui ont échoué en Allemagne, tant pour la nomination des évêques et celle des dignitaires des chapitres, que pour la juridiction ecclésiastique. La Cour de Rome voudrait la faire réintégrer dans le jugement de diverses contestations, considérées depuis longtemps comme du ressort des tribunaux civils. Les matières matrimoniales en feraient partie.... Le Roi sent lui-même qu'ainsi que tous les princes protestants, il doit renoncer à la nomination des évêques, mais il voudrait qu' une influence quelconque du Gouvernement dans leur élection fût reconnue comme un droit. Quant à la juridiction, il ne l'abandonnera jamais” (d'Agoult, 30 April 1824).

Men beweert dat de koning hierom alleen de Kamers geen inzage laat nemen van zijn financieel beheer, omdat hij aan de mogendheden, die hem koning van België gemaakt hebben, uitkeeringen doet die eerst in 1826 zullen afloopen. „Je ne me serais pas décidé à vous faire remarquer d'aussi absurdes suppositions, si accueillies dans les premières sociétés du pays, elles ne pouvaient jouer un rôle dans le mouvement de l'opinion publique. Citées, d'abord, par un homme important de l'Etat, je les ai vu ensuite positivement affichées par un membre ministériel de la première Chambre, personnage de la plus haute noblesse et grand officier de la Couronne” (d'Agoult, 6 Juni 1824).

Collegium philosophicum. „La population des provinces occidentales du royaume est essentiellement religieuse; le clergé y exerce une grande influence sur la noblesse, sur la petite bourgeoisie et sur le peuple; il repousse une instruction plus relevée que celle qui lui suffit maintenant pour remplir son ministère et diriger les esprits” (d'Agoult, 13 October 1825).

Liberaal ministerie in Frankrijk[111]; invloed van dezen omslag in België; grooter vrijmoedigheid der dagbladschrijvers. „L'audace qu'ils montrent aujourd'hui et que les condamnations qu'ils viennent de subir n'ont fait que stimuler encore davantage, donnerait à penser qu'ils se croient soutenus par une influence puissante, ou qu'ils comptent beaucoup sur leur popularité; le fait est que la classe moyenne et industrielle leur est favorable, et que l'exemple de la liberté de la presse qui règne aujourd'hui en France à réveillé chez les Belges quelques idées d'indépendance. Leur passion dominante est de vouloir toujours ressembler aux Français, et c'est un des traits de leur caractère qui présente le plus de difficultés à un gouvernement qui désire toujours les isoler de tout contact avec leurs voisins. Jusqu'à présent il avait assez bien réussi à les en éloigner en flattant leur amour-propre et en leur montrant le simulacre d'une liberté dont ces derniers, disait-il, ne jouissaient pas comme eux. Maintenant ces prestiges ont perdu leur force; la vanité des Belges les rapproche de la France; il devient difficile de leur donner le change; ils veulent des institutions comme on les comprend chez nous. C'est là la corde sensible, les journalistes l'ont touchée, elle a retenti vivement.... Les journaux de toutes les nuances, à l'exception de ceux qui sont sous l'influence plus immédiate du ministère, ont pris le parti du _Courrier des Pays-Bas_[112]; ceux de l'opposition catholique n'ont pas été les derniers ni les moins ardents à plaider sa cause; les feuilles françaises même ont changé en critiques sévères les éloges qu'elles étaient habituées depuis longtemps à adresser à l'administration de la Belgique sur la parole de leurs confrères. Tout cela prouve l'union de la cause libérale dans tous les pays; le contrecoup de ces hostilités se fera ressentir partout. C'est ainsi qu'en frappant des individus, le gouvernement s'est engagé, sans s'en apercevoir, dans une guerre de principes qui peut lui occasionner plus tard de grands embarras, surtout si, comme on le remarque depuis quelques jours, les attaques deviennent plus systématiques que violentes, si l'on s'attache à se maintenir autant que possible dans l'ordre légal, et à combattre le ministère plutôt par des faits que par des personnalités. Déjà la question du budget a été abordée pour la première fois d'une manière sérieuse, c'est à dire à l'aide des chiffres, et l'on a cherché à s'immiscer dans des choses qui jusqu'à présent avaient été soigneusement dérobées à la connaissance du public. Cette nouvelle tactique, si l'on y persévérait, modifierait probablement la marche du gouvernement, et le ferait sortir du silence dédaigneux dans lequel il se renferme pour descendre à se justifier contre des reproches plus fondés en raison et exprimés avec plus de décence” (Lagrange, 14 November 1828).

[111] Ministerie-Martignac (sedert 4 Jan. 1828).

[112] Waarin het artikel van de Potter gestaan had.

Na een opsomming der door de Belgen in hun petitiën te berde gebrachte grieven (geen vrijheid van drukpers, geen vrijheid van onderwijs, geen jury, enz.): „Ces griefs, purement temporaires, pourraient être écartés par une administration plus juste et plus éclairée, mais il n'existe pas de remède aux deux causes permanentes qui compromettent la tranquillité de ces provinces: leur union avec la Hollande et la proximité de la France.—Le Belge hait le Hollandais et celui-ci méprise le Belge, au dessus duquel il se place à une hauteur infinie, et par son caractère national, et par les créations de son industrie, et par les souvenirs de son histoire. Dédaignés par leurs voisins du Nord, gouvernés par un prince dont ils ne possèdent pas la confiance, gênés dans l'exercice de leur culte, et, disent-ils, dans la jouissance de leurs libertés, surchargés d'impôts, ne prenant à la représentation nationale qu'une part disproportionnée à la population des provinces du Midi, les Belges se demandent s'ils ont une patrie, et s'agitent dans une situation pénible, dont ils cherchent en vain à prévoir le terme. Et cependant à leur porte et sous leurs yeux, la France recouvre chaque jour la prospérité et la gloire dont des revers sans exemple avaient un moment terni l'éclat. Faut-il s'étonner que beaucoup de vœux, beaucoup de regrets se tournent vers elle?” (Lamoussaye, 26 December 1828)[113].

[113] „Dans toutes les réunions, dans tous les lieux publics, on ose agiter la question de savoir si la France appuyerait de ses armes une insurrection de la Belgique” (Lamoussaye, 9 Maart 1829).

Wat de koning met het concordaat bereikt. Na zeer moeilijke onderhandelingen krijgt hij althans één door hemzelven uitgekozen bisschop, Mgr. Ondernard, benoemd (te Namen). „Des apparences de modération avaient recommandé ce prélat à la faveur du Roi; à peine installé, il s'est montré le plus fougueux des adversaires et du Collège philosophique et de la surveillance que le gouvernement s'efforce de conserver sur l'instruction publique” (Lamoussaye, 6 Februari 1829). Dezelfde ervaring had men eerlang met den nieuwen bisschop van Luik, van Bommel.

Het petitionnement. „Mgr. le Prince d'Orange reprochait à Madame la comtesse de Vilain XIV l'union de son mari avec une opposition que S. A. R. qualifiait de révolutionnaire. „Nous ne voulons pas de révolution”, a répondu Madame de Vilain XIV, „il s'agit seulement de faire peur au Roi, afin de l'obliger à céder”.—„Et si le Roi n'avait pas peur?”—„Monseigneur, le Roi a lu l'histoire, il sait ce que font les Belges lorsqu'ils sont poussés à bout”” (Lamoussaye, 3 Maart 1829).

Spanning tijdens de behandeling der tienjarige begrooting in de Tweede Kamer. De luitenant-generaal de Constant Villars, militair gouverneur van Brussel, spreekt den Franschen gezant over den toestand aan: „Le Roi a enfin ouvert les yeux. Il voit qu'il ne peut compter sur la Belgique et que la force seule est capable de la contenir. Mais nous ne sommes pas sûrs des troupes. Elles seraient d'ailleurs paralysées par les gardes communales que l'on a eu l'imprudence d'organiser. C'était mettre à ses ennemis les armes à la main. Il n'y a donc qu'un parti à prendre: c'est celui d'appeler des bayonnettes étrangères. Tel est du moins mon avis; c'est aussi celui du comte de Reede, grand chambellan, dépositaire de la plus intime confiance du Roi. S. M. ne s'y résoudra que le plus tard possible, mais je ne doute pas qu'il ne faille en venir là” (Lamoussaye, 11 December 1829)[114].

[114] Den 25{sten} November had Lamoussaye reeds gemeld, dat ook de gouverneurs van Zuid-Brabant en van Antwerpen dergelijke taal hadden gevoerd: 25.000 Pruisen zouden de rust komen herstellen. Na het inkomen der bekende koninklijke boodschap van 11 December hield men het er in België algemeen voor, dat dergelijke geruchten van regeeringswege waren verspreid om den indruk van dit staatsstuk te versterken. Onze gezant te Parijs, Fagel, verzekerde aan Polignac, dat het gerucht ten eenenmale ongegrond was (Polignac aan Lamoussaye, 22 Dec. 1829). Den 20{sten} Januari 1830 berichtte daarop Lamoussaye, dat niet slechts hooge ambtenaren, maar de koning zelf de bedreiging had uitgesproken: „A l'époque où les députés belges manifestaient une très vive opposition, le Roi répéta plusieurs fois devant des personnes dont la véracité ne saurait être mise en doute les paroles suivantes: „Que ces messieurs y prennent garde; d'un coup de sifflet je puis faire entrer les Prussiens.” Après le vote provisoire des recettes S. M. s'exprima en ces termes: „Je regrette que les choses aient pris cette tournure; j'aurais écrasé l'opposition; la France et la Prusse m'en auraient su gré””.—Men houde hierbij in het oog, dat 8 Aug. 1829 het liberale ministerie-Martignac door het reactionnaire ministerie-Polignac was vervangen.

De katholieken aan den vooravond der omwenteling: „De nombreux adeptes de M. l'abbé de Lamennais, qui embrassent toutes les conséquences de son système, annoncent que le catholicisme, arrivé aujourd'hui à une époque de régénération, doit travailler à s'asseoir sur des bases plus larges et plus conformes à son origine, en s'associant aux mouvements qui ont lieu en faveur de la liberté, et en isolant sa cause de celle d'un pouvoir qui n'est pas soumis à la suprématie romaine. Ces opinions qui présentent le contraste d'une obéissance absolue au Pape avec la plus grande indépendance de toute autorité temporelle, s'allient d'ailleurs à beaucoup de tolérance envers ceux qui placés en dehors du même cercle d'idées, réclament les mêmes garanties sociales.... Telles sont les doctrines qui semblent se répandre chaque jour davantage parmi les catholiques belges” (Lagrange, 28 Februari 1830).

„Non seulement les libéraux exaltés, mais aussi beaucoup d'hommes amis de l'orde par principe et par sentiment, et qui appartiennent à l'opposition catholique, semblent désirer de voir naître des troubles en France. Ce vœu irréfléchi prend sa source dans l'espoir de quelque combinaison politique qui soustrairait la Belgique à la domination hollandaise dont le joug, bien que fort tempéré depuis quelques mois[115], paraît toujours insupportable à une partie notable de la population” (Lamoussaye, 23 Juli 1830).

[115] Toespeling op de verzachting der taal- en onderwijsbesluiten, Mei-Juni 1830 (Juste, Révolution belge I, 202).

* * * * *

Uit de particuliere papieren van van Maanen:

Verspreiding van katholieke libellen in Vlaanderen. „Ces manœuvres ne peuvent être vérifiées que par un coup de hasard. Une surveillance, quelque active qu'elle soit, doit rester en défaut, parce que la distribution en est conduite avec le plus grand mystère. Elle se fait de nuit, et puis elle est faite avec une célérité qui prévient l'action de la police, parce que la première et la dernière pièce sont à peu près distribuées en même temps. Les colporteurs se partagent les quartiers de la ville, et ils n'ont par conséquent qu'un petit espace à parcourir. Depuis que je suis placé à la tête de l'administration, je me suis fait une étude particulière pour tâcher de trouver des moyens pour découvrir les agens de ces distributions. J'ai employé des mouchards, ma police ordinaire, la maréchaussée, le militaire même, mais toujours en vain. J'en ai toujours été pour mes peines et mon argent, sans plus” (de graaf van Lens, burgemeester van Gent, aan van Maanen, 2 Februari 1819).

Wat de regeering van door haar „beweldadigde” geestelijken verwacht. „S. M. a daigné, il y a peu de temps, étendre sa clémence et sa bienfaisance sur le prêtre Ryckwaert, en l'agréant comme chanoine du chapitre de Gand. Eh bien! ce prêtre fourbe et hypocrite du lendemain même de son agréation tramait contre le gouvernement. Ses vues et son ambition étant remplies, il a jeté le masque.... Vous et moi, nous devons gémir que des misérables de cette espèce ne répondent à de pareils bienfaits que par des outrages qu'ils font à leur bienfaiteur” (de graaf van Lens, thans gouverneur van Oost-Vlaanderen, aan van Maanen, 15 Mei 1822).

Wat men op taalgebied mogelijk acht. „De spraak gaat hier, dat de Hollandsche taal binnen eenige jaren ook in de Waalsche provinciën en Luxemburg voor alle openbare aangelegenheden zal ingevoerd worden, en dat er over het daartoe betrekkelijke besluit reeds bij het gouvernement geraadpleegd wordt. Wat hiervan zij, weet ik natuurlijk niet; maar ik houd er mij van verzekerd, dat het bloote gerucht op zich zelve reeds eene goede uitwerking zal hebben, waarom ik voorgenomen heb, mij daaromtrent niet ongeloovig te toonen” (de hoogleeraar in het Nederlandsch te Luik, Kinker, aan van Maanen, 1 December 1822).

Voorgevoel van de unie tusschen katholieken en liberalen[116]: „_Mathieu Laensberg_ is een blad, in schijn ten minste, van eenen tegenovergestelden geest van dien van den _Courrier de la Meuse_, maar die elkander met te veel voorzichtigheid en beleid behandelen, om van dien _Mathieu_ niet te zeggen: _timeo Danaos et dona ferentes_” (Kinker aan van Maanen, 24 Juli 1825).

[116] „Het is uit Luik dat zich deze vereenigde geest, als uit zijn brand- en middenpunt, in het overige Zuiden verspreid heeft” (Kinker aan van Maanen, 10 Februari 1829).—Vgl. het merkwaardig artikel van Paul Devaux in den _Mathieu_ van 21 Maart 1827, overgedrukt bij Juste, Révolution belge, I, 257.

„Ik ondervind dat wij achteruitgaan; de regeering verliest niet alleen de noodige kracht en kleur, maar zelfs de achting, de inschikkelijkheid die men steeds jegens haar moest hebben; zij schijnt zwak, zorgeloos, zonder vastheid, zonder beginsel” (van Doorn, gouverneur van Oost-Vlaanderen, aan van Maanen, 16 Mei 1829).

Uit een onderschepte katholieke briefwisseling. „Opposez-vous toujours, autant que cela dépend de vous, à l'extension de la langue hollandaise. Le flamand tel que vos pères l'ont parlé et écrit n'y perdra rien, tandis que le hollandais, écrit même par des personnes savantes et irréprochables, porte toujours avec lui les germes de l'hérésie” (aan van Maanen medegedeeld door G. L. Bergmann[117], bij een brief van 14 Juni 1829).

[117] G. L. Bergmann, Nassauer van geboorte, oud-officier van het leger der Nederlandsche Republiek, was sedert 1795 te Lier gevestigd en daar gehuwd. Hij was eenigermate de pleegvader van Jan Frans Willems; zijn zoon G. Bergmann, wiens „Gedenkschriften” in 1895 te Gent zijn uitgegeven, de eenige van de familie die na 1830 in België bleef, is de vader van den schrijver van _Ernest Staas_. G. L. Bergmann was een groot voorstander der regeering van Willem I; hij had het een of ander kanaal waardoor hij kennis kreeg aan brieven, door bekende unionisten te Leuven en te Luik aan partijgenooten te Lier geschreven, en deelde den inhoud aan van Maanen mede.

„Que voit-on, hésitation, incertitude, gêne et crainte dans la marche du gouvernement; organisation, réorganisation et finalement désorganisation de toutes les administrations quelconques. Encore un choc vigoureux et la machine croule” (onderschepte brief uit Leuven aan een ingezetene van Lier, 30 Juli 1829)[118].

[118] Bij een brief van Bergmann van 5 Aug. 1829.—De overeenkomst van indruk bij den opposant en bij den regeeringsman (van Doorn) is treffend.

„Indien Uwe Excellentie mij thans uitnoodigde rondborstig en op eer en geweten te verklaren, of, en in welke klas van 't volk het gouvernement nog opregte vrienden telt, zoude ik met leedwezen moeten antwoorden, in geene” (G. L. Bergmann aan van Maanen, 17 October 1829).

Tot welke middelen men afdaalt. „Je ne dois pas cacher à V. E. une chose, c'est que coûte que coûte il faut que Tielemans et de Potter[119] soyent condamnés, n'importe à quoi, si le gouvernement ne veut éprouver un rude échec, sans quoi on criera sur les toits, et le sot public, et qui est plus sot à Bruxelles encore qu'ailleurs, criera et croira que ces poursuites étaient des vengeances que rien n'autorisait. Selon moi, et dans ma plus intime conviction, un juge qui ne saurait s'élever aux plus hautes considérations d'ordre social et politique, et qui acquitterait ces gens là, commettrait un crime de félonie; mais il pourrait le commettre par bêtise, car V. E. n'en est pas à savoir d'aujourd'hui sans doute, que dans le nombre il s'en trouve qui sont de bien lourdes ganaches. C'est pour relever le moral des ganaches par la frayeur des intérêts lésés, la plus puissante de toutes, que j'ai mis dans le _National_ que peut-être la ville de Bruxelles cesserait d'être résidence royale. Cela peut avoir le double effet de produire du bien à Anvers et à Gand par l'espérance, et à Bruxelles par la peur. Il serait utile que deux ou trois feuilles de la Hollande le répétassent, comme venant du _National_, en ajoutant que le _National_ est d'ordinaire bien informé. Ce sont de ces coups d'adresse dont s'alimente la politique dans tous les pays du monde” (Libry Bagnano aan van Maanen, 23 Februari 1830).

[119] Vervolgd wegens het plan van nationale inschrijving tot schadeloosstelling van afgezette ambtenaren (Juste I, 185).

„La fermentation commence à se faire sentir ici, quoique peu de chose jusqu'à présent. Aucun courrier ni diligence de Paris n'étant arrivé aujourd'hui, la rue, devant mon habitation, est encombrée de monde qui attend les nouvelles. En rentrant ce soir à dix heures de l'imprimerie du _National_, j'ai reçu quelques insultes verbales, mais peu bruyantes. J'ai cependant très distinctement entendu, dans le nombre, _van Maanen à la lanterne, à bas les Hollandais_” (Libry Bagnano aan van Maanen, 31 Juli 1830).

* * * * *

Belgische dagbladartikelen tusschen de omwenteling te Parijs en het oproer te Brussel:

„Les Belges ont une nationalité qu'on ne peut affecter de méconnaître qu'en répudiant le long témoignage de leur histoire et en ne tenant aucun compte des nombreuses spécialités de caractère qu'ils présentent encore aujourd'hui. Il est vrai que cette nationalité n'a pas toujours suffi seule au maintien de leur indépendance, et que pendant longtemps les Belges n'ont vécu de leur propre vie que moyennant les secours et sous la protection de quelque grande puissance. C'est là une raison non pas de nier leur nationalité, mais de la déclarer d'autant plus forte et plus vivace, puisque l'étranger protecteur n'est jamais parvenu à la faire s'absorber et se perdre dans sa propre nationalité. Si donc la Belgique a des titres pour demeurer elle-même, nos voisins du Midi doivent comprendre qu'il n'entrera jamais dans nos vues ni dans nos intérêts de devenir simple province de la France. A la vérité il est permis aux Français comme à nos autres voisins de bâtir tels projets politiques qu'il plaira sur la double donnée de notre volonté de rester Belges, et de notre disposition à préférer toujours l'espèce de gouvernement qui nous donnera le plus de facilité pour vivre et agir comme Belges. Car nous n'avons, aujourd'hui comme autrefois, aucun autre motif que notre intérêt national pour aimer l'alliance d'un peuple quelconque, ou l'autorité d'une dynastie quel qu'elle soit. Que l'on nous demande après cela si le régime actuel nous ménage tout ce que, comme Belges, nous avons le droit de désirer, nous répondrons non, sans hésitation comme saus crainte. Nous ajouterons cependant que jamais l'ancien régime français ne nous accorda une part aussi large que celle que nous possédons aujourd'hui tout en la déclarant incomplète. Nous dirons de plus qu'à notre avis toute réunion actuelle de la Belgique à la France, pour devenir province de ce dernier pays, aurait encore pour résultat immédiat la perte d'une bonne partie des avantages nationaux que nous avons déjà. Que dire ensuite de la perte certaine que nous ferions des chances que se présentent maintenant d'augmenter notre importance politique? La loi fondamentale n'ouvre-te-elle pas le champ à toutes les modifications que la Belgique peut avoir à désirer pour prendre dans le royaume des Pays-Bas le rang que lui assignent et sa population et l'étentue de son territoire? D'autres proportions dans la représentation nationale, moins de complication dans le systême électoral, un respect réel pour la liberté de la presse, d'autres bases pour la fixation du siège de quelques grands corps de l'Etat, ce n'est là que l'indication rapide et incomplète de ce que les nouvelles circonstances nous permettent d'attendre, même du commun accord de tous les pouvoirs qui président à notre organisation sociale. Nous prévoyons l'objection que l'on va tirer contre nous de la répugnance montrée jusqu'ici à satisfaire entièrement les Belges, même dans ce qu'ils demandent de plus ordinaire et de moins important. Nous répondrons que le changement survenu en France doit changer bientôt plus d'une politique. Celle de notre gouvernement subira, la première, ces variations indispensables. M. de Polignac n'est plus là qui donne à notre cabinet des garanties contre nature. En proclamant le principe de la non intervention dans les affaires des peuples, qui sans tendre à changer les bornes de leur territoire, demandent seulement des modifications dans leur régime intérieur, l'Angleterre force tous les gouvernements à marcher bon gré mal gré suivant l'impulsion des majorités. Ces deux faits nouveaux entreront pour beaucoup dans les combinaisons qui vont servir de base au systême qui présidera désormais à la conduite de nos hommes d'état” (_Courrier des Pays-Bas_, 10 Augustus 1830).

„Nous avons souri quand nous avons vu nos journaux ministériels montrer de la sympathie pour les événements de France. Ils ne voient là, ou feignent de n'y voir, qu'un mouvement passionné contre le parti-prêtre; ils paraissent ignorer que c'est le triomphe de la légalité et de la liberté la plus large sur toute espèce de despotisme et d'arbitraire; le temps se chargera de le leur apprendre.... Nos adversaires qu'espéraient-ils des événements de la France? Y trouver quelques exemples à l'appui de leur philosophisme étroit et faux, quelques noms imposants pour relever leur servile intolérance, avant tout sans doute quelques arguments contre la liberté d'enseignement. Eh bien, dans tout ce qui se fait ou se propose aux chambres dans ce moment de passion, pas une mesure ni une proposition intolérante contre le parti ecclésiastique, partout la liberté avec toutes ses conséquences.... Mais ce n'est pas tout que la question religieuse: bien s'en faut. Et les coups d'état, par exemple, dont nous aussi on nous menaçait, il y a à peine quelques mois. Qu'on vienne encore nous parler de la nécessité de la dictature, qu'on s'évertue donc de nouveau à découvrir dans notre loi fondamentale un équivalent à l'article 14 de la Charte[120]. La question de la responsabilité ministérielle aussi pourrait singulièrement s'éclaircir aujourd'hui et bien d'autres avec elle. Arrive maintenant la session de nos chambres, et l'on verra si le ton ne sera pas changé à l'égard de l'opposition du Midi. On pourrait bien ne pas lui contester même le droit de refuser, quand bon lui semble, les budgets soumis à son suffrage.... Laissons le temps faire son œuvre. Il est sans doute des esprits routiniers qui n'ont pas encore compris que la situation de l'Europe et la leur sont toutes nouvelles. Mais la lumière arrivera vite” (_Le Politique_[121], 14 Augustus 1830).

[120] „Le Roi fait les règlements et les ordonnances nécessaires pour l'exécution des lois et la sécurité de l'Etat.” In dit artikel had het ministerie-Polignac den rechtsgrond gezocht voor de ordonnantiën van 26 Juli 1830, die aanleiding gaven tot de omwenteling te Parijs.

[121] Opvolger van _Mathieu Laensberg_.

„Dans les circonstances actuelles, l'opposition veut avant tout se montrer modérée; elle attend au lieu de réclamer, mais son silence est loin d'être le calme de la satisfaction et s'il était mal apprécié, force serait bien de le rompre. Contentons-nous de répéter que le gouvernement commet une faute capitale toutes les fois qu'il laisse à la Belgique quelque chose à envier à ses voisins” (_Journal de Verviers_, 14 Augustus 1830).

* * * * *

Mij dunkt dat deze artikelen, dat van den _Courrier_ vooral, merkwaardig zijn en den sleutel geven tot veel van hetgeen gevolgd is. Dikwijls is op de gematigdheid der Belgische oppositie gewezen, zooals zij zich in de dagen die onmiddellijk aan het oproer voorafgingen, geuit heeft. Die gematigdheid bestaat toch meer in den vorm, dan in het wezen. Invoering van het meerderheidsstelsel in den staat der zeventien Nederlanden beduidde de omverwerping van dien staat zelf, zooals hij op de artikelen van Londen gegrondvest was. De Belgen konden niet minder vragen, maar in Holland begreep men zeer wel, dat toegeven aan de Belgische eischen, zonder scheiding der beide helften, de opoffering van het historische Holland beteekende. Wanneer het oproer te Brussel is uitgebroken en Gendebien in den Haag „herstel van grieven” komt verzoeken, werpt hem de minister Lacoste tegen, dat, bij toegeven aan dit verlangen, Holland op zal staan. „Cette observation fut pour moi un trait de lumière, et je conçus dès lors le projet de la séparation du Nord et du Midi”[122]. Het denkbeeld eener scheiding heeft dus niet van den aanvang af op den voorgrond gestaan; wèl was men vóór het oproer reeds besloten, het oogenblik dat de hulp van Frankrijk wellicht voor de Belgische oppositie beschikbaar was, niet voorbij te laten gaan om volledig herstel van grieven te verkrijgen[123]. Den 2{den} Augustus reeds hadden de liberalen van den _Courrier des Pays-Bas_ zich in betrekking gesteld met Parijs, maar den 15{den} hadden zij tot antwoord gekregen dat Frankrijk zeker in het eerste jaar niet zou kunnen intervenieeren. Daarop was, den 17{den} Augustus naar het schijnt, besloten den opstand, dien men inderdaad voorbereidde, voorloopig uit te stellen tot 15 September[124]. Den 21{sten} Augustus had daarop Gendebien Brussel verlaten, om ook elders in het land den opstand af te bestellen. Dit besluit van 17 Augustus verklaart het eigenaardig karakter der gebeurtenis van den 25{sten}, die Gendebien zelf „une mauvaise farce d'écoliers” noemt. „Beaucoup de ceux qui auraient pu diriger le mouvement étaient absents; les autres, fidèles à la consigne, ont voulu l'arrêter; de là incertitude, défaut de direction et par suite mouvement désordonné de la part du peuple, qui eût agi merveilleusement s'il eût été bien dirigé”.—Hiermede stemt goed overeen wat Levae, de redacteur van den _Belge_, aan de Potter schrijft: dat hij den 25{sten} Augustus te middernacht, dus twee uur na het begin der ongeregeldheden, nog welgekleede lieden gezien had, die het volk bestuurden, „mais à trois heures du matin, lorsqu'on a mis le feu chez van Maanen, tous ces gens _comme il faut_ avaient disparu; je n'ai plus aperçu que l'écume de la société.... Ce peuple a bientôt senti sa force et en a profité, non pour faire une révolution, comme l'avaient sans doute espéré ceux qui l'ont déchaîné, mais pour faire ses _propres_ affaires: il s'est mis à brûler les fabriques, à briser les mécaniques, à piller, à dévaster”[125]. De autoriteiten werden geheel ongemoeid gelaten; toen zij werkeloos bleven, was het de burgerij van Brussel die de wapenen opnam en de orde herstelde. De officieren van de burgerwacht en niet de vertegenwoordigers van het koninklijk gezag waren nu meester van de stad. Zoodra zij de Fransche driekleur van het stadhuis zagen wapperen, rukten zij die af en vervingen ze niet door de Nederlandsche, maar door de Brabantsche kleuren. Het was met deze burgerwacht dat de Prins van Oranje in onderhandeling trad, toen hij den 31{sten} Augustus met zijn troepen voor Brussel verscheen. De prins begon met aan een eerste deputatie zijn voornemen mede te deelen den volgende dag „omringd door de burgerwacht en gevolgd door de troepen” in de stad te verschijnen; hij stelde den eisch dat de Brabantsche kleuren zouden worden afgelegd[126]. Toen men in de stad hiervan hoorde, richtte het volk barricades op en weigerde de Brabantsche kleuren af te leggen. Een tweede deputatie, in den avond van den 31{sten} vertrokken, overreedde den prins zonder troepen in de stad te komen. Des nachts zond de prins nog een adjudant in de stad, om aan den eisch van het afleggen der Brabantsche kleuren te herinneren; bij zijn intocht op den volgenden morgen werd hem een brief van den commandant ter hand gesteld, waarin hij er op voorbereid werd dat de kleuren niet waren afgelegd[127]. De prins begaf zich niettemin in de stad, waar hij natuurlijk niets uitrichten kon, daar hij geen troepen meer bij zich had om zich te doen gehoorzamen, en evenmin gemachtigd was om hetzij herstel van grieven te beloven, hetzij een Belgische koningskroon aan te nemen. Het eenig gevolg van zijn bezoek was, dat krachtens overeenkomst van den 3{den} September de nog in de stad aanwezige troepen vertrokken, waartegen de burgerwacht op haar eerewoord beloofde, geen verandering van dynastie te zullen gedoogen. De prins vertrok naar den Haag, waar hij de scheiding van Noord en Zuid bij den koning zou aanbevelen[128]. Deze kondigde aan, dat hij de Staten-Generaal, tegen 13 September in den Haag beschreven, de vraag zou voorleggen. Een uitstel dat België, reeds verloren voor zijn persoon, ook voor zijn huis verloren heeft doen gaan. Na den 3{den} September toch nam de uiterste partij, die in Augustus door de gebeurtenissen verrast was, weer geheel de overhand, en wist, door een wanhopige krachtsinspanning, de beslissing over België's lot aan zich te trekken. Het is deze periode der omwenteling, die het minst bekend, enevenwel het gewichtigst is. Wij gaan er een overzicht van geven naar de dépêches van Thomas Cartwright, den secretaris van het Engelsche gezantschap in den Haag, die door den gezant Sir Charles Bagot naar Brussel werd afgevaardigd, opdat de Engelsche regeering het daar voorvallende zou kunnen vernemen uit de eerste hand[129]. Hij kwam er den 7{den} September aan; zijn eerste brief is van den 10{den}, en begint met te verhalen, wat sedert het vertrek van den Prins van Oranje was gebeurd. Uit het mede opgestane Luik waren 300 vrijwilligers binnen gekomen onder aanvoering van Charles Rogier; een kostbare hulpbende voor de uiterste partij. Prins Frederik stond met de troepen onderwijl nog te Vilvoorde, maar zeide den 6{den} aan een deputatie (Joseph d'Hooghvorst en Gendebien) toe, dat hij het hoofdkwartier naar Antwerpen zou verleggen, gelijk hij den 8{sten} ook deed. Intusschen had de koning den 5{den} de proclamatie uitgevaardigd, waarbij hij beloofde aan de Staten-Generaal de vraag te zullen voorleggen, of er termen waren om verandering te brengen in de betrekkingen tusschen de twee groote deelen van het koninkrijk. De koerier die deze proclamatie naar Brussel bracht, kwam den 7{den} 's ochtends in de stad; hij was aan den gouverneur van Zuid-Brabant, van der Fosse, geadresseerd. De wacht bracht hem naar het stadhuis, waar de vergadering van notabelen zitting had, die na den 25{sten} de plundering bedwongen en zich sedert voor de rust der stad aansprakelijk had gesteld[130]. Deze vergadering achtte het stuk niet geschikt om te Brussel bekend te worden gemaakt; zij verkreeg dat van der Fosse het achterhield, en vaardigde acht harer leden[131] naar Prins Frederik te Vilvoorde af, om te verzoeken dat het zou worden ingetrokken en door een ander vervangen, dat de scheiding reeds voltrokken zou noemen en door den koning goedgekeurd. Zoo niet, dan vreesde men een volksbeweging en het aannemen der Fransche driekleur[132]. Prins Frederik verzocht dit een en ander op schrift, om het naar den Haag te kunnen zenden. Toen de deputatie in de stad terugkwam, waren daar Hollandsche en Antwerpsche couranten ontvangen die den tekst der proclamatie inhielden. Van der Fosse begreep dat verdere geheimhouding nutteloos was en liet het stuk nu ook te Brussel aanplakken, maar het werd onmiddellijk door het volk afgescheurd. Men had het publiek in den waan gebracht, dat de Prins van Oranje eenige dagen na den 3{den} in de stad zou terugkeeren met de uitdrukkelijke toestemming des konings in den eisch tot scheiding, en nu achtte het zich verraden en drong op de onmiddellijke benoeming van een voorloopig bestuur aan[133]. De notabelenvergadering wilde eerst nog het antwoord uit den Haag op het door Prins Frederik overgezonden stuk afwachten. Voor het geval dat dit antwoord weigerend zou zijn, zeiden zij de oprichting van een revolutionnair bestuur toe, waartoe zij thans reeds de personen zouden aanwijzen; de kamerleden zouden in zulk geval natuurlijk niet naar den Haag vertrekken, om de vergadering der Staten-Generaal bij te wonen aan welke 's konings vraag zou worden voorgelegd. Na deze beloften keerde de rust in de stad terug. Den volgenden dag echter, toen de leden van het voorloopig bestuur nu voor alsdan feitelijk zouden worden benoemd, kwam het naberouw, en verklaarde niemand zich bereid dan de Stassart[134]. Daar nu bleek dat van hun aanwezigheid te Brussel geen partij te trekken was, keurde de uiterste partij goed dat de kamerleden naar den Haag gingen, ja moedigde hen zelfs daartoe aan, terwijl zij er zich den vorigen dag hevig tegen verzet had; doch wilden de Belgische kamerleden zich niet constitueeren tot een Belgische regeering, dan zag men hen liever van ver dan van nabij. Nu de oprichting van een voorloopig bestuur mislukt was, stelde de burgerwacht (met medewerking van het nog steeds niet ontbonden wettige gemeentebestuur, dat aan het nieuwe orgaan zijn functiën zou overdragen) een „commission de sûreté” van acht personen in, om te waken, naar het in de instructie heette, „voor het behoud der dynastie en de handhaving van den eisch tot scheiding van Noord en Zuid”. De acht leden waren Gendebien, Rouppe, van de Weyer, graaf Felix van Merode, de prins van Ligne, de hertog van Ursel, Frédéric de Sécus en de bankier Ferdinand Meeus; drie heftigen (de drie eerstgenoemden) en vijf gematigden. Maar van de vijf gematigden waren er twee (de prins van Ligne en de hertog van Ursel) bij afwezigheid benoemd en bedankten; ook de baron de Sécus nam geen zitting[135]. Van den anderen kant namen de heftigen geen genoegen met de voorwaarde, waarop het gemeentebestuur de nieuwe commissie alleen erkennen wilde: dat achter het woord „handhaving” in de formule bovengenoemd zou worden ingevoegd: „door wettige middelen”. Den 11{den} September liet het gemeentebestuur zijn eisch vallen[136].

[122] Gendebien aan de Potter, 16 Sept. 1830 (bij Juste, Révolution belge II, 191).

[123] Vgl. wat Gendebien later in het Congres zeide over de vergaderingen der partijgenooten te Brussel op 7, 13, 15 en 17 Augustus 1830 (bij Juste, Histoire du Congrès National II, 272), waarmede het artikel in den _Courrier_ van 10 Aug. goed overeenstemt.

[124] Gendebien aan de Potter, als boven.

[125] Levae aan de Potter, 4 Sept. 1830 (bij Juste, Révolution belge II, 174).

[126] Juste II, 34.

[127] „Bruxelles le 1er septembre 1830.—Un entretien que je viens d'avoir avec M. le comte de Crucquenbourg, aide de camp de V. A. R., m'a fait connaître à mon regret le fâcheux malentendu qui paraît avoir existé entre V. A. R. et la seconde députation relativement aux couleurs adoptées par la garde bourgeoise comme signe de ralliement. Aucun des membres de la commission n'a prononcé un seul mot qui pût faire supposer l'intention de s'engager, au nom de la garde bourgeoise, à quitter les insignes imposés par les circonstances impérieuses où nous nous sommes trouvés la semaine dernière. Les chefs de la garde bourgeoise et moi, nous serions entièrement disposés à faire aux désirs de V. A. R. le sacrifice d'une simple question d'amour propre, mais l'opinion générale, énergiquement manifestée par les événemens de cette nuit, ne nous permet pas de renoncer _quant à présent_ aux couleurs brabançonnes sans nous rendre responsables des plus effrayantes conséquences. Je supplie respectueusement V. A. R. au nom de la sécurité publique, que nous avons su protéger jusqu'à présent, au nom de la dynastie à laquelle nous restons fidèles, de ne pas insister sur un point dont l'existence n'est que momentanée, dans l'heureux espoir que sa présence pourra, par une noble et entière confiance, rallier les Bruxellois et tous les Belges aux couleurs royales, que la force irrésistible des choses leur a seule fait quitter momentanément. (Signé) BARON VAN DER LINDEN D'HOOGHVORST” (bij een dépêche van Sir Charles Bagot, 7 Sept. 1830; F. O.).—Met „les événemens de cette nuit” worden de vergadering van de officieren der burgerwacht en de volksoploop bedoeld, waarvan Juste (II, 38) en van der Smissen (bij de Kerchove de Denterghem, Préliminaires de la Révolution belge, p. 16) spreken.—De voorstelling, die de prins van het gebeurde aan Bagot gaf, komt niet met den brief van d'Hooghvorst overeen. „H. R. H. assured me, that when the second deputation waited upon him at Vilvorde, they took off, of their own accord, the colors which they had worne upon their arrival; and in the conversation which then passed between him and them upon the subject of these colors, he had certainly understood, that upon his entering the town they should be no longer worne. Upon his arrival the next day before Brussels, and only at the moment when he met the garde bourgeoise close to the town, the letter, of which H. R. H. allowed me to take the enclosed copy, was put into his hands.”

[128] Zie, behalve Juste, voor het verblijf van den prins te Brussel vooral de Kerchove de Denterghem; ook Stern, Geschichte Europa's IV, 104 (met bericht van Lamoussaye van 4 Sept. 1830).

[129] Zijn berichten zijn nog enkel door Prof. Stern gebruikt.—Voorts zijn voor deze periode van veel belang de stukken, uitgegeven door graaf de Kerchove de Denterghem in de Revue de Belgique van 1897 (Les Préliminaires de la Révolution belge).

[130] „This assembly is the council which directs the course of policy adopted by the Belgians, and is composed of all persons of property or influence belonging to this country who choose to resort to it. It was first formed on the 27th in the outset of this insurrection, when Monsieur de Sécus was named president [Juste II, 27]. As the insurrection appeared to gain strength and ground, this assembly became more numerous, and it has lately been attended by many of the principal nobles of this place as well as the members of the States General. It has not assumed any title, nor is it openly avowed, but it is the spring which directs ostensibly the whole machine now in movement, and I cannot describe it better than by saying it is the Great Council of this insurrection.”

[131] Den graaf van Aerschot, baron Joseph d'Hooghvorst, en voorts de kamerleden de Brouckere, de Gerlache, de Langhe, le Hon, Huysman d'Annecroix en Surlet de Chokier.

[132] Het bericht van Cartwright is zoo goed als uit de eerste hand, daar hij juist na het vertrek der deputatie Vilvoorde passeerde en daar door Prins Frederik ontvangen werd, die hem mededeelde wat de heeren hadden gezegd. „They plainly told H. R. H. that all parties were united in requesting a complete and unqualified declaration on the part of His Majesty, that He consented to an immediate separation of the Southern from the Northern Provinces, and that nothing short of it would be deemed satisfactory”. Werd de proclamatie van den 5den bekend gemaakt, „they would not be responsible that in the moment of irritation, when carried away by their excited feeling, the enraged populace might not hoist the French tricolour flag in spite of all endeavours to restrain them.”

[133] „I do not believe from what I can learn from the best sources, that H. R. H. ever pledged himself to return here on the 6th, but the leaders having made this idea current, when it was generally credited they took advantage of it to excite the feeling of the people against H. R. H. by representing Him as having broken faith, and they were glad of such an opportunity of counteracting the popularity he had certainly gained by entering the town on the 1st and his general conduct during his stay in it.”

[134] „On the 8th, a most extraordinary change occurred in the resolutions of the assembly.... When it came to the question of actually nominating the individuals to compose the Provisional Government, the deputies de Celles, Brouckere, de Langhe, seemed to have perceived that it began to be a very serious affair; that they were closing the door to any reconciliation with the Government, and their cooler judgments induced them to decline the honour the assembly proposed to confer upon them. Monsieur de Stassart alone had courage to declare his readiness to accept the post.”

[135] Hij werd den 14den September vervangen door graaf de Vilain XIIII, die evenmin zitting nam.

[136] Zie de Kerchove de Deuterghem, bl. 48.

In de nieuwe commissie, gelijk in de burgerwacht zelf, waren dus twee richtingen vertegenwoordigd. Ziehier hoe Cartwright ze onderscheidt. „The liberal party is the least numerous, and its leaders, with the exception of M. de Celles, Stassart and one or two others, neither of family, nor influence, nor property, but are chiefly young men who idolize M. de Potter as their divinity, and certain lawyers who are editors or scribblers in the _Courrier des Pays-Bas_. They are of the school of M. Lafayette, and I believe them to be ready to go any lengths rather than to be ruled any longer by the present dynasty.—The catholic party[137] consists of all the nobles and persons of wealth and influence in the country, the most respectable inhabitants concerned in trade, and the clergy. They wish that Belgium should have its own independent institutions, but certainly do not desire to withdraw their allegiance to the House of Nassau.... The desire to repel any attempt to introduce troops into the town before the separation was satisfactorily decided has been the common tie which kept them perfectly united to all appearance so long as Prince Frederick remained at Vilvorde. The decision therefore which the government has taken to withdraw the troops from the immediate neighbourhood of the town has certainly been very judicious, and is already shewing its effects, for it has not only removed out of the way of the leaders of this insurrection the power of sounding the alarm, with which they at pleasure increased the excitement among the people and rallied the spirits of those who were inclined to relax in their ardour for the revolutionary cause, but by taking from the inhabitants all necessity for thinking of further defence, has left them to quarrel among themselves, and indeed evident symptoms of dissentions have already manifested themselves within these two days.... The liberals or violent party hold the rabble in their pay and may put them in motion at pleasure.... Only last night an attempt was made to burn an hospital where there are a few sick soldiers, and the principal surgeon is a Dutchman. A thousand men of the lowest class have been enrolled very improperly in the Burghers guard and receive a florin each _per diem_.... The town is now beginning to feel the evil effects of the revolt, commerce is at a complete stand and the retail trade has suffered most severely from the alarm which has induced hundreds of families to leave the place. The Bank up to yesterday refused to change their own bills at any other rate than giving only one fifth in cash, so that a person presenting a bill for 500 florins only obtained 100 florins in money and the rest in bank bills. This want of money has caused the most serious inconvenience, and if matters remain _in statu quo_ for a week or two longer, great apprehensions are entertained that several bankruptcies will declare themselves in different parts of the country.... A change must take place, and I am inclined to think from the best information that one of the two following cases will occur shortly. Either the catholic party will upon finding the excitement abating take the first plausible pretext of declaring themselves content to await the result of the only legal mode of settling the question of separation;—or the liberals will with the aid of the rabble carry their point and declare for France. The object of this party is to establish the independence of Belgium under the protection of France, but few of the nobles, manufacturers or persons connected with trade being in favor of it, I cannot believe it will be attempted in any earnest. The leaders complain of having been but badly seconded by the towns in Belgium with exception of Louvain and Liege, where the insurrection has been complete. Antwerp has decided on an address to the King, and Ghent is expected to follow the example”[138].

[137] Later spreekt hij, meer juist, van „de gematigden”.

[138] Tot zoover Cartwright 10 September.—„Gand et surtout Anvers jettent les hauts cris. Messieurs du commerce et de l'industrie ont peur que, le divorce accompli, les Hollandais ne mettent l'Escaut en bouteilles” (Lesbroussart aan de Potter. 9 Sept. 1830; bij Juste II, 181).—In de verzameling-van Maanen berusten een vrij groot aantal brieven uit de eerste helft van September, geschreven uit Kortrijk, Oudenaarde, Gent, Aalst, Antwerpen, Lier, Borgworm.—Overal is het nog stil, vooral in de beide Vlaanderen. „De rebellen hadden eerst _grieven_. Zij eischen alsnu de _scheiding van het Rijk_. Morgen bevelen zij den _afstand des Konings_, en overmorgen de vereeniging met Frankrijk” (Audoor, Oudenaarde 11 Sept.).—„Gelooft Z. M. misschien, dat de gevraagde afscheiding van Noord en Zuid, al wierd zij dadelijk toegestaan onder de gunstigste voorwaarden voor de rebellen, de rust zoude herstellen en de Fransche factie tot zwijgen brengen?.... De kroon die men veinst de dynastie over het Walenland te willen laten dragen, zal op een prijs gesteld worden dien het aloude Oranjehuis niet kan aannemen zonder zich bij de tegenwoordige en toekomende generatiën te onteeren. Bukt men niet onder dat smadelijk juk [van Roomsch te worden, meent hij], dan wordt de gebrandmerkte troon aan een zoon van d'Orléans opgedragen..... Ik vertel hier geen sprookjes; dit is het plan, immers de correspondentie wakkert alle subalterne agenten aan, om het volk met dat denkbeeld vertrouwd te maken. Men snoeft op stellige beloften van het Fransche gouvernement, om _à point nommé_ te hulp te komen.... Hier in de Kempen is alles gerust en vindt men tot nu toe niet het minste spoor van oproergeest. Deze provincie en de Vlaanderen zijn door het onderwijs al meer Nederlandsch geworden als de woelzieke Waalsche” (Bergmann, Lier 14 Sept.).—„De Belgische provinciën willen geene republiek uitmaken; zij willen nog minder deel maken van Frankrijk” (Schuermans, Aalst 16 Sept.).—„Tout est tranquille dans les provinces flamandes jusqu'à présent. Toujours est-il vrai que les contributions ne rentrent pas; que ce serait imprudent d'en forcer le payement par exécution, et que des embarras financiers pour le service public en seront bientôt le résultat....” (Audoor, Gent 19 Sept.).

Den 14{den} September schrijft Cartwright als volgt:

„A most violent struggle is at this moment going on between the two parties in the council at the Hôtel de Ville. Since Sunday morning[139] the liberals have three several times attempted to proclaim a Provisional Government, which has only failed through the resolution with which it was met by the Barons d'Hooghvorst[140] and their adherents. In the terms of a proclamation, issued by the _commission de sûreté_, the liberals saw an inclination to return to order, which but ill accorded with their views, and they have consequently been directing all their efforts to overturn that commission[141].... Such a step as proclaiming a Provisional Government at the moment the King's speech[142] might be expected to arrive, could only have been pressed by a party resolved to carry matters to extremities, and who feared to find in that document a communication which might satisfy the public mind. The nature, impolicy and folly of such a measure were set forth in their true light, and the moderate party prevailed on the council to reject the proposition.... The moderate party would desire nothing better than to find some door open to them, by which they could with consistency get out of this scrape, and much as I am convinced they wish it, they still profess that they never will abandon the cause in which they have embarked, until some satisfactory assurance be given by the King, that the separation shall have H. M.'s consent.... The Barons d'Hooghvorst are very popular with the respectable inhabitants, among whom they have a very large party, and by whom they are very much respected, and were they to receive on the part of the King any assurance which they might offer to their party as perfectly satisfactory, I am convinced it is not only in their power to do so, but that they would instantly reestablish the King's government and authority.... There is such a dread that the crisis will be attended with tumult and disorder of the most vicious descriptions, in case the liberal party succeed in their schemes, that hundreds of persons have been leaving the town yesterday and to-day, and among them many of the Bourgeois themselves. The nobility evidently desire to quit the town from the fear that they may be considered as countenancing the revolt, and they have all either retired to the country, or have proceeded to the Hague.... Arms continue to arrive from Liege, and quantities of pikes are making to arm the rabble in case of force being used. The colliers from the neighbourhood of Mons, known under the name of the Borains, alone amount to 15.000 men, all too willingly to lend their assistance when called upon.”

[139] 12 September.

[140] Emanuel, den commandant der burgerwacht, en diens broeder Joseph.

[141] „Nous sommes toujours dans la légalité, cette niaiserie qui fait sourire tous les gens éclairés, et que certaines gens n'ont imaginé que parce qu' ils s'étaient mis en avant et qu'ils craignent, non sans raison, pour leur cou.... Tous ces messieurs rêvaient déjà, il y a quelque temps, lorsque le prince était ici, aux postes élevés qui les attendaient dans leur imagination; l'un d'eux poussa le délire jusqu' à parler d'un ton de protecteur à moi” (Levae aan de Potter, ± 13 Sept. 1830; bij Juste II, 186).

[142] Ter opening van de zitting der Staten-Generaal.

Cartwright 17 September: „The King's speech reached Brussels on the evening of the 14{th} and has not had the effect of satisfying either party. On the same day it was received, a dinner was given by the sections to the deputation from Liege[143] as well as the officers of the Liegeois guard, of whom about 150 still remain at Brussels, the rest having been found too disorderly and inclined to mischief to render them a desirable aid in the unsettled state of the town, and were consequently sent back to Liege the end of last week. This dinner was attended by the staff of the Garde Bourgeoise, but the Barons d'Hooghvorst, and most of the moderate party, were not present. About six, the staff retired on account of their duties at the Hôtel de Ville, when the commander of the Liegeois, Monsieur Rogier, an attorney, was called to the chair. Soon afterwards he announced the receipt of the King's speech, which he read aloud to the company, but every sentence was received with strong marks of disapprobation, which increased as he proceeded, until at length, when he read the last paragraph but one, wherein the King declares he will not yield to faction[144], an uproar ensued which beggars all description. My informant, who is an officer of the Garde Bourgeoise and was present from motives of curiosity, told me that the cries of _aux armes, vive la liberté, à bas le Roi_ resounded on all sides. Swords were unsheathed and the tumult and exaltation so great that for many minutes the President could not proceed, and when at length he terminated, the speech was burnt amidst the acclamations of the company. Monsieur Jottrand, one of the editors of the _Courrier_, then addressed the assembly and said that though the King in the commencement of his speech had spoken _en Rodomont_[145], he had in the sequel given proofs of a better disposition by proposing the two points for the immediate discussion of the States General[146], and he recommended that the result of that discussion should be awaited with patience. Monsieur Claes, another of the editors of that paper, supported Monsieur Jottrand, and though this opinion was evidently participated but by very few, some sort of order was by degrees reestablished. Whilst this scene was in full force, the people had collected in the neighbourhood of the Hôtel de Ville to the number of several hundreds, and instigated by secret agents, burnt the King's speech, and evinced such a disposition to riot as to render it expedient to beat the _générale_. The Garde Bourgeoise in a few minutes mustered 2000 strong, in time to prevent some incendiaries from setting fire to the theatre, and in an hour afterwards the effervescence was completely subdued.

[143] „Deputations have arrived from various towns during the last three days, to offer succour in men, in case of need” (Cartwright 14 Sept.).

[144] In den Franschen tekst: „Tout préparé à aller au-devant des vœux equitables, je ne céderai jamais à l'esprit de parti, et je ne consentirai jamais à des mesures qui sacrifieraient le bien-être et les intérêts de la patrie aux passions et à la violence”.

[145] Met „his speech” wordt blijkbaar hier het geheel van troonrede en koninklijke boodschap bedoeld, zoodat de qualificatie van Jottrand niet het begin der eigenlijke rede, maar den in de vorige noot afgedrukten volzin geldt.

[146] „1º. Of de ondervinding de noodzakelijkheid heeft aangetoond, om de nationale instellingen te wijzigen.

2º. Of, in dat geval, de betrekkingen, door de tractaten en door de Grondwet tusschen de twee groote afdeelingen van het koninkrijk gevestigd, tot bevordering van het gemeenschappelijk belang in vorm of aard zouden behooren te worden veranderd”.

The _commission de sûreté_ remained _en permanence_ during the night, and on Wednesday morning four deputies from each section were summoned to the Hôtel de Ville, to deliberate on the measures to be adopted consequent upon the King's speech. To this meeting were also cited the deputations from Liege, Luxemburg and other towns, now at Brussels.... When Count Merode in the name of the _commission de sûreté_ proposed to send an instruction to their members at the States General to press the separation as necessary, to be declared without loss of time, and to put them in possession of the impression produced by the King's speech, the deputies from Liege strongly opposed such a proceeding. They insisted that a Provisional Government should be declared forthwith,—that all further transactions with the King's Government were useless and absurd, and that the Bruxellois were deceiving the expectations of the rest of Belgium by the slow and cautious course they were disposed to follow. The Bruxellois declared that their desire and intention was to keep within what they considered the _voie légale_; that their deputies being at the Hague, they were willing to await the result of their efforts before they took any further step, but that they wished to send them an exposé of their views, that they might be laid before the King, to prove H. M. the necessity of recommending to the States General that the separation should be promptly settled. The Liegeois, supported by the deputies from all the other towns, declared that they were extremely dissatisfied with the conduct of the Bruxellois, who if they would not of their own accord take more decided measures, should be made to adopt them by extraordinary means; and they then attempted to intimidate them by threatening them not only to summon a force from Liege and other towns to impel them forward, but to let loose upon them the population from the Borinage.... A violent dispute followed, but the Bruxellois remained firm, and the result was that the Liegeois and their adherents, finding they could not carry their point, seceded from the meeting. Only one of the deputies of the sections of Brussels followed them, and that was Monsieur Ducpétiaux, an intimate friend of Monsieur de Potter and a violent liberal.... The Liegeois and their friends, when they seceded, retired to the Hôtel de la Paix, the inn where they had dined the day previous, and there drew up another address, which directs the deputies to return if they cannot in the Chamber establish the principle of the separation immediately....

It was always expected that disturbances would be fomented on Tuesday night, and it is now beyond doubt evident that the dinner given on the very day the speech was to be received at Brussels, and the attempts at disturbances instigated by secret agents, who _themselves_ burnt the speech to excite the rabble, were parts of a deep plan to throw the town into confusion in the midst of which the Provisional Government was to be established, and it is a matter of some consequence that notwithstanding every effort was used to ensure the success of the object in view, the wild schemes of the violent party completely failed. The language against the Royal Family and the general tone which prevailed at the dinner disgusted even many of the most furious liberals, and at the Hôtel de Ville, Monsieur Jottrand, Claes and Remi, who have hitherto been regarded as advocates for the violent party, sided completely with the moderates.

The liberals are becoming more exasperated every day, and now are completely led by Monsieur Ducpétiaux and the deputation from Liege, composed chiefly of young men of the most exaggerated opinions. They have since Tuesday formed two clubs, one at the Hôtel de la Paix with Monsieur Rogier president and Monsieur Ducpétiaux vice-president, and the other at the Hôtel de Bavière, where I am told the language used is equal to any in the times of the French Revolution, and yesterday at the fermer they voted an address to the commission de sûreté to engage that body to proclaim a Provisional Government.... Not a night passes without attempts of some kind to create disorders, and yesterday evening a mob of at least 2000 persons remained for some hours collected in front of the Hôtel de Ville.... There is an open rupture between the two parties since Tuesday, and the struggle is most tremendous. Although at the meeting at the Hôtel de Ville on that day, the moderate party were well supported and carried their point, they have by the intrigues and mischievous efforts of their adversaries very great difficulty in maintaining their ascendancy, and unless they receive some moral support by favorable intelligence from the Hague, they will probably fall, for they are losing ground among the populace every hour. I cannot form an idea what they will do when pressed to the last, but I shall never be surprised to learn that a majority of the Bourgeoisie have made an overture to the troops to enter the town, sooner than cooperate in establishing a Provisional Government[147]. The crisis is working its way very rapidly.”

Cartwright 19 September: „The Committee of Public Safety as yet maintains its ground, and firmly resists the project of the liberals to proclaim a Provisional Government, but the moderate party is so undermined, it is very probable the present fabric will fall within 48 hours.... Were the King to support the moderates at this moment by issuing a proclamation thanking the Garde Bourgeoise for the tranquillity they had maintained and protection they had given to private property,—were H. M. to declare frankly He would take into immediate consideration their grievances,—and were He to follow this up by an amnesty, I am very much inclined to think from all I hear _in various quarters_, that H. M. would find a large portion of the inhabitants well disposed to receive his troops, provided they were Belgians. So many persons even among the moderate party stand committed for having been impelled by the force of circumstances beyond what they at first conceived possible, and from this insurrection having taken a much more serious turn than they ever contemplated, that they now want some assurance they may not consider themselves as compromised with the Government, and till they obtain some sort of support as I have hinted at above, they will still cling to the machine as long as it is in motion....”

[147] Over de uitnoodigingen, die Prins Frederik inderdaad bereikten, zie Juste II, 91.

Op den dag dat deze dépêche geschreven werd, Zondag 19 September, had een in zichzelf nietig voorval plaats, dat de breuk tusschen de twee partijen verhaastte. De Luikenaars maakten dien dag, bij een eigenmachtig uitgevoerde verkenning naar den kant van Tervueren, vier paarden van de maréchaussée van Prins Frederik buit; de veiligheidscommissie en de krijgsraad zonden deze paarden terug, verontschuldigden zich bij den prins, en waarschuwden bij proclamatie tegen alle dergelijk bedrijf[148]. „The Liegeois and liberals were much displeased at the proclamation, as well as at the approbation it met with from the generality of the Burghers and better disposed persons, and raising a cry that the moderates wished to betray the people, about half past six on Sunday evening, 30 of them, with colours flying and drum beating, forced their way into the Hôtel de Ville, and entered the room where the council of the Garde Bourgeoise was holding its sittings. They insisted that the person who had drawn up the proclamation should be delivered up to them. Monsieur d'Hooghvorst refused to accede to their demand, seized their colour, upbraided them with their disorderly conduct, and after a warm altercation they retired, probably from not being in sufficient numbers effectually to resist the threat made to turn them out by force. They then went to their quarters, but the rabble, who had been during the whole day in front of the Hôtel de Ville, remained there in considerable numbers all the evening, continually repeating the cry, that they were betrayed by their leaders, and that they wanted arms to march to Vilvorde and attack the troops. They were prompted to this movement by the Liegeois and some secret agents, who have been very busy here, since the commencement of this insurrection, and about one o'clock in the morning of the 20{th} they became so riotous, that the Garde Bourgeoise fired on them, killed two and wounded several, when the rest dispersed. About seven they returned in greater numbers with the Liegeois to support them, and made a sudden attack on the post at the Hôtel de Ville; they disarmed the guard, made themselves master of that building without any difficulty, and seized what arms they could find there, which consisted in a few cases of muskets and several pikes. They then separated themselves into different parties, to attempt and disarm other posts, and in some instances they succeeded. The rest of the 20{th} they passed in parading the town in different detachments in good order, trying to enrol men, as they said, to attack the troops at Vilvorde. I met one of these detachments, consisting of about 200 men, marching very regularly, and followed by 300 or 400 of the rabble, who, could they have procured arms, would have fallen into the ranks. Monsieur Ducpétiaux, the most violent liberal leader, was in the ranks, performing the duties of a soldier. The Garde Bourgeoise, with the exception of those who had been disarmed, occupied several posts in force throughout the day, but they neither interfered actively to suppress the movement of the Liegeois and their followers, nor were they at all molested by them. Nothing was heard of the Committee of Public Safety, nor of the council of the Garde Bourgeoise from the moment the Hôtel de Ville was entered by the populace, and this movement so far succeeded in one of its objects, that it overturned the authorities against whom it was directed. Though there was in fact no authority in existence since the 20{th} and 21{st}, those days nevertheless passed quietly, with the exception of the agitation resulting from such a state of confusion, but there was no attempt at pillage or tumult. Great alarm certainly pervaded the town; all the shops were shut, and no business whatever was done by the merchants, bankers, or tradesmen. The night of the 20{th} was perfectly quiet.

[148] „De pareils actes sont de nature à exposer sans nécessité les habitants de cette ville aux conséquences funestes d'une agression militaire que ceux-ci ne cherchent pas à provoquer” (Juste II, 89).

About the middle of the 20{th}, a list was circulated with the names of the eight following individuals as members of a Provisional Government: Count d'Oultremont, of Liege; Count de Mérode (Brussels), MM. de Stassart (Namur), Gendebien (Mons), van de Weyer (Brussels), Raikem (Liege), van Meenen (Louvain), de Potter (Bruges).—I believe it may be considered certain, that this list emanated from the liberal club at the Salle de St. Georges[149], and seems merely to have been a project put forward by the liberals, in the hopes it would be supported and sanctioned by the sections, and the individuals therein named would instantly come forward and act. On the morning of the 21{st}, lists with the names of the eight individuals above mentioned were sent from the Hôtel de Ville (which was in possession of the liberals) to the commander of each of the different sections, for the purpose of being approved by them, but the chief of one assured me that not a single individual in his section signed the same, and I believe but few signatures were affixed to this project.

[149] Hier hadden zich thans de beide clubs uit het hôtel de la Paix en uit het hôtel de Bavière vereenigd.

Monsieur van der Fosse, governor of the province, left the town on the evening of the 20{th} so soon as he heard of the attempt to form a Provisional Government, which failed, there being no one of sufficient courage at that moment to put himself at its head, and though the arrival of Monsieur de Potter was announced for the evening of the 20{th} to give the finishing stroke to the plan, he never made his appearance. Monsieur d'Hooghvorst, the commander, convoked the sections of the Garde Bourgeoise on the morning of the 21{st} and went round to each separately, to entreat them in the state the town then was, to remain firm to their duty; to protect the public tranquillity, and their own property; that what passed beyond the walls did not concern them; that the Count van der Meere had taken the command of a free corps which had been formed, and whatever he and his followers chose to undertake, would rest solely upon their own responsibility. Several of the respectable Burghers on hearing this appeal, consented to continue their services a short time longer. Monsieur d'Hooghvorst to preserve order as much as possible amidst the anarchy which reigned in the town, established himself again at the Hôtel de Ville on the evening of the 21{st}, and remained till he resigned on the 22{nd}, but he was alone and unaided by anyone, and totally without a shadow of power. The free corps was to have acted as partizans in bands of 50 or 100 each, but was never effected[150], because the attention of the Liegeois was directed shortly afterwards to more serious matters.

[150] Mémoires du comte van der Meere, p. 153.—Hijzelf verliet de stad.

About two o'clock on the evening of the 21{st} a sudden alarm was given, that a detachment of dragoons had been seen within a short distance of one of the gates of the town, the Porte de Schaerbeek. The tocsin was immediately sounded and, without exaggeration, in a _very few_ minutes the whole population was in motion. The few cannon in the town were drawn by men to the different gates, the streets were unpaved, barricades erected, and every measure put in force which could at all contribute towards a determined resistance. The barriers were instantly closed, and persons who wished to enter searched.

An opinion instantly became general that the town was to be immediately attacked, unless the inhabitants made an entire submission, and the preparations for defence proved that there was a fixed resolution to use every effort to repulse a forcible entry, if attempted on the part of the army. The Liegeois gave the greatest impulse to this movement, made every exertion to increase the excitement, and shewed an almost incredible zeal and activity in the cause in which they had embarked. About an hour after the alarm was first given, they left the town with some other associates to reconnoitre, and having fallen in with some dragoons on the road to Vilvorde, a few men were lost on each side. They returned to the town about eight in the evening, and it being evident that a strong force was advancing upon Brussels, all means were employed to arm the rabble, which shewed itself in great numbers. During the night many domiciliary visits were made to obtain some muskets from the Burghers, others were seized by force, and in the end there were very few of the inhabitants, originally composing the Burghers Guard, who retained them on the 22{nd}. Advice was sent off to Liege, Louvain, Wavre, the Borinage for assistance, and the tocsin was sounded in all the villages in the immediate neighbourhood of Brussels, which brought in some hundreds of men.

On the 22{nd}, about one in the morning, an alarm was sounded, and the people were instantly under arms, but on parties being sent out, it proved unfounded. About eight o'clock 2000 men went out of the town to attack the advanced posts, which were within a league of Brussels at a village called Dieghem, and some skirmishing took place, when the rebels killed a few of the military, but lost more themselves and about 20 prisoners. They remained in advance of the town till evening. The proclamation of the Prince Frederick[151] announcing the King's decision that His troops should proceed to occupy the town, became generally known in the course of the morning, and many of the Burghers declared themselves satisfied with the terms in which the amnesty was offered to all but the leaders who had fomented the insurrection[152]. Baron d'Hooghvorst resigned the command of the Guard, and declared he should thenceforth only serve as a simple soldier to aid in preserving order; and all that was moderate and respectable immediately followed his example. The command was then assumed by a Monsieur Pletinckx, a man of the most violent principles, who is the proprietor of the Hôtel de la Paix, where the dinner was given on the 14{th} to the Liegeois, and the liberal club was first established.

[151] Juste II, 103.

[152] „Un généreux oubli s'étendra sur les fautes et les démarches irrégulières que les circonstances ont produites. Les auteurs principaux d'actes trop criminels pour espérer d'échapper à la sévérité des lois, des étrangers qui, abusant de l'hospitalité, sont venus organiser parmi vous le désordre, seront seuls et justement frappés”.

The agitation and anxiety was intense during the 22{nd}, the barricades and breastworks were multiplied and strengthened, and every street was filled with groups of rabble who wandered two and three together through the town, armed with muskets taken from the Burghers. Aid also arrived from various quarters, and I saw one party enter from Louvain consisting of about 300 men of a resolute appearance, chiefly of the class of peasants, well armed and marching as if perfectly disciplined. The town was literally swarming with persons of this description, generally dressed _en sarran_, which is the custom of the peasantry of Belgium.

The night was perfectly quiet.—The morning of the 23{rd} the troops were discovered drawn up on the heights in the neighbourhood, and about a quarter after eight the first shot was fired from the Boulevard adjoining the Porte de Louvain, and was returned by the artillery in position opposite that gate, which sent a few shots into the lower part of the town. The troops then commenced the attack on the upper part of the town by marching to the gates of Schaerbeek, Louvain and Namur at about the same moment, and they entered at each without much difficulty. At a quarter before nine the Chasseurs of the Guard entered the Park; they dispersed themselves through the trees, and the Park was occupied with hardly any opposition. So far I was an eye-witness, but in a short time afterwards heavy firing commenced on all sides, which lasted till night put an end to it.

On the 24{th} the firing commenced at eight, and was if anything more heavy than on the 23{rd}. It continued occasionally during the night, and yesterday[153] commenced at dawn, and lasted without intermission till sunset, though at times more slack than on the preceding days.

[153] 25 September.

During those three days I was completely cut off from all communication beyond the house[154] by the warm contest which was incessantly carried on, before the very door, between the troops and the people, and finding that no apparent advantage was gained by either party, and being naturally very anxious to obtain a correct account for your Lordships information of what was passing around me, I determined on removing from the Embassy, which I accordingly did early this morning. It was only then that I became fully aware of the lamentable state of things in Brussels, as I now give them to your Lordship.

[154] Het hôtel van het Engelsche gezantschap, aan het Park gelegen.

After three days contest without a minutes interruption, the troops not only do not make any progress, but they are not masters of as much ground as they were on the first day. They now have possession of the two Palaces which front the Park, the Park itself, and the three gates in the upper town, two of which are very near the Park. They have also the Boulevards from the Porte de Schaerbeek to the Porte de Namur, but they have nothing besides. The Place Royale which commands one entrance into the Park from the lower town, and the Rue Royale Neuve, which leads from the Park to the Porte de Schaerbeek, both most important points as they would give to the troops entire possession of the upper town, are still in the hands of the people, and every attempt to carry them has entirely failed. The entrance from the Park to the Place Royale is barricaded, with two cannon to defend it. All the windows of the houses adjoining on the place are filled with men, who keep up an eternal, and too effective fire on any of the military who come within their view. This is the system followed in every part, and the perseverance and determined spirit with which it is pursued, makes it very difficult to think that the troops will ever be able to subdue it, and if at all, without an immense loss of lives.

I have not yet been able to ascertain the exact amount of the military killed and wounded up to this moment, but from the nature of the contest, I fear it must be very considerable. Those who are dangerously wounded are taken to the Palaces, and the rest to this place[155] or Malines and Antwerp. The people fight with most desperate resolution; they took on the 24{th} two pieces of cannon by rushing out upon them in vast numbers and overpowering the men who were with them; but these cannon were retaken yesterday. An officer of the Lancers[156] who was sent in on Friday with a flag of truce was seized by the people, ill-treated in every way, almost dragged to the Hôtel de Ville, where he was retained as a prisoner. Several of the troops were made prisoners at the commencement, when they entered the town without sufficient caution. The town has been on fire various times, and in some instances the fire did not arise from accident, but was laid intentionally by the populace. On Thursday the rabble, to shew their detestation of the Dutch nation, set fire to a Dutch school, which extended to a riding house adjoining, and it was entirely consumed. A whole street has been burned near the Porte de Schaerbeek, and not a day passes without some terrible conflagration. This day as I was leaving the town, another fire manifested itself and appeared very extensive.

[155] Vilvoorde.

[156] De luitenant-kolonel de Gumoëns.—„Friday” is 24 September.

This morning the firing recommenced about seven, and when I left the gate of Louvain at half after eleven, some artillery had been opened within forty paces of the Hôtel de Bellevue, which forms the corner house of the Place Royale and the Park, and which is filled from the cellar to the roof with the armed rabble.

The soldiers are now disheartened and many of the officiers of my acquaintance, and one or two indeed holding high rank in the army, with whom I conversed, are of opinion that either a negotiation would be attempted, or the troops drawn off in the evening to occupy a position on the heights beyond the town. They all agreed that unless some great advantage was gained in the course of the day, there would be little use in persevering in the contest....

I am told by an Englishman, who with difficulty got out of the lower town this morning, that the exasperation is intense, and is now gaining all classes, even the most respectable inhabitants; and all are equally infuriated at the ruin brought upon their town. The animosity and detestation of the Dutch, to whom the whole population join in attributing the melancholy results of this attack, are carried to such a pitch that it is impossible to say what horrid excesses may not be committed on any unfortunate individual of that nation upon whom they may lay their hands. To give your Lordship an instance of this feeling: my informant told me that on Friday evening hundreds of persons flocked in a tumult to the King's Church, where the service is performed in Dutch, and after one of them had ascended the pulpit and made a mockery of religion amidst the applauses of the multitude, the whole of the interior was totally demolished” (Cartwright 26 September, geschreven uit Vilvoorde).

„In my last I stated that as I left the gate of Louvain at half after eleven on the 26{th}, some artillery had been placed within forty paces of the Hôtel de Bellevue to dislodge if possible the rebels from that building. Within half an hour afterwards a most furious effort was made by the people to drive the troops from the Park, and the grenadiers lost 60 men in the space of half an hour in the stand they made against them. A piece of cannon was placed in the Hôtel de Bellevue, from which were fired square pieces of iron, which have caused with few exceptions most incurable wounds. In the evening the fire was laid to a house next to the wing of the Palace usually inhabited by Prince Frederick, which soon gained that building, but fortunately by the exertions of the persons in the palace, aided by some soldiers, it was extinguished.

Early in the evening preparations were made to carry a retreat into effect during the night. The wounded were removed from the palaces and by four in the morning yesterday every soldier was beyond the gates of the town.... Monsieur d'Hooghvorst when he saw the resistance was firm, and would prove successful, went on the night of the 25{th} with two others, to obtain from Prince Frederick the assurance that the troops should be withdrawn seven leagues from the town. The proposition was refused, and he then appears to have made this a pretext for again coming forward as the ostensible leader of the people. He and some others immediately established themselves _en permanence_ at the Hôtel de Ville, and the next day they formed a Provisional Government[157].... All parties have united, and this rebellion is now to become a national question. The moderates and better disposed inhabitants, who ten days since were actually begging for the entry of the troops, from the moment they saw the efforts of the armed populace were to be successful, and that the army would be repulsed, joined the cause, declared themselves, and they are now all identified with the liberals, and form but one party, and have but one object: to drive the troops back to Holland. This is their cry, and every moment confirms me more in the opinion, that a general rising cannot be prevented throughout the whole of the Netherlands properly so called” (Cartwright 28 September, uit Vilvoorde).

[157] d'Hooghvorst, Charles Rogier, Felix van Merode, Gendebien, van de Weyer, Jolly; op den volgenden dag ook de Potter.

* * * * *

Inderdaad was, nu de gematigde partij zich aansloot, binnen enkele dagen het grootste deel van België in opstand. De regeering immers was voor aller oogen verslagen; zij kon niemand meer tegen het geweld der omwentelingspartij beschermen. Niet ieder evenwel, die voor het oogenblik het gezag van het voorloopig bestuur erkende, beoogde voor de toekomst hetzelfde. Cartwright, die den 29{sten} September te Brussel terugkeerde, onderscheidt vier partijen: een wil de inlijving bij Frankrijk, een de republiek, een het koningschap van een Orleans, een dat van den Prins van Oranje[158]. De partij voor de republiek vormde, zoo al niet in de clubs te Brussel, dan toch in het land een zeer kleine minderheid. Machtiger was de partij die in den een of anderen vorm een nauwe aansluiting bij Frankrijk wenschte, maar Louis Philippe, door Gendebien namens het voorloopig bestuur gepolst, wees de Belgen af: hij had de welwillendheid van Europa noodig voor de bevestiging van zijn eigen onvasten troon, was reeds in overleg getreden met de Engelsche regeering, en wilde in het Belgische vraagstuk niet handelen dan gezamenlijk met Engeland. Waarvan hij echter verzekering geven kon was dat Frankrijk, zelf van eenzijdige tusschenkomst afziende, zich evenzeer tegen eenzijdige tusschenkomst van anderen zou verzetten. In het bezit van deze toezegging, riep het voorloopig bestuur den 4{den} October een nationaal congres bijeen, en verklaarde dat de Belgische provinciën een zelfstandigen staat zouden uitmaken. Tegelijkertijd werd een commissie benoemd om een grondwet te ontwerpen; deze commissie besliste, in haar eerste zitting (12 October), met acht stemmen tegen één voor den monarchalen regeeringsvorm.

[158] Cartwright 2 Oct. 1830.

Wie dan koning worden moest? De candidaat der gematigden, van Emanuel d'Hooghvorst bij voorbeeld, was de Prins van Oranje. Men dacht dat deze keus de meeste kans had van door Europa te worden goedgekeurd, en dus een gunstigen invloed hebben kon op de voorwaarden der scheiding, waarmede Europa zich ging bemoeien. Van zijn kant scheen Willem I zijn zoon in bizondere betrekking tot de Belgen te willen brengen: hij zond hem, met den titel van tijdelijk bestuurder der Zuidelijke provinciën, naar het nog getrouwe Antwerpen. Maar ondanks de pogingen van een aanzienlijk deel der aristocratie, verwierp het Belgisch volksinstinct deze keus. Men achtte de scheiding onvolkomen, zoolang men niet ook elken band met het huis van Oranje had verbroken. Het is dunkt mij aan geen twijfel onderhevig, dat het volksinstinct hierin volkomen juist heeft gezien. Een Belgisch koningschap van den oudsten zoon van den koning van Holland ware een ding vol dubbelzinnigheden geweest. Een zendeling van den Engelschen consul te Oostende, de als geschiedschrijver der Belgische omwenteling bekend geworden Charles White, had den 4{den} October een onderhoud met eenige leden van het voorloopig bestuur, waaronder Merode, en deelt als zijn indruk van het gevoerde gesprek mede, dat de houding van Louis Philippe zeker de kansen van den Prins van Oranje verbeterd heeft. „It is scarcely necessary to say”, vervolgt hij dan: „that he would be called upon to renounce Holland and become Belgian, even perhaps to religion”[159]. Dacht ook de prins er zoo over?—Andere dubbelzinnigheid: Willem I had België in zijn hart niet opgegeven, en had de zending van zijn zoon bedoeld als een laatste poging, om het onder zijn eigen gezag terug te brengen. Den 29{sten} September had de Tweede Kamer der Staten-Generaal met 55 tegen 43 stemmen de vraag, „of de betrekkingen tusschen de twee groote afdeelingen van het koninkrijk ter bevordering van het gemeenschappelijk belang in vorm of aard zouden behooren te worden veranderd”, met ja beantwoord[160]; onder de neenzeggers waren 10 Belgen[161], onder de jazeggers 14 Hollanders. Deze stemming was evenwel, na hetgeen te Brussel had plaats gehad, geheel onzuiver geweest. De scheiding was door een partij in België met de wapenen voltrokken; eigenlijk stemden de 10 Belgische neenzeggers meer tegen de democraten te Brussel dan tegen het beginsel eener administratieve scheiding van Noord en Zuid, terwijl een goed getal der 33 Hollandsche neenzeggers òf vóór men van verandering van betrekkingen sprak de Belgen tuchtigen wilde voor hetgeen men den moord te Brussel noemde, òf tegen stemde omdat men geheel van België af wilde zijn, en dus niet meer onder één dynastie en onder één grondwet met hen verkoos te leven. De geheele stemming, en de daarop gevolgde benoeming eener staatscommissie om de veranderingen in de grondwet te ontwerpen, „welke het algemeen belang en dat van elk der afdeelingen vorderen”, waren een slag in de lucht. „Nu te vragen”, zeide een der noordelijke sprekers, „zal België al dan niet met het oude Nederland vereenigd blijven? is eene daadzaak in overweging nemen, die reeds door het snoodste misdrijf is daargesteld, en die geenszins door eene uitspraak der Nederlandsche Regeering, maar alleen door het zwaard en vermoedelijk door de groote mogendheden zal beslist worden.”

[159] Charles White aan den Engelschen consul te Ostende, 6 Oct. 1830 (F. O.).

[160] Den 30{sten} de Eerste Kamer met 31 tegen 7 stemmen.

[161] 4 uit Oost-Vlaanderen, 2 uit Antwerpen, 2 uit Limburg, 1 uit Luik, 1 uit West-Vlaanderen.

Intusschen was op den onvasten grondslag der stemming van 29 September het gansche gestel der officieele positie van den Prins van Oranje te Antwerpen gebouwd. Hij zou „tijdelijk in 's Konings naam het bestuur waarnemen over alle die gedeelten der zuidelijke gewesten, waar het grondwettig gezag erkend werd”, met last om „de pogingen, die door welgezinde ingezetenen mochten worden aangewend, om die gedeelten, waar de orde gestoord was, onder het wettig gezag terug te brengen, door middelen van bevrediging zooveel mogelijk te bevorderen” (4 October). Als raadgevers had hij den hertog van Ursel, Gobbelschroy en Lacoste nevens zich, benevens de Belgische leden van den Raad van State en een aantal Belgische kamerleden. Onmiddellijk na zijn aankomst te Antwerpen vaardigde hij een proclamatie uit, waarbij hij, in afwachting van den arbeid der door den koning benoemde staatscommissie, reeds allerhande hervormingen voor België toezeide, als vrijheid van taal en van onderwijs (5 October). Dit alles moest dus, als het slaagde, op administratieve scheiding van Noord en Zuid onder één koning en één grondwet uitloopen; geheel iets anders dan de „onafhankelijkheid” die het voorloopig bestuur te Brussel den vorigen dag had geproclameerd. In den aanhef van 's konings besluit van den 4{den} October werd als eenige beweegreden tot de zending van den prins opgegeven „de belemmering, door den toestand der zuidelijke provinciën teweeggebracht in de werking van het algemeen bestuur uit de residentie 's-Gravenhage”. Het kon dus niemand verrassen, dat het voorloopig bestuur te Brussel weigerde den prins in zijn nieuwe hoedanigheid te erkennen. Zelfs de bizondere voorstanders van zijn persoon konden niet met zijn candidatuur voor den dag komen, zoolang hij gezag trachtte uit te oefenen op 's konings naam. De club in de St. Joriszaal te Brussel verklaarde zelfs alle Belgen die naar Antwerpen bij den prins zouden gaan voor verraders, en hun goederen voor verbeurd; het eenige lid dat er tegen sprak, werd lichamelijk mishandeld[162]. De Belgische kamerleden te Antwerpen beduidden den prins dan ook spoedig, dat de ingeslagen weg zeker niet tot den troon van België leiden zou. Zij sloegen hem voor, dat een bijeenkomst van zoo mogelijk alle Belgische leden der Tweede Kamer, op 18 October te Antwerpen te houden, de onafhankelijkheid van België proclameeren en tegelijk een bestuur vestigen zou waarvan hij het souvereine hoofd zou zijn. De prins was geneigd aan te nemen[163], doch niet zonder voorkennis van zijn vader, dien hij van het aanbod kennis gaf. Hij verliet zich op de tusschenkomst van de Brouckere[164] bij het voorloopig bestuur, en van Ducpétiaux (die, bij den aanval op Brussel gevangen genomen, thans werd losgelaten) bij de club in de St. Joriszaal.—Den 16{den} las de prins aan Cartwright 's konings antwoord voor; het machtigde hem de souvereiniteit, indien aangeboden, aan te nemen onder voorbehoud van de goedkeuring der mogendheden, en voorts onder beding dat Luxemburg geen deel van den Belgischen staat zou uitmaken, en dat Antwerpen en de andere plaatsen nog door 's konings troepen bezet, niet door die troepen ontruimd zouden worden dan na den definitieven afloop van alle te treffen regelingen[165]. Intusschen kon het aanbod, door de Belgische kamerleden den 10{den} gedaan, reeds niet meer door hen worden nagekomen. Dat aanbod was gedaan in een opwelling van wrevel over de juist bekend geworden bijeenroeping der Staten-Generaal van het geheele koninkrijk tegen 18 October te 's Gravenhage, terwijl volgens de grondwet thans een stad van het Zuiden aan de beurt zou geweest zijn, en men dus een vergadering te Antwerpen had verwacht. Het gansche plan had geen grond onder de voeten: het gezag van de Belgische leden der Staten-Generaal werd alleen nog in Limburg en te Antwerpen erkend. Overal elders gehoorzaamde men het voorloopig bestuur te Brussel en maakte men zich gereed tot de verkiezingen voor het Nationaal Congres. Indien de prins koning van België worden wilde, moest dáár zijn naam zegevieren. De kamerleden zelf hadden dus, toen 's konings brief aankwam, reeds van de vergadering te Antwerpen afgezien, en aangeraden liever moeite te doen voor een orangistische meerderheid in het Congres. In een ander opzicht was de toestand even onzuiver. België verwachtte dat de prins Holland opgeven zou, maar hij zelf had andere oogmerken[166].—Cartwright raadde den prins, nogmaals naar den Haag te schrijven eer hij verder ging, maar het was reeds te laat: de proclamatie, waarbij de prins de Belgen voor een onafhankelijk volk erkende en zich in de provinciën die hij bestuurde, „aan het hoofd stelde der beweging”, was geteekend. De hertog van Ursel, Gobbelschroy en Lacoste hadden den stap afgeraden en lieten hem nu alleen. De prins had zich overgegeven aan de kamerleden de Celles, de Brouckere en le Hon, die tusschen Brussel en Antwerpen af en aan gingen en volhielden dat zijn kansen goed stonden: de Brouckere kwam zelfs eenmaal vertellen, dat hij den invloedrijken _Courrier des Pays-Bas_ voor den prins gewonnen had. De feiten beantwoordden niet aan deze voorspiegelingen. De toon te Brussel bleef volmaakt dezelfde als die sedert het gevecht van September geweest was, en het voorloopig bestuur beantwoordde 's prinsen stuk met een proclamatie, waarin hij gesommeerd werd op te geven of hij zich als Belgisch onderdaan beschouwde, in welk geval hij zich had te stellen onder de bevelen van het voorloopig bestuur. Een ander gevolg van het stuk van den prins was, dat Antwerpen alle kompas verloor, en niet wist of het zich houden zou aan den prins „die zich aan het hoofd der beweging stelde”, of aan Chassé, die het gezag van den koning handhaafde. Doodelijk eindelijk was het voor den prins dat de koning, in een boodschap aan de Staten-Generaal, verklaarde dat de aanleidende oorzaken tot de proclamatie hem even onbekend waren als de gevolgen daarvan door hem konden berekend worden. „The Prince of Orange”, schrijft Cartwright den 22{sten}, „is now in a most unfortunate predicament, for I cannot name one individual about him who can give him wholesome advice. He is in fact quite alone and may be considered as placed in this embarassing position by the ill-judged advice of the Belgian deputies”. Den 24{sten} verliet de prins de stad, die vervolgens in oproer kwam en door Chassé werd beschoten.

[162] Cartwright 9 Oct. 1830.

[163] „He did not disguise his inclination to accept the sovereignty of this country from the States of Belgium, should he not succeed in his endeavours to persuade His Majesty to take the initiative himself” (Cartwright 10 Oct., na een onderhoud met den prins).

[164] De Brouckere en de Gerlache, leden van de grondwetcommissie door het voorloopig bestuur benoemd, waren van 8 tot 10 October bij den prins; de eerste zeide dat hij er in geslaagd was het voorloopig bestuur van het denkbeeld eener republiek terug te brengen; hij en de Gerlache zouden zorgen, dat de grondwetcommissie zich voor de monarchie verklaarde (gelijk zij 12 October ook deed). (Cartwright 10 Oct.).

[165] Cartwright 16 Oct.—Ziehier dus wat er wezenlijk aan is van de opteekening van van Assen: „De Koning heeft een oogenblik acte van afstand van België aan den Prins van Oranje gedaan” (Hogendorp, Br. en Ged. VII, 120).—De brief van den koning was van den 13{den}.

[166] „H. R. H. is in nowise disposed to renounce his right to the sovereignty of Holland. He even talked of leaving Prince Frederick or one of his sons in that country as Viceroy or with the title of Stadholder, in the event of the present King's death, but said it was too early to advert to such matters; that the principal point was to recover for himself the finest part of the Kingdom, which he hoped to be able to do with the full powers he had received from H. M., and which he often repeated had been far more ample and explicit than he ever hoped to have obtained” (Cartwright 16 Oct.).

De Antwerpsche episode is een diep treurig en onnoodig nastuk geweest op de gebeurtenissen van September. De prins draagt voorzeker niet de geheele schuld. Ook de koning, die hem in een zoo dubbelzinnige positie had geplaatst, gaat niet vrij uit. Zijn besluit van 4 October erkende de omwenteling niet, en liet alles voortvloeien uit de vóór de nederlaag te Brussel door hem uitgevaardigde stukken. Het was zeer de vraag of deze houding nog tot iets leiden kon, maar zij was in ieder geval volkomen correct. Met zijn brief van den 13{den} evenwel verliet de koning zelf het gebied van de legaliteit. Beschouwde hij de door hem tegen den 18{den} te 's-Gravenhage uitgeschreven vergadering der Staten-Generaal als wettig, dan was er geen sprake van dat een Belgische vergadering de souvereiniteit over het Zuiden zou kunnen wegschenken. De prins evenwel ging nog veel verder dan de koning hem in zijn brief toestond: hij wachtte het aanbod der souvereiniteit niet af, maar deed een opzienbarende poging om zulk een aanbod uit te lokken. Zijn hierop gevolgde verloochening door Willem I, de allerheftigste afkeuring van zijn daad door het Noorden, zijn onmacht tegenover Chassé, de volslagen hulpeloosheid van zijn toestand, die geen uitweg overliet dan een vertrek naar den vreemde, maakten het den Belgen duidelijk dat men, door hem te kiezen, een groote dwaasheid zou begaan. Men zou zich, voor een niet te berekenen tijd, in een hoogst onzuivere verhouding hebben gesteld tegenover hetzelfde Noorden waarvan men zoo nadrukkelijk wenschte gescheiden te zijn. Iemand die op een wenkbrauwfronsen van den koning van Holland de vlucht nam, kon geen koning van België wezen. Het Congres, dat den 10{den} November bijeenkwam, sprak den 24{sten} daaraanvolgende met 161 tegen 28 stemmen[167] de vervallenverklaring van het „huis Nassau” uit. Den 18{den} was, met algemeene stemmen, de onafhankelijkheid van België geproclameerd; den 22{sten} had de vergadering, met 174 tegen 13 stemmen, den monarchalen regeeringsvorm aangenomen.

[167] Waarvan 9 uit de provincie Antwerpen (Nothomb, 53).

Welken koning België nu kiezen zou, hing niet alleen van eigen voorkeur, maar ook van de goedkeuring van Europa af. Tegelijk met zijn besluit van 4 October had Willem I de hulp van de onderteekenaars der artikelen van Londen ingeroepen om de rust in de zuidelijke provinciën gewapenderhand te herstellen[168]. Maar het Europa van 1830 was dat van 1814 niet meer. Toen het verzoek van Willem I ontvangen werd, was Engeland reeds met Frankrijk overeengekomen, de Belgische zaak in gemeen overleg te regelen en zoo mogelijk zonder gewapende tusschenkomst. Engeland waarborgde zijn mede-onderteekenaars van 1814, dat België niet aan Frankrijk zou komen; het waarborgde Frankrijk, dat die mede-onderteekenaars niet eenzijdig in België zouden intervenieeren. Men gaf dus aan Willem I ten antwoord, dat niet de vier, maar de vijf mogendheden bereid waren de Belgische zaak te regelen langs vreedzamen weg[169]. Den 21{sten} October nam Willem I dit aanbod aan, en verzocht in de eerste plaats om de bemiddeling van een wapenstilstand[170]. Nadat de conferentie van Londen, die den 4{den} November haar werk begon, dezen wapenstilstand inderdaad bewerkt had, sprak zij 20 December het beginsel der „toekomstige onafhankelijkheid van België” uit en stelde 20 Januari 1831 de voorwaarden van scheiding tusschen België en Holland vast: herstel van Holland binnen de grenzen van 1790; de rest van het koninkrijk der Nederlanden zal, met uitzondering van het groothertogdom Luxemburg, een neutralen staat België vormen. Den 27{sten} Januari sloeg de conferentie voor, dat deze staat België met 16/31 der Nederlandsche schuld zou worden belast, en bepaalde dat geen koning van België door de vijf mogendheden zou worden erkend, die de voorwaarden van 20–27 Januari niet aannam, en ook uit anderen hoofde door de mogendheden geschikt werd geoordeeld[171]. De conferentie kwam hierdoor in strijd met het Congres, dat reeds op Luxemburg, Maastricht en Staats-Vlaanderen aanspraak had gemaakt, en den 19{den} Januari besloten had tot de koningskeuze over te gaan zonder de mogendheden om advies te vragen. Den 1{sten} Februari protesteerde dus het Congres met 163 tegen 9 stemmen tegen de voorwaarden van 20 Januari; den 3{den} Februari koos het den hertog van Nemours tot koning, niettegenstaande Louis Philippe van te voren gewaarschuwd had dat hij zijn zoon niet zou kunnen geven; evenwel was de keuze hem welkom, in zooverre zij die van concurreerenden candidaat, den hertog van Leuchtenberg, zoon van Eugène de Beauharnais, onmogelijk maakte. Den 7{den} Februari weigerde de conferentie, den nieuwgekozen koning te erkennen. België had dus alles gedaan, om de mogendheden tegen zich in te nemen; tegelijk begon de langdurige regeeringloosheid haar gevolgen te doen gevoelen in een ergerlijke wanorde binnenslands. Velen in Europa gingen twijfelen aan de mogelijkheid van een onafhankelijken Belgischen staat; belustheid op een verdeeling van België maakte bedenkelijke vorderingen. Deze omstandigheden zijn gewis niet zonder invloed geweest op de houding van Willem I, die den 18{den} Februari in de voorwaarden van 20–27 Januari gaaf toestemde. Hij erkende dus België's onafhankelijkheid (waartegen hij na de beslissing van 20 December nog had geprotesteerd), maar op het oogenblik, dat deze onafhankelijkheid twijfelachtig scheen te worden.

[168] Falck aan Aberdeen, 5 Oct. 1830 (bij de Bosch Kemper I, aantt. bl. 36).

[169] „To prevent, if possible, the disturbed state of these provinces from leading to any interruption of the general peace of Europe” (Aberdeen aan Falck, 17 Oct. 1830; plaats als voren, bl. 39).

[170] Falck aan Aberdeen, 24 Oct. 1830 (plaats als voren, bl. 40).

[171] „Il appartient aux puissances de déclarer, qu' à leurs yeux le souverain de la Belgique doit nécessairement répondre aux principes d'existence du pays lui-même, satisfaire par sa position personnelle à la sûreté des états voisins, accepter à cet effet les arrangemens consignés au présent protocole, et se trouver à même d'en assurer aux Belges la paisible jouissance” (Verstolk I, 111).

Toch is België uit de moeilijkheid gered: den 24{sten} Februari koos het zich een regent; de orangistische bewegingen, die in Februari en Maart plaats hadden, werden gemakkelijk onderdrukt, en het inzicht der bestuurders (bovenal van Joseph Lebeau) greep het eenig middel aan, om zich tegenover Europa in een betere positie te plaatsen. Tot dusver had men veel te uitsluitend heul gezocht bij Frankrijk, dat bij de vernietiging van het koninkrijk der Nederlanden een zoo duidelijk belang had; maar Frankrijk had Europa te ontzien. Een Fransche candidatuur was voor Europa onaannemelijk; die van een of ander Belgisch onderdaan zou nimmer alle Belgen vereenigd hebben. In April besloot het ministerie van den regent, de keus te bevorderen van Leopold van Saksen-Coburg, nadat men zich verzekerd had, dat deze keus België den steun van Engeland bezorgen zou tot het verkrijgen van gunstiger voorwaarden dan die van Januari. Den 4{den} Juni werd, met 152 tegen 43 stemmen, prins Leopold tot koning van België verkozen; den 26{sten} Juni werden de door België verworpen voorwaarden van Januari door andere vervangen: de „achttien artikelen”, die de mogelijkheid openlieten eener verwerving van Luxemburg en Maastricht, en aan België alleen de schuld oplegden die het vóór de vereeniging had gedragen, benevens een aandeel in de sedert 1815 door het koninkrijk der Nederlanden aangegane schuld. Den 27{sten} Juni nam Leopold de kroon van België aan, op voorwaarde dat het Congres de achttien artikelen zou aannemen, wat het den 9{den} Juli met 126 stemmen tegen 70 deed; onmiddellijk kwam Leopold over en aanvaardde de regeering. Het antwoord van Willem I was de tiendaagsche veldtocht, die tot een herziening der voorwaarden van 26 Juni leidde. Die veldtocht was een harde les, die België wel gebruiken kon: het overschatte niet weinig zijn eigen krachten. De aanneming der achttien artikelen door het Congres geschiedde op verzekering van den minister Lebeau, dat men zonder eenigen twijfel Maastricht en Luxemburg zou bekomen[172]; dat Willem I de artikelen zou afwijzen heette geen bezwaar: men had hem slechts te verslaan; Holland was „de lafste natie van Europa”[173]. De lafste natie gaf eerlang antwoord aan de... welbespraaktste. België, dat niet dan met moeite overreed was de achttien artikelen van Juni aan te nemen, moest zich nu tevreden stellen met de vier-en-twintig artikelen van 15 October, die haar slechts half Luxemburg bezorgden, en de grens in Limburg bepaalden gelijk die nu is. De kamer gehoorzaamde den 1{sten} November met 59 tegen 38 stemmen; den 15{den} November erkenden de mogendheden den Belgischen staat. Door Willem I opgehouden, die niet ophield aan een restauratie te denken, is Holland eerst acht jaar later hiertoe overgegaan.

[172] „Je dis que nous aurons la ville de Maestricht tout entière.... Etes-vous bien sûr, me dit-on, de l'opinion de la Russie, de la Prusse, de l'Autriche par rapport à Maestricht? Non; mais peu m'importe. Ce qui me suffit, c'est que, d'après les préliminaires, tout est désormais entre nous et la Hollande. Les puissances l'ont déclaré, elles ont renoncé à toute intervention sur ce point. C'est donc entre la Hollande et nous, et certes nous ne sommes pas disposés à céder Maestricht a la Hollande.... Le prince [Léopold] veut et il aura le Luxembourg. Il l'a déclaré, il fera la guerre, s'il le faut, pour obtenir le Luxembourg et Maestricht” (Verstolk I, 232–236).

[173] De afgevaardigde Alexander Rodenbach in de zitting van 4 Juli.

VIERDE HOOFDSTUK.

Besluit.

De scheiding heeft thans vijf-en-zeventig jaren geduurd; bevredigt zij?

Oogenschijnlijk in België ten volle. Elke gelegenheid wordt aangegrepen, om haar aandenken feestelijk te vieren. Wij Hollanders, die tijdens de vereeniging zooveel prijs bleken te stellen op het behoud der rechten van het eigen volksbestaan, moeten de laatsten zijn hun die vreugde te misgunnen. Hoe natuurlijk is zij inderdaad! In 1830 kreeg België rang in de wereld; een rang dien het nu driekwart eeuw eervol opgehouden heeft. Europa heeft zich over haar beslissing niet te beklagen gehad; het bestaan van het onafhankelijke België is voor de belangen harer groote gemeenschap een voordeel gebleken.

En of Holland murmureeren mag? De scheiding was in 1830 ook een wensch van het Noorden. Wij hebben verkregen, wat wij toen hartstochtelijk hebben verlangd.

Het gaat ons dan ook niet wel af, bij België's feestviering een scheef gezicht te trekken. Ziehier een staat die met den onzen betrekkingen van goede nabuurschap onderhoudt; een volk dat ten onzen aanzien met volkomen loyale gevoelens is bezield, en waarvan een groot aantal leden onze taal spreekt en in een zekere mate van geestelijke gemeenschap met ons leeft. Een volk niet te vergeten, welks staatkundige onafhankelijkheid een der kostbaarste waarborgen is van onze eigene. Indien het, in September 1830, Fransche of Pruisische troepen waren geweest waarop de onafhankelijkheid van België bevochten was, zou ons gevoel van vriendschappelijke deelneming in het gedenkfeest van het ons verwante volk ongetwijfeld volkomen wezen. Mag het worden onderdrukt, omdat wijzelven het zijn geweest die hebben moeten ondervinden, dat een natie zich niet straffeloos te kort doen laat?

En toch, al is het plicht, het naburig volk ook bij het uitbundigst feestvertoon met hartelijke gevoelens tegemoet te treden, een Hollandsch feest kan de gedenkdag van 1830 nooit worden. ~Wij~ herdenken 1572, 1813 en 1848; aan 1830 daarentegen is voor ons de herinnering verbonden aan de zware taak die wij in 1815 op onze schouders lieten leggen, en in wier vervulling wij niet zijn geslaagd. De gevoelens, waarmede wij in 1830 de geboorte der Belgische onafhankelijkheid aanschouwden, waren, hoe kon het anders, zeer verdeeld en zeer onzuiver. Wij verheugden ons innerlijk uit den knellenden band verlost te zijn, maar konden kwalijk aanstonds de wijze vergeten waarop die was losgemaakt, en onze berusting in de staatkunde van onzen koning werd oorzaak, dat wij negen jaren lang van de scheiding niets dan nadeel ondervonden. Wij hebben willoos ons den band laten aanleggen, hebben gedraald tot hij gewelddadig werd doorgesneden, en hebben eerst laat beseft dat wij het verledene het verledene moesten laten, en alleen naar onze eigen toekomst zien. Voor ons is in de herinnering aan 1830 niets, dat opwekken kan tot een feest.

En Nederland en België als geheel beschouwd, kunnen zij in 1830 berusten? Is scheiding de ~eenige~ leus? De geschiedenis spreekt van onderscheiding, maar van onderscheiding op den bodem van verwantschap. Hebben beide volken inderdaad niets anders te doen, dan de onafhankelijkheid van elkander ten scherpste te doen uitkomen, en vervolgens ieder eigen weg te gaan?

Neen voorwaar, het zal niet zoo zijn. Wat de proefneming van 1815 volledig bewezen heeft, is niet meer, dan dat een „innige vereeniging”, met 't zij Holland, 't zij België aan de spits, onuitvoerbaar is. Of denkt iemand, dat thans gelukken zou, wat onder Willem I onmogelijk is gebleken? Voorzeker neen; beide volken hebben in den tusschentijd hun karakter vrij kunnen ontwikkelen, en zijn thans zeker niet minder dan in 1815 onderscheiden. Een dergelijke fout mag maar ééns worden begaan; verviel men er ooit weer in, het is lang niet zeker dat wij, bij de onvermijdelijke ontbinding, er ieder voor zich zoo goed zouden afkomen als in 1830. Maar zoo wij onderscheiden zijn, wij zijn tevens verwant. Bevredigt de bestaande verhouding niet slechts ons gevoel van zelfstandigheid, maar ook ons gevoel van verwantschap?

De tijden zijn er naar, onszelven met aandrang die vraag te stellen. Wij gaan, Belgen als Hollanders, een toekomst tegemoet, waarin het zijn mocht dat wij elkander zeer noodig hadden.

Zal de onafhankelijkheid van België in die van Holland, die van Holland in die van België een steun vinden, dan is in de eerste plaats noodig, dat beiden zichzelf kennen en den vasten wil hebben, zichzelf te blijven. Deze zelfkennis nu is voor België moeilijker dan voor ons. Wij zagen het in 1830: op het eigen oogenblik dat het volk zijn onafhankelijkheid ten opzichte van Holland won, stond het op het punt haar aan Frankrijk te verliezen. Tegen het besluit van de meerderheid van het Congres in moest door Europa de zoon van Louis Philippe aan België als koning worden onthouden.

Heeft, na 1830, België zijn historische roeping vervuld van wisselkantoor te zijn tusschen Germaansche en Romaansche kultuur? Niet volkomen. Het heeft aan die roeping ook niet volkomen ~kunnen~ beantwoorden; daartoe was het Nederduitsche element in de Belgische samenleving tot dusver te achterlijk en te weinig Nederduitsch.

In de zeventiende en achttiende eeuw van alle gemeenschap met de Germaansche wereld afgesneden, verviel de Vlaamsche beschaving tot den rang van gewestelijke bizonderheid. In dezen toestand verkeerde zij nog, toen in 1815 de vereeniging met het Noorden aan België werd opgelegd; ja zelfs was haar peil tengevolge der twintigjarige vereeniging met Frankrijk nog meer gedaald. Het is leerrijk, hoe weinig de taalwetgeving van Willem I tot haar verheffing heeft vermocht. Hij verliet den bodem der Bourgondische taalbesluiten, die het gebruik van het Vlaamsch bij de rechtspraak, zoo dikwijls het door de belanghebbenden werd verlangd, hadden voorgeschreven, en die door het Fransche bestuur vernietigd waren. In plaats daarvan trad een gebiedend voorschrift tot het uitsluitend gebruik der Nederlandsche taal bij rechtspraak en bestuur in de vier Vlaamsche provinciën en in de Vlaamsche arrondissementen der provincie Zuid-Brabant, Brussel inbegrepen; een maatregel, die er geen rekening mede hield, dat de hoogere standen eer Fransch dan Nederlandsch waren, en dus een invloedrijk deel der bevolking het gebruik eener taal oplegde, waarin zij verleerd had te denken. Zoo ooit een hervorming van de verkeerde zijde werd aangevat, dan was het deze. Het in België zelf gesproken Nederlandsch was toentertijd onmachtig, de maatschappelijke taak te vervullen, waartoe het geroepen werd; de zaak kwam dus, in de oogen der Zuidelijken, op een onrechtmatige bevoordeeling van het Hollandsch (en van de Hollanders, die er alleen in geoefend waren), neder. Bij tienduizenden hebben de Vlaamsche boeren, hun pastoor of kasteelheer gehoorzamende, tegen de besluiten, die het uitsluitend gebruik van „het Nederlandsch” voorschreven, gepetitionneerd. Van boven af kan niet worden opgelegd, wat uit het volk zelf moet voortkomen.

In 1830 had een geheele omslag plaats. „Vrijheid van taal” was een der leuzen geweest, waaronder men tegen de regeering van Willem I was opgetrokken; „vrijheid van taal” werd dan ook een der uithangborden van den nieuwen Belgischen staat[174]. Ondertusschen bleef, bijna vijftig jaar lang, deze vrijheid een doode letter. Het voorbehoud, in de grondwet gemaakt, dat omtrent het gebruik der in België gesproken talen bij de rechtspraak en in het bestuur bepalingen zouden kunnen worden gesteld bij de wet, werd in de praktijk derwijze toegepast (of liever niet toegepast), dat feitelijk alle officieel gebruik van het Vlaamsch was uitgesloten. Het „Belgisch” patriotisme scheen dat zoo mede te brengen; de staat was gesticht door een geslacht dat van den Franschen geest geheel doortrokken was, en de heerschende liberale partij, die staatsgezag en staatseenheid hoog hield, was aan alle particularisme beslist vijandig. Eerst toen, na 1870, de katholieke partij, die om electorale redenen meer dan haar mededingster de stemming in Vlaanderen had te ontzien, de overhand gekregen had, is men weer tot den geest der bepalingen, die vóór de Fransche revolutie gegolden hadden, teruggekeerd. Een wet van 17 Augustus 1873 heeft bij de rechtspraak, een wet van 22 Mei 1878 bij het bestuur, in de vier Vlaamsche provinciën en in het arrondissement Leuven[175] aan het Vlaamsch zekere rechten toegekend, die het van den wil der bevolking zelf doen afhangen, of zij nog verder veroordeeld of bereglementeerd zal worden in een taal die zij niet verstaat.

[174] Art. 23 der grondwet: „L'emploi des langues usitées en Belgique est facultatif. Il ne peut être réglé que par la loi, et seulement pour les actes de l'autorité publique et pour les affaires judiciaires.”

[175] Voor het arrondissement Brussel gelden eenige bepalingen van minder wijde strekking dan die voor de vier provinciën en het arrondissement Leuven.

Machtiger evenwel dan de wet is de volksgeest zelf. Het merkwaardig verschijnsel doet zich voor, dat deze stom was tijdens de vereeniging met Holland, maar zeer spoedig na den roes van 1830 is beginnen te spreken. Reeds dadelijk trekt het de aandacht dat de Vlaamsche gewesten, in 1815 het onwilligst om zich te laten vereenigen, in 1830 het traagst waren om zich af te scheiden. De oorzaak is niet ver te zoeken. Het verzet van 1815 ging van de geestelijkheid uit; de omwenteling van 1830 is aanvaard door de geestelijkheid, maar ingezet door het liberalisme. De geestelijkheid nu had, en heeft nog, in Vlaanderen oneindig meer gezag dan in het Walenland of te Brussel. Zij heeft in 1830, en Vlaanderen heeft met haar, afgewacht welken keer de zaken te Brussel zouden nemen; en toen bleek dat de Waalsche revolutionnairen sterker waren dan de regeering, hebben zij de nieuwe macht erkend. Het Waalsche element leidde, het Vlaamsche volgde. Maar in een staat waar het Waalsche, in meerderheid liberale element de leiding van had genomen, kon eenig Vlaamsch particularisme, mits het de perken niet overschreed waarbinnen zij het gebruiken kon, de geestelijkheid slechts welkom wezen. Vóór 1830 kon verlevendiging van den Vlaamschen geest het ongewenschte gevolg hebben van toenadering tot het kettersche Holland en de kettersche regeering; na 1830 kon zij een middel zijn ter beperking van anti-katholieke uitwassen der Waalsche liberale staatkunde.

Dan deze factor, hij moge zeer werkzaam zijn geweest, is lang de eenige niet. De vijftienjarige vereeniging met Holland is toch op de ontwaking van den Vlaamschen geest van grooter uitwerking geweest, dan men vermoeden kan zoo men alleen op de houding der Vlamingen tusschen 1815 en 1830 let. Tusschen 1820 en 1830 komt alom in België het geslacht tot rijpheid, dat op de schoolbanken van Napoleon had gezeten. Eerst na 1830 komt het geslacht aan het woord, dat de door Willem I in het Vlaamsche land geopende scholen had bezocht. De bescheiden mannen, aan welke Falck had opgedragen het peil van het Vlaamsche onderwijs te verheffen, een Schreuder aan de kweekschool te Lier, een Schrant aan de hoogeschool te Gent, hebben niet te vergeefs gewerkt. Met name op het gebied van het lager onderwijs had Holland aan België iets te leeren, en door het behoedzaam overbrengen van den noordelijken standaard naar de staatsscholen in het Zuiden is aan het gansche schoolwezen daar (ook aan de concurreerende katholieke inrichtingen) ongetwijfeld een groote dienst bewezen. Van een aantal mannen, die omstreeks 1850 in de Vlaamsche beweging naam hebben gemaakt, is aangetoond kunnen worden dat het uit Noord-Nederland overgebrachte verbeterd onderwijs grooten invloed op hun vorming, en met name dat het onderwijs in taal- en letterkunde invloed op hun flamingantisme heeft gehad[176].

[176] Max Rooses, Levensschets van Jan Frans Willems, bl. 43; vgl. in het bizonder over Schreuder en diens leerlingen de gedenkschriften van G. Bergmann, bl. 87–90.

Dit kan niet gezegd worden van den vader der beweging, Jan Frans Willems, die bij de omwenteling reeds zeven-en-dertig jaren telde. Hij was een ronde Vlaamsche jongen, „met een lief bloemig gezichtje, een koppel zwarte oogen en een zwart krullebolleken”[177], die het geluk had opgevoed te worden in een kring die zijn natuurlijken groei niet belemmerde, zooals het schoolonderwijs dat omstreeks 1805 in België te verkrijgen was dit zou hebben gedaan. Dezelfde invloed (van den meergemelden Nassauer en oranjeklant te Lier, G. L. Bergmann) heeft hem ongetwijfeld na 1815 mede er toe gebracht, geestelijk verkeer met Noord-Nederland te zoeken. In 1820 reisde Willems het Noorden rond en knoopte er letterkundige betrekkingen aan. Dit allersimpelste feit heeft den rang eener kleine historische gebeurtenis: zoo zeldzaam was het toen, dat een Vlaming (geen kamerlid) benoorden den Moerdijk kwam en rondzag wat de wereld daar opleverde. Den sterksten indruk dien hij medenam, was die van de gesprekken met Bilderdijk[178]; te Amsterdam vond hij een allergulst onthaal bij Jeronimo de Vries. Reeds te voren, in België, hadden Bergmann en Schreuder hem de kennismaking met Kemper bezorgd. „Een uitstekend mensch, die nut kan doen”, beschrijft Kemper hem aan van Maanen[179]. Weldra werd Willems tot een post benoemd die hem onafhankelijk maakte en hem gelegenheid liet voor de letteren te leven. De brieven die hij in dezen tijd naar Holland schreef, zijn merkwaardig voor de bewustwording van den Vlaamschen geest, zooals die in hem het eerst heeft plaats gehad. Hij voelt zeer goed dat hij van Holland nog meer te ontvangen heeft dan aan Holland te bieden, maar van prijsgeven zijner Vlaamsche eigenheid is er geen spoor. Men vindt een welsprekende klacht over „de protestantsche platheden in Yntema's _Letteroefeningen_”[180]; nog een uitval tegen „de verwaande dominé's uit de _Letteroefeningen_”[181]; een juist gevoel voor de onnatuur der Hollandsche poëzie, „door breede en bazuinende woorden zoo wonderlijk opgevijzeld”[182]. Hoe raak is ook het volgende als eindindruk van 1830: „Het gouvernement heeft ons nimmer gekend, schoon het ook waar zij dat wij eigenlijk ons zelven ook niet kenden”[183]. Twee jaar later: „Er is bij de Belgen meer liefhebberij voor de Nederlandsche taal opgekomen dan er voor een paar jaren bestond. Wij maken altijd contrast; dat ligt in onzen aard....”[184].

[177] G. Bergmann, bl. 150.

[178] „Ik leerde in twee bezoeken bij hem meer dan ik met eigene navorschingen in twee geheele jaren zou hebben kunnen doen” (Willems aan Vervier, 5 Juli 1820, bij Max Rooses, Brieven van Jan Frans Willems, Gent 1874).

[179] Kemper aan van Maanen, 15 Juni 1819 (v. M.).

[180] Aan de Vries, 5 April 1825.

[181] Aan de Vries, 7 Febr. 1828.

[182] Aan de Vries, 27 Dec. 1825.

[183] Aan de Vries, 13 Dec. 1830.

[184] Aan de Vries, 20 Mei 1832.—Vgl. de fijne opmerking in het boek van Maurice Wilmotte, „La Belgique morale et politique, 1830–1900” (een overzicht der Belgische geschiedenis na 1830, zoo beknopt, helder, gedistingueerd, als het te wenschen ware dat wij er van onze eigen geschiedenis na 1848 een bezaten): „Le réveil du sentiment national se fait là-bas [in Vlaanderen] au désavantage de la France; c'est contre elle que va se tourner, bien plus que contre les provinces-soeurs du nord, l'explosion de mauvaise humeur qui accompagne tout mouvement révolutionnaire. On était sorti de chez soi, on avait pris le fusil et la rapière; on s'était battu quelque peu; mais il restait de la poudre à brûler et de la colère à passer sur quelqu'ennemi. Les services que nous rendirent les armées de Louis Philippe n'eurent, dans les cœurs flamands, qu'un faible écho; la statue du général Belliard, à Bruxelles, est un symbole officiel et rien de plus” (bl. 191–192).—Reeds bij de stemming tusschen Nemours en Leuchtenberg zijn de stemmen grootendeels naar het verschil tusschen Waal en Vlaming onderscheiden, hetgeen vooral blijkt als men het totaal der anti-Fransche stemmen (Leuchtenberg en aartshertog Karel) tegenover dat der Fransche stelt.—Vlaamsche provinciën: Antwerpen: 5 vóór Nemours, 13 tegen; Zuid-Brabant: 7 vóór, 16 tegen; West-Vlaanderen: 2 vóór, 24 tegen; Oost-Vlaanderen: 12 vóór, 22 tegen; Limburg: 10 vóór, 7 tegen; totaal: 36 vóór, 82 tegen.—Waalsche provinciën: Henegouwen: 20 vóór, 10 tegen; Luik: 11 vóór, 7 tegen; Luxemburg: 13 vóór, 2 tegen; Namen: 9 vóór, 1 tegen; totaal: 53 vóór, 20 tegen.—Totaal generaal: 89 vóór, 102 tegen.—Bij de herstemming kreeg Nemours 97 stemmen tegen Leuchtenberg 95 (Nothomb, bl. 98).

Het evenwicht tusschen Waal en Vlaming zal in België eerst zijn hersteld, wanneer het flamingantisme het karakter van letterkundige „liefhebberij”, dat sedert 1830 tot voor zeer kort overwogen heeft, geheel zal hebben afgelegd. Het Vlaamsch-zijn moet geen particularisme blijven, maar de levensuitdrukking van de helft van België's ingezetenen zelf worden. Zal de groot-Nederlandsche samenleving iets aan den Vlaming hebben, dan moet hij zijn opneming durven eischen als zelfstandige macht. Die Gezelle en Streuvels leest (wie doet het niet?) zal niet twijfelen, of er is in het Vlaamsche volk nog een schat aan ongebruikte kracht geborgen. Geen hoopvoller teeken dan de jong-Vlaamsche beweging der laatste jaren, wier heraut August Vermeylen is. Zij wil niet zegevieren door, maar ondanks de wet. „Leeren hoe elkeen ~zelf~ moet terugwerken op al wat zijnen groei belemmert, en nemen wat hem noodig is,—de menschen ~overtuigen~, en ze dan als zelfstandige wezens laten handelen: dat is de eenige propaganda die een zedelijke waarde bezit, en in directe verhouding staat tot het doel der Vlaamsche Beweging. Zoolang iemand niet vrij zijn wil of kan, tracht men vergeefs hem vrijheid op te dringen. Maar men kan in hem het gevoel der vrijheid opwekken en kweeken, opdat hij zich zelf vrij make. Waarom wachten wij dat het gezag een woord laat vallen van omhoog? Zal misschien dat woord de dooden levend maken? Voor kort ging de „Oud-Hoogstudentenbond van Westvlaanderen” aan den bisschop van Brugge vragen, dat in de katholieke kostscholen en seminariën „de studenten van Vlaanderen zouden mogen Vlaamsch spreken op Zondagen en feestdagen, en op hunne wandelingen in den buiten[185]....” De bisschop antwoordde „dat er aan dien wensch.... moeilijk kan toegegeven worden.” Hij heeft gelijk: als men onnoozel genoeg is om deemoedig iets te gaan afbedelen dat geen mensch u ontnemen mag, dan kan men niet genoeg vernederd en getart worden, de vuist in den nek voelen. Indien de echte Vlaamsche Beweging in die geesten stak, maar de echte, hoort ge, dan zouden zij weldra met elkaar overeenkomen om Vlaamsch te spreken overal en wanneer het hun belieft, en niet alleen op Zon- en feestdagen! En wat zou de bisschop doen vóór de ongehoorzaamheid van allen?.... Als men ons onrecht doet ligt de schuld aan ons, en aan ons alleen. Spijkert dat in 't hoofd der jeugd, dat is moreeler dan uw eerbied voor de macht”[186].

[185] Dans la campagne! Op te bergen bij het blad „aan vijf centiemen” en andere „gekende” blijken van onzelfstandigheid.

[186] Vermeylen, Opstellen I, 75, 76.

„Geef het volk zijn taal, opdat het zijn waardigheid voele: geef het zijn taal, opdat het zich naar de behoeften van zijn eigen wezen ontwikkele; geef het zijn taal, want met de tong raken de gedachten los, krijgen ze vorm, worden ze leven dat zich voortzet; geef het zijn taal, opdat het eindelijk spreken en verstaan zou: en de breed-uitlevende denkbeelden van dezen tijd, zijn twijfel die naar hooger streeft, zijn woorden van strijd en hoop, zullen door heel dat volk ruischen, niet alleen meer aan de oppervlakte, bij de „gegoede burgerij”, maar in de gansche maatschappij, in de steden en op het land, de stemlooze, ongebruikte, wachtende krachten wekken, de kerngezonde krachten die eens dit leven omscheppen.... Mogen we niet glimlachen, als we hooren, dat de flaminganten een Chineeschen muur om Vlaanderen willen optrekken? Chineesche muur! De ~Fransche~ muur moet afgebroken.... Wat kennen de franschelaars buiten de Fransche, neen buiten de Parijsche kultuur, waar zij maar een flauw verwateringetje van zijn! Het uurwerk van hun geest is erg ten achteren.... Zij zijn het, met al het gerammel hunner achterlijke inzichten, die Vlaanderen van de wereldbeschaving afsluiten. Vlaanderen,—neen! Groot-Nederland: zien ze dan niet hoe schoon het daar ligt in Europa, tusschen de grootste naties in, aan den samenloop der Duitsche, Fransche, Engelsche geestesstroomingen? Met de kennis van Nederlandsch en Fransch houden wij den sleutel tot Germaansche en Romaansche talen, onze geest wordt gedrild door de nabijheid van Romaansche en Germaansche gedachtenwereld. Onze roeping is, in eigen grond geworteld, ook het kultuurleven onzer buren in ons om te werken tot eigen leven. En daar nu alles meêgaat, het zelfstandiger optreden van den Vlaamschen geest, de rijke ontwikkeling onzer nijverheids- en handelskrachten, de groei onzer sterk ingerichte volksbeweging, zien zij niet, die jammerlijke franschelaars, welke rol in het grootworden der algemeene Europeesche beschaving door een „tusschenland” als het onze kan gespeeld worden? Onze toekomst hangt grootendeels af van de grondige vervlaamsching van Vlaanderen. En daarom, in twee regels samengevat: om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn.—Wij willen Vlamingen zijn, om Europeeërs te worden”[187].

[187] Als boven, I, 211–213.

Welk een kracht in het woord! Zal zijn volk de daad doen volgen? Er is hoop. Juist die lang gesluimerd hebben, hebben soms de wereld verrast. Toen men over Uilenspiegels graf de gebeden lezen wilde, zag men hem opstaan van onder het zand. „Vlaanderen kan ook slapen”, zeide hij, „maar sterven, nooit”. Mocht het zijn, dat Vlaanderen thans had uitgeslapen, de Europeesche beteekenis van België, die reeds aanzienlijk is, zou er nog zeer veel bij winnen. De uitwisseling van Germaansche tegen Romaansche beschavingsmunt zou levendiger zijn in België en daardoor in Europa. En de Belgische bodem, rijker bevrucht, zou schooner bloei voortbrengen.

Wij behoeven toch wel niet te herinneren, dat Vermeylen met zijn „franschelaars” de apen, niet de eigen verwanten van den Franschen stam in België bedoelt? Aan hun de vrede, en meer dan dat! Zij hooren even goed in België thuis als de fierste Vlaming ook, ja de beteekenis van het land staat en valt met de gelijktijdige en gelijkrechtigde aanwezigheid van ~beide~ elementen. Doch de Walen hebben geen nood. Hun kultuur steunt op die van een groot, de Vlaamsche kan, onmiddellijk, alleen steunen op die van een klein naburig volk. Middellijk echter ook op die van Duitschland en Engeland. Holland ligt voor de deur, maar uit Holland loopen van ouds verscheiden wegen.

Ook Holland zal, aan de grens van een door Vlaanderens herleving verrijkt België, verhoogde beteekenis krijgen voor het nabuurland en daarmede voor Europa. Het België van 1830 is, in het geestelijke, geen blijvende schepping. Niet de vereeniging van 1815 kan terug komen, maar wat komen kan is een België, meer gelijkwaardig aan dat van Rubens en daarvóór. Van zulk een België zullen wij slechts geestelijk profijt te wachten hebben. Op onzen volksbodem, die naar meer dan één zijde open ligt, rijpen de sappigste vruchten bij zuidwestenwind.

Onze rol bij dit alles is die van hen die wachten, maar niet van hen die wachten zonder hope. Niettegenstaande onze kleinheid zijn wij er nog; wij willen er blijven. Wij ook kunnen alleen Europeeërs zijn, door Hollanders te wezen, en onszelf willen wij blijven ook tegenover het verwante Zuidnederlandsche volk. Wij willen daarbij aan vroegere fouten indachtig zijn, en geen verbroedering gedecreteerd hebben op papier, noch ze verlagen tot pasmunt ten bate van het congresverkeer. Geen overijling, en om 's Hemels wil geen gemaaktheid! Duizendmaal beter dan congressen die boven den toon van ons waarachtig gevoel geschroefd zijn, zijn in het geheel geen congressen. Die het meest hebben bijgedragen tot verhooging van den Vlaamschen naam in Holland zijn juist zij, die het minst Holland om zijn sympathie hebben nageloopen. Kracht bedelt niet, maar uit zich. Wij ~hebben~ beiden nog kracht; geen van ons beiden zal ondergaan, zoo hij het niet zelf wil. En wij willen het niet! trots de lamheid van sommiger lendenen. Houde ieder het zich voor gezegd: wij willen niet weg; en onze historie heeft ons niet geleerd aan onszelf te wanhopen.

Laten wij elk, Noord- en Zuidnederlander, het beste geven wat in ons is. Wij brengen dan noodzakelijkerwijs dingen voort die niet slechts voor ons zelven, maar ook voor den ander van belang zijn. Belang zal kennis doen zoeken, kennis zal liefde wekken, en wat geen woorden kunnen, zullen de dingen doen.

Augustus 1905.

ERRATA.

Bl. 40 regel 11 van boven _staat_: en koren, _lees_: en het koren.

„ 43 „ 6 „ beneden „ : hôtet, „ : hôtel.

„ 45 „ 2 „ boven „ : terriorialen, „ : territorialen.

„ 45 „ 4 „ „ „ : tot uitsterven, „ : tot het uitsterven.

„ 51 „ 10 „ „ „ : Jeremia, „ : Jeremia, Zacharia.

„ 123 „ 4 „ „ „ : de Thiemes, „ : de Thiennes.

+----------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: In 1146 werd Dooruik afgescheiden uit | | C: In 1146 werd Doornik afgescheiden uit | | B: streed tegen de gansehe overlevering | | C: streed tegen de gansche overlevering | | B: Görlitz, hortogin van Luxemburg, | | C: Görlitz, hertogin van Luxemburg, | | B: eischen onmiddelijk na dien | | C: eischen onmiddellijk na dien | | B: in 1428, titel in in 1433), | | C: in 1428, titel in 1433), | | B: tot zijn taak tn de | | C: tot zijn taak in de | | B: gewesten voorshans kon verdragen: | | C: gewesten voorshands kon verdragen: | | B: noch een politek machtige stad | | C: noch een politiek machtige stad | | B: velen misschen paradoxaal zal | | C: velen misschien paradoxaal zal | | B: natnurlijk, dat men is gaan | | C: natuurlijk, dat men is gaan | | B: kennen, zóó te te verklaren. | | C: kennen, zóó te verklaren. | | B: de klank „van Voorne’ ooit door | | C: de klank „van Voorne’” ooit door | | B: kent waarmede de transscriptie van | | C: kent waarmede de transcriptie van | | B: beeft gehad als op de Fransche | | C: heeft gehad als op de Fransche | | B: Nativiteit bij van Kaufmann is de eerste | | C: Nativiteit bij von Kaufmann is de eerste | | B: alleen dat Uilespiegel in zijn regt | | C: alleen dat Uilenspiegel in zijn regt | | B: handhandhaven heeft het zich moeten | | C: handhaven heeft het zich moeten | | B: Lttt. Fantasiën, vierde reeks, | | C: Litt. Fantasiën, vierde reeks, | | B: zonden gewis nog veel hartelijker | | C: zouden gewis nog veel hartelijker | | B: mais point de maîtres (van Eupen | | C: mais point de maîtres” (van Eupen | | B: Que le seizième siècle instruise | | C: „Que le seizième siècle instruise | | B: Febr. 1814; afschift in F. O.). | | C: Febr. 1814; afschrift in F. O.). | | B: Holland as an intregal part | | C: Holland as an integral part | | B: bijeengereepen (Coremans, bl. 135). | | C: bijeengeroepen (Coremans, bl. 135). | | B: onder hem geen prijs stelden op het | | C: onder hen geen prijs stelden op het | | B: wijze van anneming der grondwet | | C: wijze van aanneming der grondwet | | B: vóór de stemming. met den clerus | | C: vóór de stemming, met den clerus | | B: nog niemand verrichte en toch | | C: nog niemand verrichtte en toch | | B: de la police n'out pu découvrir | | C: de la police n'ont pu découvrir | | B: dat, na het opooer te Brussel | | C: dat, na het oproer te Brussel | | B: Men vindt hel bekende artikel | | C: Men vindt het bekende artikel | | B: la Haye d'où je ne sòrtirais plus”. | | C: la Haye d'où je ne sortirais plus”. | | B: adresser à l'administratiou de la | | C: adresser à l'administration de la | | B: an Roi, afin de l'obliger à | | C: au Roi, afin de l'obliger à | | B: poussés à bout” (Lamoussaye, | | C: poussés à bout”” (Lamoussaye, | | B: Reede, grand chambellan, dépositaire de Reede, grand | | C: Reede, grand | | B: garanties sociales.... Telles cont les | | C: garanties sociales.... Telles sont les | | B: France. Ce voeu irréfléchi prend sa | | C: France. Ce vœu irréfléchi prend sa | | B: des outrages qu'ls font à | | C: des outrages qu'ils font à | | B: l'extension de la laugue hollandaise. | | C: l'extension de la langue hollandaise. | | B: jusq'uà présent. Aucun courrier | | C: jusqu'à présent. Aucun courrier | | B: des nombreuses specialités de caractère | | C: des nombreuses spécialités de caractère | | B: protecteur n'est jamains parvenu à | | C: protecteur n'est jamais parvenu à | | B: dans sa popre nationalité. Si | | C: dans sa propre nationalité. Si | | B: a des titres ponr demeurer | | C: a des titres pour demeurer | | B: les les gouvernements à marcher bon | | C: les gouvernements à marcher bon | | B: ze niet door de de Nederlandsche, maar | | C: ze niet door de Nederlandsche, maar | | B: members of the Shates General. | | C: members of the States General. | | B: and its leaders, witch the | | C: and its leaders, with the | | B: from the alarm whlch has induced | | C: from the alarm which has induced | | B: al wierd zijn dadelijk toegestaan | | C: al wierd zij dadelijk toegestaan | | B: colliers from the neigbourhood | | C: colliers from the neighbourhood | | B: Potter, ± 13 Sept 1830; bij Juste | | C: Potter, ± 13 Sept. 1830; bij Juste | | B: from Liege[143] as wel as the | | C: from Liege[143] as well as the | | B: was attented by the staff of the Garde | | C: was attended by the staff of the Garde | | B: said that though te King in the | | C: said that though the King in the | | B: should be declared fortwith,—that all | | C: should be declared forthwith,—that all | | B: exposer sans nécesseté les | | C: exposer sans nécessité les | | B: announced for the the evening of | | C: announced for the evening of | | B: upon their own responsability. Several | | C: upon their own responsibility. Several | | B: who wished to entrer searched. | | C: who wished to enter searched. | | B: was litterally swarming with persons | | C: was literally swarming with persons | | B: slack than on the preceeding days. | | C: slack than on the preceding days. | | B: soldiers, it was extinghuished. | | C: soldiers, it was extinguished. | | B: would be called upon te | | C: would be called upon to | | B: van den Raad van Sate en een | | C: van den Raad van State en een | | B: hestuur van het denkbeeld eener republiek | | C: bestuur van het denkbeeld eener republiek | | B: staat[174]. Ondertuschen bleef, bijna | | C: staat[174]. Ondertusschen bleef, bijna | | B: staatsgezag en en staatseenheid hoog | | C: staatsgezag en staatseenheid hoog | | B: op de houding de Vlamingen tusschen 1815 | | C: op de houding der Vlamingen tusschen 1815 | | B: een ronde Vaamsche jongen, „met | | C: een ronde Vlaamsche jongen, „met | | B: koppel zwarte oogen een zwart | | C: koppel zwarte oogen en een zwart | | B: provinciën: Henegouwen; 20 vóór, 10 tegen; | | C: provinciën: Henegouwen: 20 vóór, 10 tegen; | | B: maar sterven, nooit”. Mocht het | | C: „maar sterven, nooit”. Mocht het | | | +----------------------------------------------------------+